Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0999

Datum uitspraak2006-10-10
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC200400812
Statusgepubliceerd


Indicatie

Al met al oordeelt het hof dan ook dat [geïntimeerde] voldoende heeft aangetoond dat er een fee van f. 6.000,- per kwartaal is overeengekomen tussen [naam 2] en [naam 1]. Hieruit volgt dat het hoger beroep faalt en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.


Uitspraak

typ. NJ rolnr. C0400812/BR ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, achtste kamer, van 10 oktober 2006, gewezen in de zaak van: [APPELLANTE] B.V., gevestigd te [plaats], appellante, procureur: mr. A.K.M. van Meer, tegen: [GEÏNTIMEERDE], wonende te [plaats], geïntimeerde, procureur: mr. J.E. Lenglet, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 september 2005 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 113161/HA ZA 02-1647 gewezen vonnis van 10 maart 2004 tussen appellante - [appellante] - als opposante en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als geopposeerde 6. Het tussenarrest van 27 september 2005 Bij genoemd arrest is aan [geïntimeerde] een bewijsopdracht verstrekt en is iedere verdere beslissing aangehouden. 7. Het verdere verloop van de procedure De enquête heeft plaatsgevonden op 22 december 2005 en de contra-enquête op 16 februari 2006. Van de verhoren is proces-verbaal opgemaakt waarvan afschriften bij de stukken. [geïntimeerde] heeft daarna een memorie na enquête genomen onder overlegging van een productie en [appellante] heeft dat vervolgens eveneens gedaan onder overlegging van een productie. Daarna hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en uitspraak gevraagd. 8. De verdere beoordeling 8.1. In genoemd tussenarrest is [geïntimeerde] toegelaten tot het bijbrengen van nader bewijs van haar stelling dat tussen wijlen [naam 1] en [appellante] is overeengekomen dat [appellante] aan [naam 1] h.o.d.n. Combiline een bedrag van f. 7.140,00 inclusief btw (E. 3.239,00) per kwartaal zou voldoen als fee voor de bemiddeling bij de detacheringovereenkomst, zolang die overeenkomst inzake [naam 2] tussen [appellante] en PON zou voortduren. 8.2. [geïntimeerde] heeft daartoe drie getuigen doen horen: haarzelf en de heren [naam 2] en [naam 3]. [appellante] heeft de heren [naam 4] en [naam 5] doen horen. 8.3. Het hof overweegt het volgende. 8.3.1. Tussen partijen staat vast dat [naam 2] namens [appellante] de onderhandelingen mocht voeren met [naam 1] over de bemiddelingsfee en dat hij de afspraken daaromtrent met [naam 1] heeft gemaakt. Voor de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst komt het dan ook aan op hetgeen [naam 2] aan [naam 1] heeft medegedeeld omtrent de instemming van [appellante] en is uiteindelijk niet relevant of [naam 2] daarover werkelijk de volledige instemming van de heren [naam 4] en/of [naam 5] van [appellante] had. Grief V, die opkomt tegen de met deze beslissing overeenkomende overweging van de rechtbank faalt derhalve. Ook grief IV faalt, aangezien de rechtbank terecht heeft overwogen dat [naam 4] en [naam 5] niet hebben kunnen verklaren omtrent de inhoud van de gesprekken tussen [naam 2] en [naam 1]. Zij hebben daarover immers alleen informatie gehad van [naam 2], aan wie zij het voeren van die gesprekken hebben overgelaten. 8.3.2. De grief III betreft de waardering en weging van de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen. Het hof zal deze grieven betrekken in de beoordeling van het thans door [geïntimeerde] bijgebrachte bewijs. De verklaring van [geïntimeerde] als getuige bij het hof is vrijwel gelijkluidend aan haar verklaring bij de rechtbank; zij geeft expliciet aan dat er in het restaurant [naam restaurant] overeenstemming is bereikt over een vast bedrag van f. 6.000,- per kwartaal onder voorbehoud van goedkeuring van [appellante], en dat zij daar destijds aantekeningen van heeft gemaakt. De afspraak tussen [naam 2] (namens [appellante]) en [naam 1] omtrent f. 6.000,- per kwartaal wordt door [naam 3] bevestigd, die thans verklaart dit niet alleen van [naam 2] te