
Jurisprudentie
AZ0987
Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-11-14
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers237-R-06 en 985-R-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-11-14
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers237-R-06 en 985-R-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ontvankelijkheid. Onderscheiden periodes van betaling kinderalimentatie. Draagkrachtbeoordeling. Verdeling van de kosten over beide ouders. Boedelverdeling en verrekenposten.
Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 25 oktober 2006
Rekestnummers : 237-R-06 en 985-R-06
Rekestnr. rechtbank : F2 RK 05-1732
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. E.M. van Hilten-Kostense,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. H.J.A. Knijff.
Als belanghebbende is opgeroepen:
de raad voor de kinderbescherming,
vestiging Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De man is op 23 februari 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 21 november 2005.
De vrouw heeft op 5 april 2006 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de man zijn bij het hof op 5 april 2006 en 19 juli 2006 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 17 juli 2006 aanvullende stukken ingekomen.
De raad heeft het hof bij brief van 21 juni 2006 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.
Op 26 juli 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. W.F. van Arkel, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.W. Prinsen. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.
VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te Rotterdam.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan:
De echtscheidingsbeschikking is op 24 april 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil zijn de omgang, de kinderalimentatie voor de nog minderjarige kinderen: [kind 1], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 1], en [kind 2], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 2], hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen, en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen.
2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de kinderalimentatie en, opnieuw beschikkende en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de kinderalimentatie:
- over de periode vanaf 1 december 2005 tot 12 april 2006 bepaald wordt op nihil;
- over de periode vanaf 12 april 2006 tot 12 juli 2006 bepaald wordt op € 74,- per maand per kind;
- over de periode vanaf 12 juli 2006 tot aan de verkoop van de echtelijke woning of tot 31 december 2006, welke van de twee gelegenheden zich het eerst voordoet, bepaald wordt op nihil;
- vanaf de verkoop van de woning of vanaf 31 december 2006 bepaald wordt op € 56,- per kind per maand.
Tevens verzoekt de man – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen:
- de wijze van verdeling van het huwelijksvermogen van partijen vast te stellen overeenkomstig zijn voorstel, zoals verwoord in de alinea’s (het hof begrijpt:) 21 tot en met 40 van zijn appelschrift;
- een omgangsregeling tussen de man en [kind 1] en [kind 2] vast te stellen inhoudende één weekend per veertien dagen, alsmede drie weken tijdens de zomervakantie en één week tijdens de kerstvakantie.
3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof de man in zijn beroep tegen de bestreden beschikking, en voor zover van belang tegen de beschikking voorlopige voorzieningen van 20 juni 2005, niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn beroep te verwerpen en/of ongegrond te verklaren.
Ontvankelijkheid
4. Uit de stukken is gebleken dat het inleidend verzoek wel, doch de beschikking van 21 november 2005 niet aan de man is betekend. Derhalve rijst de vraag of, gelet op artikel 820 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), de appeltermijn is gaan lopen. Hoewel die vraag formeel wellicht ontkennend moet worden beantwoord, acht het hof de man ontvankelijk in zijn hoger beroep. Immers, door het instellen van dat beroep heeft de man ondubbelzinnig aangegeven thans zowel van het bestaan, als van de inhoud van de desbetreffende beschikking op de hoogte te zijn. Onder die omstandigheden is het doel van artikel 820 lid 1 Rv, te weten zeker te stellen dat de appeltermijn niet gaat lopen voordat de niet verschenen echtgenoot kennis draagt van de uitspraak, bereikt.
5. Het hof overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van de man in zijn nevenverzoeken in hoger beroep als volgt. Het verzoek van de man ter zake van de omgang en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn nevenverzoeken als bedoeld in artikel 827 Rv. Dergelijke verzoeken kunnen ook eerst in hoger beroep gedaan worden, zodat de man ontvankelijk is in zijn nevenverzoeken in hoger beroep.
