Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0997

Datum uitspraak2006-06-27
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC20051008
Statusgepubliceerd


Indicatie

Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden niet gezegd worden dat Van Lanschot onzorgvuldig gehandeld heeft door niet eigener beweging het beleggingsprofiel van [appellant] aan te passen en af te stemmen op minder riskante beleggingen.


Uitspraak

typ. LD rolnr. C0501008/HE ARREST VAN HET GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH, tweede kamer, van 27 juni 2006, gewezen in de zaak van: [APPELLANT], wonende te [plaats], appellant in principaal appel, geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel, hierna aan te duiden als [appellant], procureur: mr. J.E. Lenglet, t e g e n : de naamloze vennootschap F. VAN LANSCHOT BANKIERS N.V., gevestigd te 's-Hertogenbosch, geïntimeerde in principaal appel, appellante in voorwaardelijk incidenteel appel, hierna aan te duiden als Van Lanschot, procureur: mr. J.E. Benner, op het bij exploot van dagvaarding van 25 mei 2005 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, uitgesproken op 18 december 2002, 31 december 2003 en 6 april 2005 tussen [appellant] als eiser en Van Lanschot als gedaagde. 1. De procedure in eerste aanleg (zaaknr. 74848/HA ZA 01-2760) Hiervoor verwijst het hof naar de beroepen vonnissen. 2. De procedure in hoger beroep Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier producties overgelegd (genummerd 7 tot en met 10), vijftien grieven tegen de vonnissen aangevoerd en geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven. Bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, heeft Van Lanschot de grieven van [appellant] bestreden, in voorwaardelijk incidenteel appel één grief voorgedragen en geconcludeerd tot hetgeen aan het slot van die memorie staat omschreven. [appellant] heeft een memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel genomen. Op verzoek van [appellant] hebben de partijen hun standpunten ter zitting van 18 april 2006 doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van door die advocaten overgelegde pleitnotities. Tot slot hebben de partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling In principaal appel en in voorwaardelijk incidenteel appel 4.1. Tussen partijen staat onder meer het volgende vast. a) Sinds 1994 houdt [appellant] bij Van Lanschot een effectenrekening aan (hierna: de effectenrekening). Met betrekking tot het vermogen op die effectenrekening bestond sedertdien tussen de partijen een vermogensadviesrelatie. b) Eind 1999 heeft [appellant] zijn onderneming verkocht en vervolgens op 11 november 1999 een bedrag van ongeveer 3,7 miljoen gulden bijgestort op de effectenrekening. Als gevolg van de verkoop van zijn onderneming diende [appellant] in april 2001 een algemeenbelangclaim van ongeveer 1 miljoen gulden te betalen aan de fiscus (hierna: de AB-claim). c) Op 27 november 1999 is tussen [appellant] en Van Lanschot met betrekking tot de effectenrekening een "Cliëntovereenkomst inzake valutatermijncontracten" gesloten (prod. 8 CvA). d) Op 29 november 1999 heeft [appellant] een bedrag van 1 miljoen gulden van de effectenrekening overgeboekt naar een andere bank. [appellant] beschikte eind 1999 voorts over een pensioen-BV met een vermogen van bijna ƒ 800.000,--. e) In maart 2000 was de waarde van de effectenportefeuille van [appellant] vrij sterk gestegen tot ongeveer 4,9 miljoen gulden. f) In september 2000 was de waarde van de effectenportefeuille gedaald tot ongeveer 2,5 miljoen gulden. Na september 2000 is de waarde van de effectenportefeuille verder afgenomen. g) Naar aanleiding van een gesprek tussen partijen van 2 november 2000 heeft Van Lanschot aan [appellant] bij brief van 7 november 2000 een beleggingsvoorstel toegezonden. Aan dat voorstel is door [appellant] geen uitvoering gegeven. h) Op 23 januari 2001 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden. Bij brief van 9 februari 2001 heeft Van Lanschot aan [appellant] een bevestiging gezonden van het op 23 januari 2001 besprokene. i) Bij brief van 18 september 2001 heeft de advocaat van [appellant] Van Lanschot aansprakelijk gesteld voor de vermogensverliezen die op de effectenportefeuille zijn geleden vanaf eind 1999. 