Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0961

Datum uitspraak2006-10-11
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4340 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Is medische en arbeidskundige beoordeling juist?


Uitspraak

04/4340 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 juli 2004, 2003/1525 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. H.D.G. Thissen-van Zwijndregt, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Thissen-van Zwijndregt. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Mostert. II. OVERWEGINGEN Appellante ontving sedert 15 oktober 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het Uwv heeft die uitkering met ingang van 24 juni 2003 ingetrokken. Aan die beslissing lag verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag op basis waarvan het Uwv appellante in staat achtte met functies die naar haar krachten en bekwaamheden waren berekend een zodanig inkomen te verdienen dat een verlies aan verdienvermogen van minder dan 15% resteerde. Bij besluit van 12 september 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, het bezwaar van appellante tegen de intrekking van de WAO-uitkering ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het beroep van appellante tegen het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden is het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, zoals nader geadstrueerd in het rapport van 1 december 2003, voor onjuist te houden. De rechtbank zag dan ook geen grond voor een onderzoek door een onafhankelijke medisch deskundige. Voorts onderschreef de rechtbank het standpunt van het Uwv dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen op de datum in geding, zijnde 24 juni 2003, de haar voorgehouden functies kon vervullen en dat er geen sprake was van een verlies aan verdienvermogen. Het beroep is ongegrond verklaard. Met betrekking tot hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad dat hij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling en de vastgestelde belastbaarheid van appellante ten tijde in geding, waarbij de Raad opmerkt dat vaststaat dat de datum in geding 24 juni 2003 is. De Raad onderschrijft het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts van 1 december 2003 op de beroepsgronden. De enkele mededeling van appellante dat zij op 20 oktober 2003 mogelijk een hersenoperatie zou moeten ondergaan, welke operatie overigens geen doorgang heeft gevonden, is geen grond om aan te nemen dat appellante op 24 juni 2003 meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. De bevindingen van de door appellante geconsulteerde neurochirurg prof. dr. J.M. Gilsbach, gedateerd 21 oktober 2003, wijken niet af van de bevindingen van de behandelend neuroloog dr. P.J. Koehler van 2 april 2001, die door de bezwaarverzekeringsarts in de heroverweging op het bezwaar zijn betrokken. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die een ander licht werpen op haar gezondheidstoestand ten tijde in geding. De Raad heeft dan ook geen aanleiding gezien een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen en onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft, overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 12 januari 2005 desgevraagd een nadere toelichting heeft gegeven. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daarbij vastgesteld dat van de zes door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies twee functies afvallen op grond van een toetsing op niet-matchende aspecten. De resterende functies zijn in overeenstemming met de vastgestelde belastbaarheid van appellante. Er resteren aldus voldoende functies als grondslag van de schatting, waarbij het verlies aan verdienvermogen gelijk blijft. De Raad stelt vast dat ook de arbeidskundige grondslag zoals nader toegelicht het bestreden besluit kan dragen. Nu het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 is genomen en in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven, moet de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN: AR4716 en volgende, concluderen dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand kunnen worden gelaten. Het vorenstaande leidt ertoe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Awb, dienen te worden vernietigd. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en op € 28,- voor reiskosten in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en op € 71,60 voor reiskosten in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot € 672,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 715,60, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J.J. Janssen.