Kinderalimentatie
Ingangsdatum
6. De man stelt ten eerste dat hij er vanuit was gegaan dat de beschikking voorlopige voorzieningen zijn kracht had verloren omdat hij niet op de hoogte was van de indiening van het echtscheidingsverzoek van de vrouw. Alhoewel de man heeft overwogen om wijziging van voorlopige voorzieningen te verzoeken, heeft de man uit proceseconomische overwegingen ervoor gekozen om te verzoeken de definitieve alimentatie in te laten gaan per 1 december 2005 aangezien op die datum wijzigingen in zijn omstandigheden zijn opgetreden.
7. De vrouw is van mening dat de beschikking voorlopige voorzieningen van 20 juni 2005 rechtskracht heeft behouden aangezien de man geen verzoekschrift tot verkrijging van wijziging voorlopige voorzieningen heeft ingediend.
8. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt omtrent de stelling van de man dat hij er vanuit was gegaan dat de voorlopige voorzieningen zijn kracht hadden verloren. De man had moeten verifiëren of de vrouw al dan niet was overgegaan tot indiening van een verzoekschrift tot echtscheiding. Nu hij dat heeft nagelaten, althans onvoldoende heeft aangetoond dat hij heeft onderzocht of de vrouw een verzoekschrift had ingediend, had hij er niet vanuit mogen gaan dat de vrouw een dergelijk verzoek niet heeft gedaan, zodat de stelling van de man faalt.
9. Omtrent de ingangsdatum van de kinderalimentatie overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft de kinderalimentatie in doen gaan op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, zijnde 24 april 2006. De man heeft in hoger beroep verzocht de kinderalimentatie met ingang van 1 december 2005 te wijzigen. Op dat moment golden tussen partijen de voorlopige voorzieningen die uitgesproken zijn door de rechtbank te Rotterdam op 20 juni 2005, waarbij kinderalimentatie is bepaald. Tussen partijen staat vast dat de kinderen op 1 december 2005 bij de vrouw verbleven. Hoewel de man geen wijziging voorlopige voorzieningen heeft verzocht, is het hof, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat geen rechtsregel er aan in de weg staat dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie wordt bepaald op een dag gelegen vóór 24 april 2006. De omstandigheid dat voor 24 april 2006 voorlopige voorzieningen van kracht waren, doet hieraan niet af. Het hof zal derhalve met ingang van 1 december 2005 beoordelen of sindsdien sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden.
Wijziging van omstandigheden periode 1 december 2005 tot 13 januari 2006
10. Nu de man onweersproken heeft gesteld dat hij in december 2005 in dienst is getreden bij [uitzendbureau], is het hof van oordeel dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Het hof zal derhalve de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man beoordelen.
11. De man stelt dat hij sinds 1 november 2005 een WW-uitkering heeft ontvangen van het UWV. Per 5 december 2005 is hij via [uitzendbureau] gaan werken bij [werkgever]. Deze werkzaamheden zijn op 13 januari 2006 gestopt wegens ziekte van de man.
12. Volgens de vrouw heeft de man vanaf 31 oktober tot 26 december 2005 een WW-uitkering ontvangen van het UWV. Gedurende de periode vanaf 26 december 2005 tot 13 januari 2006 is de man, aldus de vrouw, op contractbasis door [uitzendbureau] tewerkgesteld bij [werkgever]. Daarna stond de man nog wel ingeschreven bij [uitzendbureau], doch het is [uitzendbureau] vanaf 13 januari 2006 niet meer gelukt om een andere baan voor de man te vinden.
13. Het hof overweegt als volgt. In geschil is de draagkracht van de man met ingang van 1 december 2005. Gelet op de stellingen van partijen ten aanzien van de duur van de WW-uikering en de datum van indiensttreding bij [uitzendbureau], zal het hof moeten beoordelen met ingang van welke datum de WW-uitkering van de man is komen te vervallen en wanneer de man in dienst is getreden van [uitzendbureau].