4.2. In de onderhavige procedure vordert [appellant]: - een verklaring voor recht dat Van Lanschot aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft geleden ten gevolge van toerekenbaar tekortschieten van Van Lanschot in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten c.q. gemaakte afspraken, en/of ten gevolge van onrechtmatig handelen van Van Lanschot jegens [appellant]; - veroordeling van Van Lanschot tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade, althans een gedeelte daarvan, nader op te maken bij staat; met veroordeling van Van Lanschot in de proceskosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. 4.3.1. In het tussenvonnis van 18 december 2002 heeft de rechtbank [appellant] toegelaten te bewijzen: 1) dat hij eind 1999 in een persoonlijk gesprek met [medewerker] van Van Lanschot heeft gezegd dat het uit de verkoop van de onderneming vrijgekomen vermogen was bestemd voor pensioenopbouw en het betalen van de AB-claim en dat hij eind 1999 aan Van Lanschot heeft medegedeeld dat zijn beleggingsdoelstellingen na verkoop van zijn onderneming waren gewijzigd in pensioenopbouw en het genereren van inkomsten; 2) dat Van Lanschot hem (niettemin) adviseerde op basis van een (te) hoog risicoprofiel en dat de beleggingen als vermeld op productie 4 bij conclusie van eis niet op initiatief van [appellant] doch juist op advies van Van Lanschot zijn gedaan; 3) dat Van Lanschot in augustus 2000 heeft toegezegd omtrent de samenstelling van de effectenportefeuille van [appellant] voor een second opinion van het hoofdkantoor te 's-Hertogenbosch te zorgen; 4) dat Van Lanschot in september 2000 aan [appellant] heeft geadviseerd zijn portefeuille niet geheel of gedeeltelijk te verkopen. 4.3.2. In het tussenvonnis van 31 december 2003 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] niet geslaagd was in de levering van het onder 1), 3) en 4) bedoelde bewijs. De rechtbank achtte [appellant] wèl geslaagd in het bewijs dat Van Lanschot hem adviseerde op basis van een (te) hoog risicoprofiel en dat de beleggingen als vermeld op productie 4 vrijwel geheel op advies van Van Lanschot zijn gedaan. De rechtbank heeft [appellant] in dit tussenvonnis vervolgens opgedragen te bewijzen dat, indien Van Lanschot wel zijn risicoprofiel zou hebben gewijzigd en indien Van Lanschot overeenkomstig het gewijzigde profiel zou hebben geadviseerd, [appellant] deze adviezen zou hebben opgevolgd. 4.3.3. In het eindvonnis van 6 april 2005 heeft de rechtbank [appellant] niet geslaagd geacht in deze laatstbedoelde bewijslevering. De rechtbank heeft op grond daarvan de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. 4.4.1. Het hof zal eerst de grieven I, II en V in principaal appel behandelen. Ook de grief in voorwaardelijk incidenteel appel komt daarbij aan de orde. Deze grieven hebben betrekking op het door [appellant] aan Van Lanschot gemaakte verwijt dat Van Lanschot [appellant] heeft geadviseerd op basis van een te hoog risicoprofiel. 4.4.2. Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof voorop dat het verwijt van [appellant] betrekking heeft op de advisering in de periode vanaf eind 1999, toen de onderneming van [appellant] was verkocht en het bedrag van 3,7 miljoen gulden op de effectenrekening was bijgestort. De verwijten hebben geen betrekking op de advisering in de periode van 1994 tot eind 1999. Het hof gaat er voorts vanuit dat de advisering in de periode vanaf eind 1999 plaats vond op basis van een vergelijkbaar risicoprofiel als de advisering in de periode van 1994 tot eind 1999. Bij gelegenheid van het pleidooi is dit door Van Lanschot naar aanleiding van een vraag van het hof gesteld door Van Lanschot en [appellant] heeft het erkend, althans niet weersproken. Ook in zijn eerdere processtukken heeft [appellant] niet gesteld dat de advisering in de periode vanaf eind 1999 een ander (riskanter) karakter had dan de advisering in de periode daarvoor. 4.4.3. Uit deze uitgangspunten vloeit voort dat het verwijt dat [appellant] over de advisering aan Van Lanschot maakt erop neerkomt dat Van Lanschot het risicoprofiel althans de beleggingsadviezen eind 1999 niet heeft aangepast overeenkomstig een minder risicovol profiel. Voor een dergelijke aanpassing was volgens [appellant] aanleiding omdat door de verkoop van zijn onderneming zijn beleggingsdoelstellingen veranderden. Deze verandering hing - zo stelt [appellant] - samen met: - het feit dat hij voor zijn maandelijkse behoefte aan liquiditeiten voor levensonderhoud en pensioenvoorziening aangewezen was op het vermogen dat hij op de effectenrekening had gestort; - het feit dat hij in april 2001 de AB-claim van ongeveer 1 miljoen gulden zou moeten voldoen. [appellant] stelt primair dat hij zijn gewijzigde beleggingsdoelstellingen aan Van Lanschot heeft meegedeeld. Subsidiair stelt hij dat Van Lanschot bekend was met de verkoop van de onderneming van [appellant] en dat Van Lanschot daaruit had moeten begrijpen dat de beleggingsdoelstellingen van [appellant] aanpassing behoefden. 4.5.1. Voor wat betreft de primaire stelling is het hof van oordeel dat de rechtbank in het tussenvonnis van 18 december 2002 terecht heeft geoordeeld dat op [appellant] de bewijslast rust van zijn stelling dat hij eind 1999 in een persoonlijk gesprek met [medewerker] van Van Lanschot heeft gezegd dat het uit de verkoop van de onderneming vrijgekomen vermogen was bestemd voor pensioenopbouw en het betalen van de AB-claim en dat hij eind 1999 aan Van Lanschot heeft medegedeeld dat zijn beleggingsdoelstellingen na verkoop van zijn onderneming waren gewijzigd in pensioenopbouw en het genereren van inkomsten. Voor zover [appellant] dit oordeel van de rechtbank heeft willen aanvechten met grief I, faalt die grief. 4.5.2. Grief II is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 31 december 2003, dat [appellant] niet in deze bewijslevering geslaagd is. Het hof overweegt over deze grief het volgende. Dat [appellant] aan Van Lanschot duidelijk heeft gemaakt dat het op 11 november 1999 op de effectenrekening gestorte bedrag (mede) bestemd was voor pensioenopbouw is door geen van de gehoorde getuigen verklaard, ook niet door [appellant] zelf. Dat [appellant] eind 1999 aan Van Lanschot gezegd zou hebben dat er nog 1 miljoen gulden naar de belasting zou moeten is wel door [appellant] verklaard, maar voor die verklaring is geen steun te vinden in de verklaringen van de andere getuigen. Integendeel: [medewerker], destijds accountmanager voor [appellant] bij Van Lanschot, heeft verklaard dat hij in een telefoongesprek aan [appellant] heeft gevraagd of er nog zaken afgedragen moesten worden zoals aanmerkelijk belang belasting, en dat het antwoord daarop negatief was. Ook de verklaring van [medewerker 2], destijds de vermogensadviseur van [appellant] bij Van Lanschot, ondersteunt de verklaring van [appellant] niet. [medewerker 2] heeft verklaard dat hij van [medewerker] gehoord had dat hij het binnengekomen bedrag vrij kon beleggen. Ook verklaarde [medewerker 2] dat [appellant] hem nooit heeft gezegd dat zijn beleggingsdoelstelling was gewijzigd, en dat [appellant] pas omstreeks eind 2000/begin 2001 heeft gezegd dat er van het belegde vermogen een AB-claim van 1 miljoen gulden aan de fiscus betaald zou moeten worden. 