Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0944

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersVI 12-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Hoewel, gelet op de gepleegde nieuwe feiten, het in zijn geheel achterwege laten van de vervroegde invrijheidstelling in de rede ligt, ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden aanleiding om de vordering slechts deels toe te wijzen. Voordat bekend werd dat veroordeelde werd vervolgd voor de feiten, was hij begonnen met zijn behandeling. Veroordeelde is op dit moment geplaatst op de Therapieafdeling van de penitentiaire inrichting en is aangemeld voor behandeling in Hoeve Boschoord. Zonder begeleiding wordt de kans op herhaling hoog ingeschat. Veroordeelde staat open voor begeleiding en wil in zichzelf investeren om zijn leven een andere wending te geven. Het hof heeft bij de bepaling van het toe te wijzen deel rekening gehouden met de door de raadsvrouw aangegeven termijn, waarbij het mogelijk blijft dat veroordeelde wordt behandeld in Hoeve Boschoord.


Uitspraak

VI-nummer: 12-06 Uitspraak: 18 oktober 2006 Gerechtshof te Arnhem Kamer als bedoeld in artikel 67 van de wet op de rechterlijke organisatie. Het hof heeft te beslissen op de op 29 augustus 2006 ingekomen vordering van de officier van justitie te ’s-Gravenhage van 25 augustus 2006, strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling van: [VEROORDEELDE], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans gedetineerd in [verblijfplaats]. Het hof heeft ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2006 gehoord de veroordeelde en de raadsvrouw van veroordeelde, mr C.M.H. van Vliet, advocaat te ’s-Gravenhage, alsmede de advocaat-generaal bij dit hof, die heeft geconcludeerd de vordering van de officier van justitie strekkende tot het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling toe te wijzen voor een deel van negen maanden. Overwegingen Grondslag van de vordering De vordering strekt ertoe dat de vervroegde invrijheidstelling met betrekking tot de bij vonnis van 1 september 2004 van de rechtbank te ’s-Gravenhage opgelegde gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, achterwege zal blijven. Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat veroordeelde zich na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf zeer ernstig heeft misdragen, zoals bedoeld in artikel 15a, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafrecht. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting is het hof hierover het volgende gebleken. Veroordeelde heeft zich van 13 september 2005 tot 23 november 2005 onttrokken aan de executie van zijn vonnis. In deze periode heeft veroordeelde zich schuldig gemaakt aan afpersing, poging tot diefstal en het voorhanden hebben van een vuurwapen en daarbij behorende munitie. Door de rechtbank te ’s-Gravenhage is veroordeelde hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Dit vonnis is onherroepelijk geworden. Veroordeelde heeft zich derhalve na de aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Beoordeling van de vordering Nu veroordeelde voor nieuwe feiten als voormeld veroordeeld is en het vonnis onherroepelijk is geworden, is het hof van oordeel dat is voldaan aan het gestelde bij artikel 15a, eerste lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft bij het vaststellen van de duur van het achterwege blijven van de vervroegde invrijheidstelling, in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, zoals daarvan is gebleken ter terechtzitting. Veroordeelde en zijn raadsvrouw hebben ter terechtzitting betoogd dat veroordeelde een andere weg is ingeslagen. Voordat bekend werd dat veroordeelde werd vervolgd voor de bovengenoemde feiten, was hij begonnen met zijn behandeling. Veroordeelde is op dit moment geplaatst op de Therapieafdeling van de penitentiaire inrichting en is aangemeld voor behandeling in [verblijfplaats]. Veroordeelde is duidelijk gemotiveerd om zijn leven een nieuwe wending te geven. Psycholoog Gerritsma heeft in de rapportage van 16 juni 2006 geconcludeerd dat er bij veroordeelde sprake is van een consequent authentieke hulpvraag. Zonder begeleiding wordt de kans op herhaling echter hoog ingeschat. Veroordeelde staat open voor begeleiding en wil in zichzelf investeren om zijn leven een andere wending te geven. De rechtbank in ’s-Gravenhage heeft dit in haar vonnis van 14 augustus 2006 onderkend door in de strafmotivering de volgende overweging op te nemen: “Nu verdachte blijkens voormeld rapport en verslag gemotiveerd is een behandeling te volgen en bereid is in zichzelf te investeren, zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, als “stok achter de deur” teneinde verdachte van het plegen van verdere strafbare feiten te weerhouden en hem een kans te bieden zijn leven een goede wending te geven.” Hoewel, gelet op de gepleegde nieuwe feiten, het in zijn geheel achterwege laten van de vervroegde invrijheidsstelling in de rede ligt, ziet het hof in de bovengenoemde persoonlijke omstandigheden aanleiding om de vordering slechts deels toe te wijzen. Het hof heeft bij de bepaling van het toe te wijzen deel rekening gehouden met de door de raadsvrouw aangegeven termijn, waarbij het mogelijk blijft dat veroordeelde wordt behandeld in [verblijfplaats]. Toegepaste wetsartikelen Het hof heeft gelet op de artikelen 15a, 15b en 15c van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING: Het hof: - Wijst gedeeltelijk toe de vordering van de officier van justitie te Den Haag en bepaalt, dat de vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde achterwege zal worden gelaten voor een deel van vier (4) maanden. Aldus gewezen door: mr J.W.P. Verheugt, voorzitter, mrs Y.A.J.M. van Kuijck en A.G. Coumans, raadsheren in tegenwoordigheid van mr M.A. Jansen, griffier en op 18 oktober 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.