Uit de jaaropgave 2005 van het UWV blijkt dat de WW-uitkering is ingegaan op 31 oktober 2005 en dat de man sindsdien een WW-uitkering heeft genoten van € 2.734,- per maand. De man heeft voorts een brief van het UWV overgelegd van 22 november 2005. Hieruit blijkt dat de hoogte van de WW-uitkering van de man € 117,39 bruto per dag bedraagt. Gelet op de hoogte van het bedrag dat vermeld staat op de jaaropgave 2005, en met inachtneming van de daguitkering van € 117,39 bruto, acht het hof het aannemelijk dat de WW-uitkering van de man rond 1 december 2005 is komen te vervallen.
De jaaropgave 2005 van [uitzendbureau] vermeldt een inkomen van de man in 2005 van € 2.531,-. Op deze jaaropgave staat weliswaar vermeld dat de man met ingang van 26 december 2005 in dienst is getreden van [uitzendbureau], doch gelet op de hoogte van het genoemde inkomen, in combinatie met het inkomen dat vermeld staat op de door de man overgelegde loonstrook van periode 1 en 2 van 2006 en gelet op het feit dat op genoemde loonstrook vermeld staat dat de man met ingang van 1 december 2005 in dienst is getreden van [uitzendbureau], acht het hof het aannemelijk dat de man op 1 december 2005 is begonnen bij [uitzendbureau]. Het hof zal derhalve met ingang van 1 december 2005 rekening houden met een inkomen van de man van € 2.531,- per maand.
Wijziging van omstandigheden vanaf 13 januari 2006
14. De man heeft per 13 januari 2006 wederom een wijziging in de omstandigheden gesteld aangezien hij per die datum is gestopt met zijn werkzaamheden in verband met ziekte. De man stelt dat er sprake is van een ernstige verslavingsproblematiek die niet als een vrijwillige keuze kan worden gezien. Er is hem, aldus de man, geen verwijt te maken.
15. De vrouw is van mening dat het aan de man te wijten is dat hij sinds 13 januari 2006 geen werk meer heeft, zodat de consequenties hiervan voor zijn rekening behoren te komen.
16. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting overweegt het hof als volgt. Tussen partijen staat vast dat er sprake is van een ernstige alcoholverslaving aan de zijde van de man. Als gevolg van deze verslaving heeft de man sinds 13 januari 2006 niet meer deel genomen aan het arbeidsproces. Het hof zal rekening houden met deze wijziging van omstandigheden aangezien het hof van oordeel is dat de man geen juridisch relevant verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij aan alcohol is verslaafd en daardoor zijn baan is kwijt geraakt. De man heeft onder meer een betalingsspecificatie van het UWV overgelegd waarin vermeld staat dat hij gedurende de periode van 13 februari 2006 tot 11 juni 2006 een
ZW-uitkering heeft ontvangen van in totaal € 9.996,-. Het aantal uitkeringsdagen bedroeg 85 en het dagloon bedraagt € 117,60. De man heeft geen inzicht gegeven in zijn inkomen gedurende de periode vanaf 13 januari 2006 tot 13 februari 2006. Het had op de weg van de man gelegen om hieromtrent inlichtingen te verstrekken. Nu de man dat heeft nagelaten, gaat het hof er vanuit dat de man in ieder geval een inkomen heeft genoten gelijk aan de ZW-uitkering. Derhalve zal het hof met ingang van 13 januari 2006 rekening houden met een inkomen van de man van € 2.499,- per maand. Sinds 19 april 2006 is de man in behandeling bij De Hoop. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat de man werkzaamheden uitoefent op de werkplaats van De Hoop waarvoor hij wellicht een vergoeding ontvangt, doch het hof acht deze stelling, gelet op de betwisting door de man en het feit dat niet is gebleken van enige vergoeding voor werkzaamheden, onvoldoende onderbouwd.
