Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0959

Datum uitspraak2006-10-10
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/5898 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting. CBBS. Vernietiging besluit. Rechtsgevolgen in stand gelaten.


Uitspraak

04/5898 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 september 2004, 04/359 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv), Datum uitspraak: 10 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben nadere stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2006. Appellant is daar niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis, werkzaam bij het Uwv. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 16 oktober 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 16 december 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit besluit berust op het standpunt dat betrokkene op 16 december 2003, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen, met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 15 tot 25%. Appelant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 31 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft erop gewezen dat het subjectieve oordeel van een verzekerde dat hij niet in staat is zijn werk te doen niet voldoende is voor het aannemen van ongeschiktheid. Bepalend is of de mening van de verzekerde uiteindelijk bevestigd wordt door geneeskundige bevindingen omdat er dan pas sprake is van naar objectieve maatstaven gemeten ongeschiktheid. Hetgeen door appellant is aangevoerd, namelijk dat zijn gezondheid de laatste jaren is verslechterd en dat hij naast de bestaande psychische klachten en hoofdpijnklachten thans ook een hoge bloeddruk heeft en rug- en darmklachten, heeft de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat met de beperkingen van appellant onvoldoende rekening is gehouden. In hoger beroep heeft appellant zijn stelling dat zijn beperkingen zijn onderschat herhaald. Voorts heeft hij aangevoerd dat zijn psychische klachten zodanig zijn toegenomen dat hij psychiatrische hulp krijgt. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat appellant is onderzocht door de verzekeringsarts en dat de bezwaarverzekeringsarts betrokken is geweest bij de mondelinge behandeling van het bezwaar. Tevens beschikte de bezwaarverzekeringsarts over de door hem opgevraagde informatie van de huisarts. Daarmede is het oordeel van het Uwv over de beperkingen van appellant op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Indien appellant meent dat zijn klachten na de datum in geding 16 december 2003 zijn toegenomen, kan hij een verzoek om herziening van zijn uitkering indienen. Nadien heeft appellant de samenvatting en conclusie van een rapportage ingezonden die op 27 augustus 1999 is opgesteld door de psychiater M.P.A.M. Kouwenhoven en de psycholoog N. Colijn. Dit rapport is destijds uitgebracht op verzoek van de verzekeringsarts M. Achterberg. In de conclusie wordt aangegeven dat er bij appellant sprake is van een posttraumatische stress stoornis en een paniekstoornis met lichte agorafobie. Voorts zijn er enkele kwetsbaarheden in de persoonlijkheid, zoals moeilijkheden in de regulatie van driften, impulsen en gevoelens. Daaruit is destijds de conclusie getrokken dat appellant niet belastbaar is met werk. De bezwaarverzekeringsarts J.P. Voogd heeft hierop als reactie gegeven dat er ten tijde van het bezwaar een uitgebreide studie van het dossier heeft plaatsgevonden en dat daarbij tevens aandacht is geschonken aan de genoemde psychiatrische rapportage. Uit de bij de huisarts ingewonnen informatie is niet het beeld naar voren gekomen zoals appellant dat heeft geschetst. De door appellant naar voren gebrachte informatie werpt geen nieuw licht op de situatie rond de datum in geding. De Raad oordeelt als volgt. Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad, evenals de rechtbank, dat de belastbaarheid van appellant niet is overschat. Volgens de verzekeringsarts is appellant aangewezen op gestructureerd werk met een zelfstandige taak in een rustig tempo en een rustige werkomgeving. De Raad stemt in met de hieruit voortvloeiende in de functionele mogelijkhedenlijst aangegeven beperkingen. De Raad merkt nog op dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Wat betreft het arbeidskundige aspect van de schatting overweegt de Raad het volgende. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is bepaald met behulp van het zogenaamde claim beoordelings- en borgingssysteem (CBBS). Ten aanzien van dit systeem heeft de Raad in zijn uitspraken van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) overwogen dat hem niet gebleken is van redenen om het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten maar dat er, omdat dit systeem een aantal onvolkomenheden bevat, hoge eisen dienen te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende besluit ten grondslag gelegde uitgangspunten. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk bij de beslissing op bezwaar aan die eisen wordt voldaan. In het geval in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep het besluit alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten als het gaat om een besluit dat voor 1 juli 2005 is genomen. Vanaf die datum moeten de onvolkomenheden in het systeem zijn opgelost. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de hoger beroepsfase, desgevraagd door de Raad, uiteindelijk in een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 maart 2005 de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Naar het oordeel van de Raad is hierdoor komen vast te staan dat de aan appellant voorgehouden functies in overeenstemming zijn met de aangegeven belastbaarheid. Het Uwv heeft enkele weken voor de zitting nog een nieuwe uitdraai uit het aangepaste CBBS ingezonden, maar dat was naar het oordeel van de Raad niet nodig geweest omdat met het hiervoor genoemde rapport van 14 maart 2005 al aan de motiveringseisen was voldaan. Overigens leverde die nieuwe uitdraai geen andere conclusies op ten aanzien van de geschiktheid van de functies. Ten aanzien van de door appellant in aanvulling op zijn beroepschrift ingezonden brief van 10 augustus 2006 overweegt de Raad nog het volgende. Appellant heeft in die brief aangevoerd dat hij geen fijn priegelwerk kan verrichten vanwege zijn grote handen. De Raad stelt vast dat de schatting is gebaseerd op de functies medewerker tuinbouw, meteropnemer en productiemedewerker hout en bouw. Alleen bij de eerstgenoemde functie is een fijne motoriek vereist in die zin dat er tere plantjes moeten worden gehanteerd. Indien die functie zou moeten vervallen omdat dit voor appellant praktische problemen oplevert, kan deze functie door de eerstvolgende als reservefunctie op de arbeidsmogelijkhedenlijst vermelde functie worden vervangen. Dit betreft de machinebediende voedingsmiddelenindustrie. Dit leidt niet tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Ten aanzien van de grief van appellant dat hij geen machines kan bedienen in verband met zijn medicijngebruik overweegt de Raad dat niet gebleken is dat hij die medicijnen al gebruikte op de datum die hier in geding is, te weten 16 december 2003. Gelet op ’s Raads standpunt met betrekking tot het CBBS concludeert de Raad dat het bestreden besluit moet worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten. Omdat appellant heeft geprocedeerd zonder inschakeling van een gemachtigde acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) M. Gunter. Gw