
Jurisprudentie
AZ0954
Datum uitspraak2006-10-24
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/7432 WWB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/7432 WWB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Aanvraag bijstandsuitkering afgewezen. Overschrijding vermogensgrens. Afkoopwaarde koopsompolis bedoeld als oudedagvoorziening. Kan afkopen in redelijkheid gevergd worden?
Uitspraak
05/7432 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 7 december 2005, 04/1105 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2006. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Bethlehem, werkzaam bij de gemeente Emmen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante heeft op 28 juni 2004 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.
Het College heeft deze aanvraag bij besluit van 29 juli 2004 afgewezen. Aan die afwijzing heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante ten tijde van de aanvraag over een vermogen van € 9.148,91 beschikt welk vermogen hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens. Tot het vermogen van appellante heeft het College gerekend de afkoopwaarde van een door appellante in 1999 afgesloten Interpolis Koopsom, zijnde € 7.647,--, alsmede een spaarsaldo van € 1.501,91.
Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
26 oktober 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is - samengevat - aangevoerd dat afkoop van de Interpolis Koopsom niet van appellante te vergen is, omdat deze koopsompolis door appellante is afgesloten met als oogmerk het treffen van een oudedagsvoorziening. Afkopen van de koopsompolis zou voorts leiden tot een aanzienlijk financieel verlies voor appellante terwijl bovendien de nettowaarde van die koopsompolis de vermogensgrens slechts in beperkte mate overschrijdt.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 11, eerste lid, van de WWB bepaalt dat aan iedere Nederlander, die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand wordt verleend door burgemeester en wethouders. Tot die middelen behoren ook de vermogensbestanddelen in de zin van artikel 34 van de WWB, te weten de waarde van de bezittingen waarover de betrokkene bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, alsmede de middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 32 van de WWB. Van het vastgestelde vermogen blijft voor een alleenstaande ingevolge artikel 34, eerste lid, onder a, van de WWB ten tijde hier van belang € 5.065,-- buiten beschouwing.
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is - en ook de Raad gaat daarvan uit - dat de Interpolis Koopsom op de datum in geding ingeval van afkoop een waarde vertegenwoordigde van € 7.647,--., welke waarde het in artikel 34, eerste lid, onder a, van de WWB vermelde bedrag aan vermogen dat buiten beschouwing blijft, overtrof.
De Raad stelt voorts vast dat de waarde van voornoemde koopsompolis ingeval van afkoop tezamen met het spaarsaldo zouden resulteren in een in aanmerking te nemen vermogen ten tijde van de aanvraag van € 9.148,91.
Gelet op het voorgaande is nog slechts in geding het antwoord op de vraag of van appellante redelijkerwijs kan worden gevergd dat zij de door haar afgesloten koopsompolis afkoopt.
Bezien vanuit het oogpunt van de WWB is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat het afkopen van bedoelde koopsompolis van appellante redelijkerwijs kan worden gevergd. Daarbij is van belang dat aan de WWB en de daarop gebaseerde regelgeving het beginsel ten grondslag ligt dat een betrokkene in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan. In het kader van die wetstoepassing komt aan het namens appellante in eerste aanleg nog gestelde belang van het (verder) kunnen opbouwen van een oudedagsvoorziening geen betekenis toe en falen ook de grieven dat appellante bij afkoop van de koopsompolis een aanzienlijk financieel verlies leidt en dat de waarde van de koopsompolis de vermogensgrens slechts in beperkte mate overschrijdt.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
PR/031006