Draagkracht
Woning
17. Tussen partijen staat vast dat de echtelijke woning nog steeds te koop staat en dat de vrouw de lasten die verbonden zijn aan deze woning, nimmer heeft voldaan. De vrouw heeft betwist dat de man deze lasten nog immer naar behoren voldoet. Nu niet is gebleken dat er een achterstand is in de betaling van de woonlasten, gaat het hof er vanuit dat de man deze lasten nog steeds naar behoren voldoet. Het hof zal derhalve tot aan de verkoop van de echtelijke woning rekening houden met de woonlasten betrekking hebbende op de echtelijke woning, met dien verstande dat gedurende de periode vanaf 12 april 2006 tot 12 juli 2006 tevens rekening gehouden wordt met een inkomen uit huur van € 700,- per maand omdat de woning gedurende die periode is verhuurd geweest. Nu de vrouw de hoogte van de woonlasten als zodanig niet betwist, zal het hof rekening houden met de volgende uitgangspunten. De hypotheekrente bedraagt blijkens het door de man overgelegde overzicht van Fortis van januari 2005, € 5.584,92 per jaar. Het eigenwoningforfait bedraagt € 1.144,- per jaar en de premie van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering bedraagt volgens het overzicht van Stad Rotterdam verzekeringen € 2.823,57 per jaar. De overige eigenaarslasten worden gesteld op € 95,- per maand.
18. De man heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat rekening gehouden moet worden met zijn huurlasten omdat hij vanwege de reisafstand in verband met zijn werkzaamheden in [plaats] genoodzaakt is geweest een huurwoning te betrekken in [plaats]. De vrouw is van mening dat de lasten van de woning die de man heeft gehuurd, niet ten laste van de kinderalimentatie mogen strekken. Het had, aldus de vrouw, op de weg van de man gelegen om eerst nader te bezien of en in hoeverre hij zijn functie bij [werkgever] naar behoren zou kunnen uitoefenen, mede vanwege zijn reeds alstoen bestaande alcoholprobleem.
19. Het hof overweegt als volgt. De man heeft onbetwist gesteld dat hij in de buurt van [woonplaats] geen werk kon vinden en dat hij genoodzaakt was om elders een werkkring te zoeken. Gelet hierop en gelet op het feit dat het hof van oordeel is dat niet van de man gevergd kon worden dat hij op en neer zou rijden vanuit [woonplaats] naar [werkgever] te [plaats], zal het hof rekening houden met de lasten die verbonden zijn aan de huurwoning van de man. Dat de man op dat moment al een alcoholprobleem had, maakt dit oordeel niet anders. Gedurende de maand december 2005 heeft de man in een recreatiepark gewoond. De verblijfskosten bedroegen, inclusief toeristenbelasting, € 516,50 per maand. De man heeft gesteld dat, omdat hij ook de nutsvoorzieningen van de echtelijke woning betaalt, het redelijk is om ten aanzien van de huurwoning rekening te houden met de nutsvoorzieningen. Het hof ziet geen aanleiding rekening te houden met enige nutsvoorziening, aangezien er nauwelijks sprake zal zijn van dubbele lasten ter zake van gas, water en licht nu de echtelijke woning niet bewoond is en er derhalve geen gebruik wordt gemaakt van de nutsvoorzieningen. Met ingang van 1 januari 2006 heeft de man een huurwoning betrokken aan de [adres]t te [plaats]. Bij de overgelegde huurovereenkomst is een kwitantie gevoegd waarop vermeld staat dat de man op 5 december 2005 een waarborg heeft betaald. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de huurovereenkomst op dat moment reeds gesloten was. Destijds was er geen reden om aan te nemen dat de man de werkzaamheden bij [werkgever] niet aan zou kunnen en derhalve snel uit zou vallen, zodat het hof het redelijk acht om met ingang van 1 januari 2006 rekening te houden met een huur van € 290,- per maand. Om hierboven genoemde redenen zal het hof wederom geen rekening houden met lasten ten behoeve van nutsvoorzieningen. De huurovereenkomst loopt van 1 januari 2006 tot 31 december 2006. De man heeft in april 2006 de huurovereenkomst opgezegd. Uit de bevestigingsbrief van de verhuurder blijkt dat de overeenkomst niet tussentijds opzegbaar is, tenzij een huurovereenkomst met een nieuwe huurder wordt afgesloten. Het hof is van oordeel dat van de man gevergd mag worden dat hij zich inspant om een binnen enkele maanden een nieuwe huurder aan te dragen. Hiervan is niet gebleken. Gelet hierop acht het hof het redelijk om met ingang van 12 juli 2006 geen rekening meer te houden met deze huurlasten.