hebben gehoord, maar ook van [naam 1] zelf, terwijl [naam 2] hem nadien nogmaals heeft bevestigd dat de afspraken met [naam 1] rond waren. [naam 2] blijft bij zijn verklaring zoals in eerste aanleg afgelegd. Het hof oordeelt de verklaring van [geïntimeerde] nu wel voldoende gesteund door die van [naam 3], waarin deze immers thans verklaart ook zelf van [naam 1] te hebben vernomen dat er een fee van fl. 6.000,- per kwartaal is afgesproken. Het hof oordeelt het feit dat [naam 3] betrokken is geweest bij Combiline, mede gelet op de uitleg die daarover is gegeven door de getuigen [geïntimeerde] en [naam 3], geen reden om aan de geloofwaardigheid van de verklaring die [naam 3] in deze zaak heeft afgelegd, te twijfelen. Evenmin oordeelt het hof het feit dat er een geschil bestond tussen [naam 2] en [appellante] en dat [naam 2] uit dien hoofde een bedrag aan [appellante] dient te betalen, reden om aan de verklaringen van [naam 2] te twijfelen, mede gelet op diens ontkenning enig belang te hebben bij de uitkomst van deze procedure. Grief III faalt derhalve eveneens. De verklaring die [naam 4] als getuige aflegt verschilt op substantiële punten van zijn verklaring in eerste aanleg: [naam 4] verklaarde in eerste aanleg dat hij aan [naam 2] heeft medegedeeld dat [naam 5] en hij bereid waren tot betaling van een eenmalige vergoeding van f. 6.000,- exclusief btw en dat "nadat" hij dat gesprek met [naam 2] had gevoerd, [naam 2] terug kwam met een getekende opdracht van PON. Hieruit volgt dat volgens [naam 4] deze afspraak met [naam 2] is gemaakt voordat [naam 2] in dienst trad bij PON. Thans in hoger beroep verklaart hij dat nadat [naam 2] bij PON was gestart, hij een e-mail kreeg van [naam 2] met een voorstel over de fee, en dat hij akkoord ging mits deze beperkt werd tot een bedrag gerekend over 6 maanden. Die e-mail is door hem aan het hof overgelegd ter gelegenheid van de enquête en is aan het proces-verbaal gehecht. [naam 5] verklaart eveneens dat pas nadat [naam 2] bij PON aan de slag was, [naam 2] met het verhaal kwam dat zijn relatie voor de bemiddeling een fee wenste, en dat [naam 2] daarover een voorstel per e-mail heeft gedaan. Aan de verklaringen die [naam 4] en [naam 5] in eerste aanleg hebben afgelegd, inhoudende dat vooraf een vaste limiet van fl. 6.000,- zou zijn genoemd door [naam 4] aan [naam 2] - waarmee nog niet gezegd is dat [naam 2] dit ook zo is overeengekomen met [naam 1] - wordt afbreuk gedaan door de daarmee in strijd zijnde verklaring in hoger beroep, dat er pas veel later door [naam 2] zou zijn gemeld dat [naam 1] een fee wenste. Uit de e-mail van [naam 2] die is overgelegd blijkt slechts een voorstel van [naam 2] aan [naam 4] om aan [naam 1] 4% over diens omzet bij PON te betalen, waarbij hij berekent dat dit over twee periodes neerkomt op f. 6.480,-. Uit de e-mail blijkt niet hoe het voorstel van [naam 4] aan [naam 5] om de fee tot een periode van 6 maanden te beperken, is gecommuniceerd met [naam 2]. Met name blijkt noch uit deze e-mail, noch uit de - niet consistente - verklaringen van [naam 4] en [naam 5] wat [naam 2] mogelijk voordien namens [appellante] heeft afgesproken met [naam 1]. Voorts schreef [naam 5] op 27 september 2001 aan [geïntimeerde] dat de bemiddelingskosten slechts voor een periode van drie maanden zouden gelden, wat ook weer niet overeenkomt met hetgeen [naam 4] en [naam 5] als getuigen in hoger beroep verklaren. Dit alles doet ernstig afbreuk aan het tegenbewijs. Al met al oordeelt het hof dan ook dat [geïntimeerde] voldoende heeft aangetoond dat er een fee van f. 6.000,- per kwartaal is overeengekomen tussen [naam 2] en [naam 1]. Hieruit volgt dat het hoger beroep faalt en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. 8.3.3. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep gevallen aan de zijde van [geïntimeerde]. 9. De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op E. 755,- aan verschotten en E. 2.592,- aan salaris procureur; Dit arrest is gewezen door mrs. Hendriks-Jansen, Fikkers en Spoor en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 10 oktober 2006.