
Jurisprudentie
AZ0946
Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersVI 10-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersVI 10-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
Aan de vordering tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling is ten grondslag gelegd artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c Sr. De vordering is niet gestoeld op artikel 15a, eerste lid aanhef en sub b Sr. In die zin had de vordering in een veel eerder stadium kunnen worden ingediend. Dit hoeft evenwel niet te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Vooreerst is voor een dergelijk gevolg slechts ruimte in zeer uitzonderlijke situaties waarbij het openbaar ministerie desbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de veroordeelde zou hebben gehandeld. Daarvan is niet gebleken. Bovendien kan worden geconstateerd dat de voorliggende vordering evengoed gestoeld had kunnen worden op artikel 15a, eerste lid aanhef en sub b Sr, in welk geval de vordering zonder meer als onverwijld ingediend zou kunnen worden aangemerkt. In de gang van zaken ziet het hof wel aanleiding een zekere korting toe te passen toewijzing van de vordering. Voorts heeft veroordeelde, na zijn laatste veroordeling maar vóór het indienen van de vordering, zijn hoger beroep ingetrokken op grond van praktische overwegingen. Vervolgens werd veroordeelde geconfronteerd met de vordering. Als deze vordering voorafgaand of direct na zijn laatste veroordeling zou zijn gedaan, is aannemelijk dat hij zijn hoger beroep niet zou hebben ingetrokken. Het hof heeft met deze gang van zaken in het voordeel van veroordeelde rekening gehouden.
Uitspraak
VI-nummer: 10-06
Uitspraak: 18 oktober 2006
Gerechtshof te Arnhem
Kamer als bedoeld in artikel 67 van de wet op de rechterlijke organisatie.
Het hof heeft te beslissen op de op 14 augustus 2006 ingekomen vordering van de officier van justitie te Rotterdam van 11 augustus 2006, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van:
[VEROORDEELDE],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
thans gedetineerd in [verblijfplaats].
Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2006 gehoord de veroordeelde en de raadsman van veroordeelde, mr S.R. Bordewijk, advocaat te Schiedam, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling gedeeltelijk toe te wijzen voor een deel van twee jaren.
Overwegingen
Grondslag van de vordering
De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 11 februari 1999 van de rechtbank te Rotterdam opgelegde gevangenisstraf van 12 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven.
Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht.
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof hierover het volgende gebleken.
Veroordeelde heeft zich van 30 september 2005 tot 18 oktober 2005 onttrokken aan de executie van zijn vonnis van 11 februari 1999. In deze periode heeft veroordeelde zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie, meermalen gepleegd en het medeplegen van schuldheling. Door de rechtbank te Almelo is veroordeelde hiervoor op 10 januari 2006 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar met aftrek. Dit vonnis is in juni 2006 onherroepelijk geworden. Veroordeelde heeft zich derhalve na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
Onverwijldheid van de vordering
De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de vordering niet onverwijld is gedaan zoals voorgeschreven in artikel 15a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De advocaat-generaal heeft daaromtrent opgemerkt dat de vordering bewust eerst is ingediend nadat de veroordeling ter zake van de nieuwe feiten onherroepelijk was geworden. Tussen dat moment en de indiening van de vordering zitten slechts enkele weken. De vordering is volgens de advocaat-generaal derhalve wel onverwijld ingediend.
Voor de beoordeling van het verweer gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden:
? Nadat veroordeelde zich op 30 september 2005 onttrokken had aan de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 februari 1999, is veroordeelde op 18 oktober 2005 aangehouden in verband met nieuwe strafbare feiten. Hij zou in de periode van 16 augustus 2005 tot en met 18 oktober 2005 samen met anderen een aantal jachtgeweren voorhanden hebben gehad;
? Op 10 januari 2006 is veroordeelde ter zake van deze feiten door de rechtbank te Almelo veroordeeld wegens verboden wapen- en munitiebezit en schuldheling tot een gevangenisstraf van één jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;
? Op 20 januari 2006 heeft veroordeelde tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld;
? De raadsman van de veroordeelde heeft ter terechtzitting medegedeeld dat het hoger beroep door veroordeelde omstreeks 8 juni 2006 is ingetrokken;
? Op 14 augustus 2006 is ter griffie van het hof de vordering tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidsstelling, gedateerd 11 augustus 2006, binnengekomen.
Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht. De vordering is derhalve niet gestoeld op artikel 15a, eerste lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafrecht, kort gezegd een onherroepelijk geworden veroordelend vonnis. In die zin had de vordering in een veel eerder stadium kunnen worden ingediend. Dit hoeft evenwel niet te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Vooreerst is voor een dergelijk gevolg slechts ruimte in zeer uitzonderlijke situaties waarbij het openbaar ministerie desbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de veroordeelde zou hebben gehandeld. Daarvan is niet gebleken. Bovendien kan worden geconstateerd dat de voorliggende vordering evengoed gestoeld had kunnen worden op artikel 15a, eerste lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafrecht, in welk geval de onderhavige vordering zonder meer als onverwijld ingediend zou kunnen worden aangemerkt. Het hof sluit, gegeven de toelichting op de vordering van de advocaat-generaal ter zitting, niet uit dat de grondslag van de vordering per abuis is gesteld op 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht. In de gang van zaken ziet het hof overigens wel aanleiding een zekere korting toe te passen in de gedeeltelijke toewijzing van de vordering, te weten tot twee jaar, waartoe het hof anders beslist zou hebben.
Gelet op het bovenstaande wordt het verweer verworpen.
Beoordeling van de vordering
Het hof is van oordeel dat met de onherroepelijke veroordeling van veroordeelde op 10 januari 2006 is voldaan aan het gestelde bij artikel 15a, eerste lid aanhef en sub b alsook sub c van het Wetboek van Strafrecht. Het hof is voorts van oordeel, dat de aard van het bewezenverklaarde feit en de speciale recidive rechtvaardigt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde in ieder geval voor een deel achterwege blijft. Het hof zal daarom de vordering van de officier van justitie deels toewijzen.
Het hof heeft voorts, bij het vaststellen van de duur van het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling, in aanmerking genomen de procedurele gang van zaken en de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, zoals daarvan is gebleken ter terechtzitting.
Veroordeelde heeft, na zijn laatste veroordeling maar vóór het indienen van de vordering tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling, zijn hoger beroep ingetrokken. Veroordeelde heeft verklaard het hoger beroep op grond van praktische overwegingen te hebben ingetrokken om deel te kunnen (blijven) nemen aan het penitentiaire programma. Veroordeelde werd daarna, voor hem volkomen onverwacht, geconfronteerd met de vordering tot achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling. Als deze vordering voorafgaand of direct na zijn laatste veroordeling zou zijn gedaan, zou hij zijn in het geding zijnde belangen anders hebben afgewogen en is aannemelijk dat hij zijn hoger beroep niet zou hebben ingetrokken. Het hof heeft bij het vaststellen van de duur van het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling met deze voor veroordeelde potentieel nadelige gang van zaken in het voordeel van veroordeelde rekening gehouden.
Toegepaste wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING:
Het hof:
- Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de officier van justitie te Rotterdam en bepaalt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde achterwege zal worden gelaten voor een deel van zes (6) maanden.
Aldus gewezen door:
mr J.W.P. Verheugt, voorzitter,
mrs Y.A.J.M. van Kuijck en A.G. Coumans, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr M.A. Jansen griffier
en op 18 oktober 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.