20. De man heeft gesteld dat ook na de verkoop van de echtelijke woning rekening gehouden moet worden met woonlasten. Het hof is van oordeel dat, nu nog onduidelijk is wanneer de man uit De Hoop komt en of hij dan zelfstandig gaat worden, redelijkerwijs geen rekening gehouden mag worden met woonlasten na de verkoop van de echtelijke woning.
Omgangskosten
21. Aangezien er op dit moment niet tot nauwelijks omgang is van de man met de kinderen, zal het hof geen rekening houden met enige omgangskosten.
Koersplan
22. Omtrent de kosten in verband met het Koersplan voor de kinderen overweegt het hof dat de man niet, dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat hij maandelijks een bijdrage van € 34,- voldoet ter zake van deze polis. Het door de man overgelegde fiscale overzicht 2005 van Spaarbeleg acht het hof in dit kader onvoldoende.
Lijfrente
23. Ter aanvulling op zijn pensioen heeft de man ten tijde van zijn huwelijk een lijfrentepolis afgesloten bij Generali verzekeringen. De man heeft onbetwist gesteld dat hij een onvolledig pensioen heeft indien hij geen voorziening treft. Gelet hierop en gelet op het feit dat partijen ten tijde van het huwelijk kennelijk hebben gemeend dat een dergelijke voorziening nodig was, acht het hof het redelijk om met de door de man opgevoerde premie van € 109,- per maand rekening te houden.
Ziektekosten
24. Ter zake van de ziektekosten van de man in december 2005 heeft de man geen stukken overgelegd. Uit de jaaropgave van 2005 van [uitzendbureau] blijkt dat de bijdrage in de premie ZFW € 103,- per maand bedroeg, zodat het hof daarmee rekening zal houden. Met ingang van 1 januari 2006 geldt het volgende. Uit de door de man overgelegde zorgpolis blijkt dat zijn premie sinds 1 januari 2006 € 101,25 per maand bedraagt. Tot 13 januari 2006 was de man in dienst bij [uitzendbureau]. Uit de door de man overgelegde loonstrook van periode 1 en 2, 2006 blijkt niet van een door de werkgever ingehouden bijdrage, zodat het hof enkel zal rekening houden met een premie van € 101,25 per maand. Vanaf 13 januari 2006 zal het hof ‘onder de streep’ rekening houden met de door de man opgevoerde premie van € 252,- per maand nu uit de overgelegde betalingsspecificaties genoegzaam blijkt dat naast de premie van € 101,25 per maand, sprake is van een inkomensafhankelijke bijdrage van het UWV van € 37,34 per 5 dagen.
25 Op basis van het vorenstaande bedraagt de draagkracht van de man gedurende de periode vanaf:
- 1 december 2005 tot 1 januari 2006: nihil;
- 1 januari 2006 tot 13 januari 2006: € 70,- per maand;
- 13 januari 2006 tot 12 april 2006: nihil;
- 12 april 2006 tot 12 juli 2006: € 374,- per maand;
- 12 juli 2006 tot aan de verkoop van de echtelijke woning: € 128,- per maand;
- het tijdstip van de verkoop van de echtelijke woning: € 398,- per maand.
Aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen
26. Volgens de man bedroeg het netto gezinsinkomen ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen € 3.500,- per maand. Op basis van de tabel ‘Eigen aandeel kosten van kinderen’ bedragen de kosten volgens de man tot 6 augustus 2006, € 665,- per maand voor de kinderen tezamen en na deze datum € 595,- per maand voor de kinderen tezamen. Deze kosten dienen naar rato van draagkracht over de beide ouders te worden verdeeld. Op basis van de door de vrouw overgelegde, summiere, stukken, concludeert de man dat de vrouw een draagkracht heeft van minimaal € 300,- per maand. De vrouw betwist dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen € 3.500,- per maand bedroeg. In het verlengde daarvan betwist de vrouw het door de man gestelde aandeel kosten van kinderen.
27. Het hof overweegt als volgt. De vrouw betwist voor het eerst in hoger beroep de hoogte van het door de man gestelde netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk. De rechtbank is in de voorlopige voorzieningen procedure van het door de man gestelde netto gezinsinkomen uitgegaan. De vrouw heeft het door de man gestelde inkomen destijds niet betwist. Gelet hierop en gelet op het feit dat de vrouw verzuimt aan te geven van welk netto gezinsinkomen wel uitgegaan moet worden, ziet het hof aanleiding om rekening te houden met een netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het huwelijk van € 3.500,- per maand. Uitgaande van dit netto inkomen, zal het hof het eigen aandeel in de kosten van de kinderen tezamen stellen op € 830,- per maand, in aanmerking nemende dat uit de overgelegde stukken niet is gebleken dat bijzondere kosten gemaakt worden ten behoeve van de kinderen.
28. Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw geldt het volgende. De vrouw heeft een jaaropgave 2005 overgelegd waaruit blijkt dat haar jaarloon in 2005 € 18.341,- bedroeg, en een loonstrook van april 2006 waaruit blijkt dat haar salaris € 1.197,15 per maand bedroeg. Zij heeft geen inzicht gegeven in haar lasten, zodat het hof de draagkracht van de vrouw niet kan beoordelen. Voorts heeft zij niet berekend hoe groot haar aandeel in de kosten van de kinderen is. Het hof is van oordeel dat deze omstandigheden voor rekening en risico van de vrouw behoren te komen. De man heeft gesteld dat de draagkracht van de vrouw minimaal op € 300,- per maand gesteld dient te worden. De man concretiseert dit bedrag niet nader, zodat het hof rekening zal houden met een draagkracht van de vrouw van € 300,- per maand.
29. Zoals hiervoor reeds is overwogen, bedraagt het eigen aandeel in de kosten van de kinderen in totaal € 830,- per maand. De draagkracht van de ouders tezamen is onvoldoende om in de totale kosten van de kinderen te kunnen voorzien. Gelet hierop acht het hof het redelijk dat de man in ieder geval bijdraagt met het bedrag dat hij overeenkomstig zijn draagkracht zal kunnen voldoen.
30. Op basis van het vorenstaande zal het hof de bijdrage voor de kinderen ten laste van de man gedurende de periode vanaf:
- 1 december 2005 tot 1 januari 2006 bepalen op nihil;
- 1 januari 2006 tot 13 januari 2006 bepalen op € 35,- per maand per kind;
- 13 januari 2006 tot 12 april 2006 bepalen op nihil;
- 12 april 2006 tot 12 juli 2006 bepalen op € 187,- per maand per kind;
- 12 juli 2006 tot aan de verkoop van de echtelijke woning bepalen op € 64,- per maand per kind;
- het tijdstip van de verkoop van de echtelijke woning bepalen op € 199,- per maand per kind.
31. Gelet op het consumptieve karakter van de kinderalimentatie acht het hof het redelijk en billijk om te bepalen dat de vrouw de reeds – eventueel teveel – ontvangen kinderalimentatie niet aan de man zal hoeven terug te betalen.
