
Jurisprudentie
AZ0964
Datum uitspraak2006-10-24
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4419 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4419 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
WAO-schatting.
Uitspraak
04/4419 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2004, 04/89 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nadere aanvulling hierop gegeven met daarbij een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van
21 april 2005.
Bij brief van 8 juni 2005 heeft de Raad het Uwv verzocht om aan te geven of zijn uitspraken van 9 november 2004,
(LJN AR4716, AR4717, AR4719, AR4719, AR4721 en AR4722) aanleiding geven om in de onderhavige zaak nog een nadere aanvulling en/of motivering op het bestreden besluit in te sturen. Het Uwv heeft bij brief van 30 juni 2005 op de hiervoor genoemde brief gereageerd.
Desgevraagd heeft het Uwv nog vragen van de Raad beantwoord bij brieven van 11 mei 2006 en 5 juli 2006.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2006. Voor appellant is verschenen zijn gemachtigde
mr. Wintjes en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was laatstelijk werkzaam als assistent medewerker begraafplaats toen hij op 16 februari 1996 uitviel met heup-, rug- en maagklachten en botontkalking. Appellant ontving met ingang van 22 juni 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In verband met de vijfdejaars herbeoordeling heeft de verzekeringsarts V. Ramautar op 25 maart 2003 appellant onderzocht en in zijn rapport van 23 april 2003 aangegeven dat, ondanks dat appellant aangeeft dat de situatie hetzelfde is gebleven, bij de huidige anamnese en onderzoek een flinke verbetering wordt gezien. Tevens is geconcludeerd dat er nog matige rugbeperkingen en maagklachten zijn, maar dat wel sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid. Ramautar heeft de voor appellant vastgestelde mogelijkheden en beperkingen om in het algemeen gedurende een hele werkdag te functioneren vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 april 2003. Aan de hand hiervan heeft de arbeidsdeskundige L. Kouwenhoven functies geselecteerd. In het door Kouwenhoven op 11 juni 2003 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de aan de geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op minder dan 15% moet worden gesteld zodat appellant ingedeeld dient te worden in de arbeidsongeschiktheids-klasse van minder dan 15%. Bij besluit van 25 juni 2003 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 25 augustus 2003 wordt ingetrokken aangezien zijn arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.
In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer op 25 november 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat Lustenhouwer overleg heeft gehad met Ramautar over de afwisseling met betrekking tot de items staan en lopen. Appellant dient in staat te worden geacht de hele dag te zitten als er geen sprake is van een gedwongen houding en er voldoende mogelijkheid is tot vertreden. De bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt heeft op grond van de rapportage van Lustenhouwer geconcludeerd dat drie functies resteren die geschikt zijn voor appellant. Hieruit volgt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 35,09% bedraagt. Bij besluit van 12 december 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant gegrond verklaard en is de beslissing van 25 juni 2003 gehandhaafd onder de herziening van de arbeidsongeschiktheid van appellant naar de arbeidsongeschiktheids-klasse van 35 tot 45%. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij ziet geen reden de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv bij het bestreden besluit terecht de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.
Hetgeen appellant in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak naar voren heeft gebracht, komt in hoofdzaak neer op een herhaling van de reeds bij de rechtbank aangevoerde en in de aangevallen uitspraak besproken grieven dat het Uwv een te hoge inschatting heeft gegeven van zijn belastbaarheid en dat er afwisseling dient te zijn tussen zitten, staan en lopen.
Het Uwv heeft in hoger beroep aangegeven dat de functie van montagemedewerker met sbc-code 111180 wegens onvoldoende arbeidsplaatsen niet gebruikt kan worden voor de schatting. Hiervoor in de plaats heeft het Uwv uit dezelfde sbc-code de functie van monteur/assembleerder aan de schatting ten grondslag gelegd. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft daardoor onveranderd 35 tot 45%.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Evenals de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden komt ook de Raad tot het oordeel dat niet is kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer in zijn rapportage van 25 november 2003 geaccordeerde FML van appellant, zoals in de primaire fase van de besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts Ramautar, geen juiste weergave vormt van de bij appellant ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. Wel is er in de FML een aanvullende toelichting gegeven bij de beperking ten aanzien van zitten en afwisselen in houding. Naar het oordeel van de Raad heeft Lustenhouwer met deze toelichting de opmerking van Ramautar verduidelijkt.
Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat appellant terecht ter zitting heeft aangevoerd dat één van de drie resterende functies, namelijk de monteur/assembleerder (sbc-code 111180), een functie is die een toeslag heeft voor afwijkende arbeidstijden wegens ploegendienst. Aangezien appellant niet heeft gewerkt in een functie met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden kan deze functie niet geduid worden. Ter zitting heeft het Uwv dit bevestigd. Dit betekent dat de functie monteur/assembleerder niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd en dat slechts twee functies resteren, hetgeen onvoldoende is om de schatting te kunnen dragen.
Uit het vorenstaande volgt dat het inleidend beroep om die reden gegrond is en de aangevallen uitspraak wat betreft de beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. Het Uwv zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellant moeten nemen.
Nu de Raad thans onvoldoende inzicht heeft in de vraag of er grond is voor toewijzing van het verzoek van appellant om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb zal de Raad dat verzoek afwijzen. Het Uwv zal bij de voorbereiding van het nieuwe besluit op bezwaar tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in eerste aanleg en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) P.H. Broier.