Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0965

Datum uitspraak2006-10-17
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/5349 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting.


Uitspraak

04/5349 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2004, 04/132 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 17 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. O.C. Koppen, werkzaam bij De Unie te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft nadere stukken ingediend. Namens appellant heeft mr. M. Köster, opvolgend gemachtigde van mr. Koppen, nadere informatie verstrekt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Köster. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. II. OVERWEGINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant was gedurende 36 uur per week werkzaam als medewerker telefonische klantenservice bij een bank te Amsterdam. Hij is op 15 december 1998 uitgevallen met rugklachten en uitstralende pijn in het linkerbeen. Met ingang van 14 december 1999 is aan appellant door het Uwv een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid is appellant met ingang van 22 september 2000 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is door het Uwv op 18 juni 2002 ongegrond verklaard. Appellant onderging op 5 februari 2002 een rughernia-operatie en is vervolgens op 7 juli 2002 op het spreekuur van de verzekeringsarts M. van Ewijk gezien. Op haar verzoek bracht de neuroloog dr. J. Vos rapport uit over appellant. Volgens Vos bestonden er bij appellant nog beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid ten gevolge van een radiculaire prikkeling van de wortel L5 rechts. Vervolgens heeft Van Ewijk de voor appellant geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende, beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en een Kritische FML, waarin een urenbeperking tot ongeveer 4 uur per dag is opgenomen. Na een arbeidskundig onderzoek door de arbeidsdeskundige E. Neep is appellant met ingang van 14 oktober 2002 op praktische gronden, zulks in verband met werkhervatting voor 16 uur per week, door het Uwv ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%. Vervolgens werd appellant op 27 februari 2003 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts T. Altena. Zij stelde, na onderzoek van appellant en na kennisname van de over hem beschikbare medische informatie, een FML en een Kritische FML op voor rugsparend werk. Altena achtte geen indicatie voor een urenbeperking aanwezig. Bij nieuw arbeidskundig onderzoek werd appellant door Neep blijkens diens rapport van 25 maart 2003 primair geschikt geacht voor zijn eigen maatgevende werk gedurende 36 uur per week en subsidiair - op grond van een theoretische arbeidsongeschiktheidsschatting - als arbeidsongeschikt beschouwd in de mate van 15 tot 25%. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 27 maart 2003 appellants uitkering met ingang van 26 mei 2003 ingetrokken, onder overweging dat zijn verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt. Namens appellant heeft mr. Koppen, voornoemd, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever het onderzoek van Altena onderschreven. Bij besluit van 10 december 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft in de beschikbare medische gegevens onvoldoende aanleiding gevonden om te oordelen dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts onvolledig is geweest of dat deze de medische beperkingen van appellant op onjuiste wijze heeft vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de (bezwaar)verzekeringsarts haar oordeel, naast bevindingen uit eigen onderzoek van appellant, mede heeft gebaseerd op informatie van appellants behandelend neuroloog en therapeuten, alsmede op rapportages van een psychiater en een neuroloog. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de bevindingen en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts van de zijde van appellant niet zijn weerlegd door concrete medische gegevens welke aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts. De rechtbank merkt nog op dat de overgelegde medische gegevens van appellants behandelend artsen geen blijk geven van een noodzaak tot het toepassen van een medische urenbeperking. Met het Uwv acht de rechtbank een urenbeperking dan ook niet in de rede liggen. De rechtbank stelt vast dat er, uitgaande van de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts opgestelde FML, geen grond is voor het oordeel dat de aan de maatgevende arbeid verbonden belasting appellants krachten en bekwaamheden te boven zou gaan. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het primaire standpunt van het Uwv berust op een juiste medische en arbeidskundige grondslag. Gelet hierop behoeft het subsidiaire standpunt van het Uwv volgens de rechtbank geen verdere bespreking. Namens appellant is in hoger beroep naar voren gebracht dat de (bezwaar)verzekeringsarts ten onrechte de beperkingen in appellants belastbaarheid als gevolg van de door zijn behandelend neuroloog W. van Pelt gestelde diagnose niet heeft meegewogen bij het bepalen van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid. Voorts is aangevoerd dat het onzorgvuldig is appellant geschikt te verklaren voor zijn eigen werk zonder dat een nauwkeurige analyse is gemaakt van de belastende aspecten in de functie van appellant. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Aan de Raad is niet kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts Wever in haar rapport van 28 oktober 2003 geaccordeerde FML en Kritische FML van appellant, zoals in de primaire fase van de besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts Altena, geen juiste weergave vormt van de bij hem ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Wever blijkens haar rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellant kennis droeg van de rapportage van de psychiater M.L. Stek van 21 maart 2001, waarin deze spreekt van een pijnstoornis bij appellant, deels bepaald door psychische, deels door somatische factoren, zonder dat er aanwijzingen zijn gevonden voor een psychiatrische stoornis in engere zin. Tevens droeg Wever kennis van de brief van de neurochirurg K.W. Albrecht van 20 februari 2002, waarin deze verslag doet van de hernia-operatie die hij op 5 februari 2002 bij appellant heeft verricht, en van de brieven van de neuroloog Van Pelt, voornoemd, van 14 augustus 2003 en van 13 februari 2004. De Raad betrekt voorts in zijn overwegingen dat de verzekeringsarts de bij appellant optredende (rug)pijn bij het opstellen van de (Kritische) FML heeft meegewogen. Al eerder heeft de Raad overwogen dat in artikel 18 van de WAO - voor zover in dit verband van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Hetgeen in hoger beroep namens appellant is aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek. Van een zodanig aanknopingspunt is naar het oordeel van de Raad ook geen sprake ten aanzien van de door de gemachtigde van appellant overgelegde brief van de revalidatiearts W.G. de Korte van 29 augustus 2006, waarin deze rept van een bij appellant geconstateerde, al langer bestaande, forse facetarthrose op het niveau L5-S1. Van uit deze informatie voortvloeiende consequenties voor appellants arbeidsgeschiktheid op de in geding zijnde datum is de Raad niet gebleken. Wat betreft het arbeidskundige aspect van de onderhavige schatting oordeelt de Raad dat de arbeidsdeskundige Neep blijkens zijn rapportage van 25 maart 2003 appellants werkplek in de voorafgaande periode diverse malen heeft bezocht, mede in het kader van schattingen van collega's van appellant, waarbij hij heeft geconstateerd dat appellant inmiddels over een aangepaste stoel beschikt en door een ergonome is geïnstrueerd ten aanzien van zijn positie voor het beeldscherm en de instelling van zijn bureaublad. Volgens Neep neemt appellants afdeling de Arbonormen in acht, volgens welke er na iedere 50 minuten werken een pauze van 10 minuten moet worden gehouden, hetgeen op het beeldscherm wordt aangegeven. Neep deelt nog mede dat er ook eerdere vertreding mogelijk is, terwijl men ook altijd, zo daar behoefte aan bestaat, een "staanstoel" kan nemen. In dit verband wijst de Raad er op dat de uit de beschrijving van Neep blijkende belasting in appellants werk in overeenstemming is met appellants beperkingen, zoals deze naar voren komen uit de voor hem geldende Kritische FML. Gelet op al het vorenstaande en in aanmerking genomen de omschrijving door Neep in evenbedoeld rapport van de maatgevende arbeid op aangeven van appellant zelf is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij zijn maatgevende functie niet in volle omvang zou kunnen verrichten. De door het Uwv verrichte theoretische arbeidsongeschiktheidsbeoordeling laat de Raad dan ook buiten bespreking. Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2006. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) M. Gunter. Gw