Omgang
32. De man stelt dat de vrouw zich niet heeft gehouden aan de door de rechtbank in de voorzieningenprocedure vastgestelde omgangsregeling. Hij wenst heel graag zijn kinderen op korte termijn te zien. De man merkt hierbij op dat de raad pas zeer recent is aangevangen met een onderzoek ter zake van de omgangsregeling. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat een advies van de raad wenselijk zou zijn, verzoekt de man het hof de opdracht aan de raad zodanig te formuleren dat het reeds gestarte onderzoek wordt voortgezet. Overigens voert te man aan dat bij stichting De Hoop, waar hij intern verblijft, begeleide omgang mogelijk is.
33. Volgens de vrouw weigert de man zijn medewerking te verlenen aan een begeleide omgang met de kinderen. De vrouw stelt dat zij initiatief blijft ondernemen om er voor te zorgen dat de kinderen de man zien. Het contact dat de vrouw enige tijd geleden met stichting De Hoop heeft gehad, heeft volgens de vrouw niet tot resultaat geleid vanwege de weigering van de man om een derde bij de contacten aanwezig te laten zijn.
34. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting overweegt het hof als volgt. Gebleken is dat partijen niet onwelwillend staan tegenover omgang van de man met de kinderen. Partijen verschillen echter over de frequentie van de omgang en wie bij de omgang aanwezig zal zijn. De man heeft voorgesteld omgang bij De Hoop plaats te laten vinden doch de vrouw wenst dat er een professionele begeleider dan wel vertrouwenspersoon aanwezig is bij de omgang tussen de man en de kinderen. Partijen hebben ter zitting beiden aangegeven een raadsonderzoek te willen. Reeds bij (opvolgende) beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank te Rotterdam van 4 januari 2006 heeft de rechtbank opdracht gegeven voor een raadsonderzoek ter zake van de omgangsregeling. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de raad recent is gestart met dit onderzoek. De voorlopige voorzieningen hebben hun kracht verloren op 24 april 2006, zijnde de dag waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat er voor het raadsonderzoek geen juridische basis meer is. Het hof zal bepalen dat het onderzoek bij de raad ter zake van de wenselijkheid van een omgangsregeling tussen de man en de kinderen en de eventuele invulling daarvan, wordt gecontinueerd en de beslissing voor wat betreft de omgang pro forma aanhouden tot zaterdag 24 februari 2007.
Boedelverdeling
35. Ter zitting in hoger beroep heeft de man een vermogensstaat overgelegd. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat de lijst compleet is, als ook de ING-spaarloonrekening, die op haar naam staat, wordt toegevoegd. Voorts heeft zij te kennen gegeven dat de bedragen die de man noemt, geverifieerd moeten worden. Partijen zijn het er over eens dat de peildatum voor de omvang van de boedel (en derhalve ook van de (bank)rekeningen) 1 april 2005 is.
36. De vermogensstaat van partijen is als volgt.
Vermogensbestanddeel: Man Vrouw
Inboedel: Verdeeld Verdeeld
Echtelijke woning, vraagprijs (thans) € 218.000,-: ½ ½
Hypothecaire geldlening: ½ ½
Levensverz. Stad Rotterdam verzekeringen, [x]
afkoopwaarde ½ ½
Mitsubishi Carisma, [kenteken nummer], t.n.v. de vrouw
waarde ingevolge ANWB-koerslijst per 1 april 2005 - +
Opel Corsa, [kenteken nummer] t.n.v. de man
waarde ingevolge taxatie door garagebedrijf J+F + -
Rabobank rekening [x] t.n.v. partijen,
waarde per 1 april 2005 + -
Postbank rekening [x], waarde per 1 april 2005 + -
Spaarbeleg renterekening [x], t.n.v. partijen,
waarde per 1 april 2005 - +
Spaarbeleg comfortrekening [x], t.n.v. partijen,
waarde per 1 april 2005 - +
Spaarloon vrouw bij de ING bank, [x]
waarde per 1 april 2005 - +
Spaarloon man bij Spaarbeleg, [x]
waarde per 1 april 2005 + -
Lijfrente vrouw bij Stad Rotterdam verzekeringen,
[x] waarde per 1 april 2005 - +
Lijfrente man bij Generali Toekomstplan, [x]
waarde per 1 april 2005 + -
ABN-AMRO Teledirectrekening [x]: Nu de man stelt dat deze rekening niet meer bestaat en de vrouw stelt, dat deze buiten beschouwing gelaten moet worden, zal het hof deze rekening niet in de verdeling betrekken.