4.5.3. Het hof komt op grond van het voorgaande evenals de rechtbank tot het oordeel dat [appellant] niet in de bewijslevering geslaagd is. Grief II faalt dus. In het voetspoor van grief II faalt ook grief V. Die grief is immers gebaseerd op de veronderstelling dat [appellant] de gestelde mededelingen wel al eind 1999 aan Van Lanschot heeft gedaan. 4.6.1. Het hof komt daarmee toe aan de in r.o. 4.4.3 weergegeven subsidiaire stelling van [appellant], volgens welke stelling Van Lanschot uit de verkoop van de onderneming van [appellant] had moeten begrijpen dat de beleggingsdoelstellingen van [appellant] aanpassing behoefden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [appellant] aangevoerd dat Van Lanschot had moeten begrijpen: - dat er in verband met de verkoop van de onderneming nog een AB-claim voldaan zou moeten worden; - dat [appellant] na de verkoop van zijn onderneming voor zijn levensonderhoud en pensioenvoorziening afhankelijk was van het vermogen op de effectenrekening. 4.6.2. Deze stellingen van [appellant] zijn door de rechtbank in r.o. 2.9 van het vonnis van 31 december 2003 in dier voege gehonoreerd dat de rechtbank heeft overwogen: "(. . .) De rechtbank is van oordeel dat Van Lanschot zich geen volledig beeld heeft gevormd van de financiële omstandigheden van [appellant] en dat zij, zeker na de storting van ruim 3 miljoen gulden op de rekening van [appellant] niet had mogen volstaan met het stellen van de vraag of dit vermogen kon worden belegd, mede in aanmerking genomen de omvang van het tot het moment van storting belegde vermogen. Het had op de weg van de bank gelegen om een gesprek te hebben met [appellant] en zich op de hoogte te stellen van hetgeen [appellant] zich precies voorstelde bij de aanwending van dat bedrag. De bank diende zich in dat verband minstgenomen ook globaal op de hoogte te stellen van de financiële situatie van [appellant], waarbij onder meer van belang was of [appellant] voor zijn levensonderhoud geheel of gedeeltelijk aangewezen was op de opbrengsten van de effecten en of belangrijke verliezen ten aanzien van de effectenportefeuille andere dan alleen directe vermogenseffecten zou hebben. Het nalaten hiervan acht de rechtbank onzorgvuldig; (. . .)". 4.6.3. Tegen dit oordeel richt zich de grief van Van Lanschot in voorwaardelijk incidenteel appel. Van Lanschot stelt dat zij voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. 4.6.4. Het hof acht bij de beoordeling van deze grief de navolgende omstandigheden van belang. 4.6.5. Door [medewerker] van Van Lanschot is verklaard dat hij na ontvangst van het bedrag van 3,7 miljoen gulden op de effectenrekening contact heeft opgenomen met [appellant] en hem gevraagd heeft wat de bedoeling met het geld was. [appellant] heeft dit als getuige erkend. Dat [appellant] in dit gesprek zou hebben gezegd dat een deel van het geld bestemd was voor de betaling van de AB-claim en de rest van het geld bestemd was voor pensioenopbouw en levensonderhoud, acht hof niet bewezen. Naast hetgeen dienaangaande reeds is overwogen in r.o. 4.5.2 neemt het hof daarbij het volgende in aanmerking. 