Doorlopend krediet bij Centraal Beheer, [x]: verrekenen van verrichte aflossingen door man/vrouw.
Toelichting: Waar een ‘+’ aangegeven staat, wordt bedoeld dat het vermogensbestanddeel aan die persoon wordt toebedeeld. De waarde zal door partijen vastgesteld moeten worden aan de hand van de peildatum.
Verrekenposten
Door de man voldaan en met de vrouw te verrekenen kosten:
- Premie levensverzekering 2006, welke verbonden is aan de echtelijke woning;
- Opstalverzekeringskosten echtelijke woning, t.b.v. polisnummer [x] van Generali verzekeringsgroep: totaal: € 86,63;
- Factuur 7853 van 14 november 2005 ter zake van (reparatie)werkzaamheden door Z.B.N. Zonweringsbedrijf Noordenweg vof aan de echtelijke woning: totaal: € 197,40;
- Jaarrekening van Hydron van 28 april 2005 ter zake van de levering van water en diensten t.b.v. de echtelijke woning: totaal: € 319,83,-;
- Jaarrekening van Hydron van 18 april 2003 ter zake van de levering van water en diensten t.b.v. de echtelijke woning: totaal: € 353,18;
- Aanslag waterschapsbelastingen waterschap Hollandse Delta van 28 februari 2005: totaal: € 227,88;
- Restant nota van Budgetplan keukens van 7 maart 2005: totaal: € 554,-;
- Rekening van Kruit Assurantien van 17 augustus 2005: totaal: € 44,98;
- Taxatiekosten: totaal: € 250,-.
37. Partijen zijn overeengekomen dat de rekeningen van de kinderen buiten de verdeling worden gehouden, hetgeen inhoudt dat Spaarbeleg koersplan 1970019177, AXA [x], AXA [x] buiten de verdeling gehouden worden. Hierbij overweegt het hof dat de man waarborgen tegenover de vrouw moet verstrekken opdat voor de vrouw kenbaar is dat de man de gelden die hij voor de kinderen spaart, niet voor zichzelf gebruikt.
38. Het hof overweegt ten overvloede dat hetgeen nog niet in de verdeling is betrokken, alsnog in de verdeling dient te worden betrokken.
39. Mitsdien beslist het hof als volgt.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verzoekt de raad het onderzoek naar de wenselijkheid van een omgangsregeling tussen de man en de kinderen en de eventuele invulling daarvan, te continueren, zoals hiervoor in rechtsoverweging 34 is uiteengezet en daaromtrent rapport en advies uit te brengen;
houdt de behandeling aan tot 24 februari 2007 pro forma;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgang aan.
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de kinderalimentatie betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende: bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van:
- 1 december 2005 tot 1 januari 2006 op nihil;
- 1 januari 2006 tot 13 januari 2006 op € 35,- per maand per kind;
- 13 januari 2006 tot 12 april 2006 op nihil;
- 12 april 2006 tot 12 juli 2006 op € 187,- per maand per kind;
- 12 juli 2006 tot aan de verkoop van de echtelijke woning op € 64,- per maand per kind;
- na de verkoop van de echtelijke woning op € 199,- per maand per kind,
wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw de bijdragen in de kosten van de kinderen, die zij van de man ontving, niet zal behoeven terug te betalen;
bepaalt dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld overeenkomstig hetgeen het hof heeft overwogen onder rechtsoverweging 35, 36 en 37;
bepaalt dat hetgeen nog niet in de verdeling is betrokken, alsnog in de verdeling dient te worden betrokken;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Dusamos en Husson, bijgestaan door mr. Sijbesma als griffier, en uitgesproken ter openbare terecht-zitting van 25 oktober 2006.