4.6.6. In het in r.o. 4.1 onder g genoemde beleggingsadvies van 7 november 2000 van Van Lanschot aan [appellant], dat tot stand gekomen is naar aanleiding van een gesprek met [appellant] op 2 november 2000, staan als uitgangspunten onder meer vermeld: - u heeft een dynamisch risicoprofiel aangezien de gehele portefeuille in aandelen wordt belegd; - u wenst een zo hoog mogelijk (netto) rendement; - u heeft een beleggingshorizon van 5-10 jaar. Uit dit advies blijkt niet dat een deel van het vermogen van de effectenrekening omstreeks april 2001 beschikbaar diende te zijn voor de voldoening van een AB-claim. Evenmin blijkt dat het vermogen bestemd was voor levensonderhoud en pensioenvoorziening, nu die doelen niet zijn vermeld en tussen partijen vast staat dat bij die doelen een andere beleggingsmethode past (slechts een deel beleggen in aandelen). Dit advies duidt er derhalve op dat Van Lanschot in november 2000 niet van de gestelde gewijzigde beleggingsdoelstellingen op de hoogte was. Het feit dat de noodzaak van voldoening van de AB-claim wel genoemd wordt in de brief van Van Lanschot van 9 februari 2001 duidt er op dat Van Lanschot pas in het aan die brief voorafgaande gesprek van 23 januari 2001 op de hoogte is gesteld van de (in ieder geval toen bestaande) wens van [appellant] om de AB-claim vanuit het vermogen van de effectenrekening te voldoen. 4.6.7. Dat [appellant] zijn beleggingsdoelstellingen ten aanzien van de effectenrekening niet heeft willen wijzigen nadat hij daar in november 1999 het bedrag van 3,7 miljoen gulden op heeft gestort is voorts af te leiden uit de volgende omstandigheden. - [appellant] heeft het bedrag van 3,7 miljoen gulden op de effectenrekening gestort en hij heeft geweigerd om in te gaan op het voorstel van [medewerker] om het bedrag van 3,7 miljoen gulden tegen een rente in depot te zetten (zie verklaring [appellant]). - [appellant] heeft kort na de storting van het bedrag op de effectenrekening een overeenkomst terzake via de effectenrekening te verrichten valutatermijncontracten gesloten. Valutatermijnhandel is riskant; er kunnen forse winsten mee worden behaald maar ook grote verliezen mee worden geleden. - [appellant] had een pensioen-BV waarin eind 1999 een vermogen van ongeveer 800.000 gulden was ondergebracht. - [appellant] heeft eind november 1999 1 miljoen gulden opgenomen van de effectenrekening en elders ondergebracht. Deze omstandigheden duiden er op dat er al een pensioenvoorziening was getroffen en dat een deel van het vermogen van [appellant] buiten Van Lanschot om was belegd, zodat voor Van Lanschot geenszins duidelijk behoefde te zijn dat vanuit het vermogen van de effectenrekening nog een AB-claim voldaan moest worden en dat dit vermogen mede strekte tot levensonderhoud en als pensioenvoorziening. 4.6.8. Aan het voorgaande kan worden toegevoegd dat [medewerker] heeft verklaard dat hij aan [appellant] heeft voorgesteld om een financiële planning te maken en dat hij meermalen aan [appellant] en diens belastingadviseur om financiële gegevens heeft gevraagd maar ze niet heeft gekregen. [appellant] erkent dat [medewerker] heeft gevraagd of het zinvol zou zijn om contact op te nemen met de belastingadviseur van [appellant]. Het hof neemt op grond van de omstandigheden van het onderhavige geval als vaststaand aan dat noch door [appellant], noch door diens belastingadviseur in de periode volgend op de storting van de 3,7 miljoen gulden gegevens zijn verstrekt waaruit Van Lanschot had moeten begrijpen dat [appellant] een andere, minder riskante beleggingsstrategie wilde gaan volgen. 4.6.9. Dat een dergelijke wijziging in de beleggingsstrategie niet gewenst werd door [appellant] was bovendien af te leiden uit het feitelijke beleggingsgedrag van [appellant] in de periode na de storting van de 3,7 miljoen gulden, welk beleggingsgedrag niet afweek van de beleggingsstrategie in de periode van 1994 tot november 1999. 4.6.10. Naar het oordeel van het hof kan onder deze omstandigheden niet gezegd worden dat Van Lanschot onzorgvuldig gehandeld heeft door niet eigener beweging het beleggingsprofiel van [appellant] aan te passen en af te stemmen op minder riskante beleggingen. Dit betekent dat de grief in voorwaardelijk incidenteel appel terecht is voorgedragen. Tevens volgt hieruit dat grief I in principaal appel niet tot het door [appellant] gewenste doel kan leiden. 4.7. De grieven VI tot en met XIV in principaal appel gaan uit van de veronderstelling dat Van Lanschot onzorgvuldig gehandeld heeft in de in r.o. 4.6.2 bedoelde zin. Nu het hof van oordeel is dat van onzorgvuldig handelen in de daar bedoelde zin geen sprake is, kunnen deze grieven geen doel treffen. 4.8. Grief IV in principaal appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 2.6 van het tussenvonnis van 31 december 2003, dat [appellant] niet geslaagd is in het bewijs dat Van Lanschot hem in september 2000 heeft geadviseerd zijn beleggingsportefeuille niet geheel of gedeeltelijk te verkopen. Deze grief faalt. Het hof schaart zich achter hetgeen de rechtbank in r.o. 2.6 van het betreffende vonnis heeft overwogen. 4.9.1. Grief III in principaal appel is gericht tegen r.o. 2.5 van het tussenvonnis van 31 december 2003, waarin de rechtbank [appellant] niet geslaagd heeft geacht in het bewijs dat Van Lanschot in augustus 2000 heeft toegezegd omtrent de samenstelling van de effectenportefeuille van [appellant] voor een second opinion van het hoofdkantoor te 's-Hertogenbosch te zorgen. 4.9.2. Het hof verwerpt deze grief. Het hof schaart zich achter het oordeel dat de rechtbank in r.o. 2.5 van het bewuste vonnis over de bewijswaardering heeft gegeven. De verwijzing door [appellant] in de toelichting op zijn grief naar de verklaring van [medewerker 2] brengt het hof niet tot een ander oordeel. Uit die verklaring is weliswaar af te leiden dat [medewerker] [appellant] in januari 2001 heeft laten praten met een beleggingsadviseur van het hoofdkantoor van Van Lanschot in 's-Hertogenbosch, maar uit de verklaring is niet af te leiden dat [medewerker] in augustus 2000 heeft toegezegd om voor een second opinion in de door [appellant] bedoelde zin te zorgen. Uit het feit dat het [medewerker] op enig moment verstandig leek het zojuist genoemde gesprek te initiëren, is een dergelijke toezegging niet af te leiden. Voor het overige verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank in r.o. 2.5 van het vonnis van 31 december 2003 heeft overwogen. 4.10. Grief XV is gericht tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg. Deze grief heeft naast de andere grieven geen zelfstandige betekenis. Nu het hof evenals de rechtbank tot de slotsom komt dat de vordering van [appellant] moet worden afgewezen, is het hof van oordeel dat [appellant] terecht in de kosten van het geding in eerste aanleg is veroordeeld. Grief XV faalt daarom. 4.11. [appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden. Het hof passeert dat bewijsaanbod omdat het onvoldoende specifiek is, mede gelet op het feit dat in eerste aanleg al getuigenverhoren hebben plaatsgevonden. 4.12. Nu alle grieven in principaal appel falen, zal het hof de beroepen vonnissen bekrachtigen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel. 4.13. In incidenteel appel zal het hof een kostenveroordeling achterwege laten. De stelling van Van Lanschot dat zij niet onzorgvuldig heeft gehandeld zou bij slagen van de grieven in principaal appel op grond van de devolutieve werking van het appel ook zonder incidenteel appel aan de orde zijn gekomen, zodat het incidenteel appel niet noodzakelijk was. 5. De beslissing Het hof: bekrachtigt de door de rechtbank 's-Hertogenbosch tussen partijen gewezen vonnissen van 18 december 2002, 31 december 2003 en 6 april 2005, waarvan beroep; veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel, welke kosten aan de zijde van Van Lanschot tot op heden begroot worden op E. 291,-- aan vast recht en op E. 2.682,-- aan salaris procureur. Dit arrest is gewezen door de mrs. Van Schaik-Veltman, Venhuizen en Keizer en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 27 juni 2006.