
Jurisprudentie
AZ0938
Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers0500628
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers0500628
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het hof stelt vast dat aan de vordering van [appellante] primair de stelling ten grondslag ligt dat door de specialisten in het UMCG die haar behandeld hebben een onjuiste diagnose (slokdarmkanker) is gesteld (zie de memorie van grieven onder 11).
Op grond van hetgeen is overwogen, moet worden geconcludeerd dat de vordering van [appellante] - wat daar overigens ook van zij - een deugdelijke grondslag ontbeert, zodat de grieven vruchteloos zijn voorgesteld. Nadere vaststelling van feiten is daarom niet relevant.
Uitspraak
Arrest d.d. 25 oktober 2006
Rolnummer 0500628
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna te noemen: [appellante],
voorwaardelijke toevoeging,
procureur: mr J.V. van Ophem,
tegen
Universitair Medisch Centrum te Groningen,
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: het UMCG,
procureur: mr P.R. van den Elst.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 7 september 2005 door de rechtbank Groningen.
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 2 december 2005 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van het UMCG tegen de zitting van 21 december 2005.
Bij de memorie van grieven zijn 5 producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt:
"bij arrest
1. te vernietigen het vonnis waarvan beroep;
2. opnieuw rechtdoende [appellante] alsnog ontvankelijk te verklaren in haar
vordering, althans haar deze toe te zeggen;
3. het UMCG te veroordelen in de kosten van beide instanties, een en ander, voor zover
de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad."
Bij memorie van antwoord is door het UMCG , onder overlegging van een drietal producties, verweer gevoerd met als conclusie:
"dat alle grieven falen. Zodoende verzoekt het ziekenhuis het Hof om [appellante] in haar appèl niet-ontvankelijk te verklaren, althans de grieven te verwerpen en het bestreden vonnis, zo nodig onder verbetering en aanvulling van de gronden, te bevestigen, met veroordeling van [appellante], zo mogelijk uitvoervaar bij voorraad, in de kosten van beide procedures."
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
[appellante] heeft zeven grieven opgeworpen.
De beoordeling
1. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] in haar memorie van grieven voldoende duidelijk gemaakt op welke gronden zij bezwaar heeft tegen de uitspraak waarvan beroep. De grieven en de telkens daarop gegeven toelichting zijn voldoende helder. De inleiding op de grieven verstaat het hof als een verzoek tot aanvulling van de vaststaande feiten en een verdere aanvulling van de (juridische) grondslagen waarop [appellante] haar vordering baseert. Dat een en ander ook voor het UMCG voldoende duidelijk is blijkt overigens ook uit de bij memorie van grieven gegeven reactie.
2. Het hof verwerpt derhalve het beroep van het UMCG op niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.
3. [appellante] doet voorts een verzoek "ex art. 162 Rv" tot openlegging door het UMCG van haar poliklinische dossier van de afdeling Interne geneeskunde, als de het poliklinische en klinische dossier van de afdeling Chirurgie. Op dat verzoek wordt hieronder nader teruggekomen.
Met betrekking tot de vaststaande feiten:
4. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder rechtsoverweging 1 (1.1 tot en met 1.11) van het beroepen vonnis is - behoudens het gestelde in grief 1 - geen grief gericht, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan, zulks met inachtneming van hetgeen terzake van grief 1 zal worden overwogen.
5. Alhoewel grief 1 zich richt tegen hetgeen de rechtbank onder rechtsoverweging 1.7 als vaststaand feit heeft vermeld, blijkt uit de toelichting op de grief dat deze niet is gericht tegen het vaststaande feit op zich, maar veeleer strekt ten betoge dat het UMCG onzorgvuldig heeft gehandeld door haar in de periode tussen augustus 2000 en 14 mei 2002 niet aan nader onderzoek te onderwerpen. Het hof zal op dat aspect bij de behandeling van de grieven terugkomen. Het hof tekent in verband met het gestelde in grief 1 nog aan dat waar wordt gesproken over augustus 2000 kennelijk wordt gedoeld op een onderzoek op 17 juli 2000, als blijkend uit de brief van dokter [naam 1] aan de huisarts van [appellante] d.d. 17 augustus 2000 (zie onder productie 1 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg). Het hof zal het betreffende feit dienovereenkomstig verbeterd lezen.
6. Voorzover in de grieven van [appellante] en in haar opstelling van de feiten, besloten ligt dat naar haar oordeel de rechtbank meer feiten had moeten vaststellen dan zij heeft gedaan, overweegt het hof dat het aan de rechter is om te bepalen welke vaststaande feiten hij relevant acht voor het door hem te geven oordeel. Het hof verwerpt dan ook de grieven voorzover deze inhouden dat te weinig vaststaande feiten zijn vastgesteld.
7. Of en in hoeverre het hof de door [appellante] aangevoerde aanvullende feiten - zo al vaststaand - relevant oordeelt, zal verderop in dit arrest blijken.
Met betrekking tot de grieven:
8. Tegen hetgeen de rechtbank in het beroepen vonnis onder 4 en 5 eerste alinea heeft overwogen is geen grief ontwikkeld, zodat in dit beroep van de juistheid van de daar door de rechtbank neergelegde uitgangspunten zal worden uitgegaan.
9. Uit de grieven en de daarop gegeven toelichting begrijpt het hof dat [appellante] het geschil voor het overige in volle omvang aan het oordeel van het hof wenst te onderwerpen, zij het dat zij de in eerste aanleg aan haar vordering ten grondslag gelegde (juridische) argumenten zonodig verder wenst aan te vullen.
Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.
10. Het hof stelt vast dat aan de vordering van [appellante] primair de stelling ten grondslag ligt dat door de specialisten in het UMCG die haar behandeld hebben een onjuiste diagnose (slokdarmkanker) is gesteld (zie de memorie van grieven onder 11).
11. Het UMCG stelt zich op het standpunt dat met zekerheid sprake was van (slokdarm) kanker. Zij baseert zich daarbij op de bevindingen van de gastro-enteroloog en endoscopist dokter [naam 2] bij het endoscopisch onderzoek op 13 december 1999; op de conclusie naar aanleiding van de endo-echografie van de gastro-enteroloog dokter [naam 3] op 20 december 1999; op de conclusies van het histologisch onderzoek van de op 13 december 1999 genomen 7 biopten (door de patholoog [naam 4] en de arts assistent [naam 5]), welke conclusies naderhand zijn bevestigd door het Antonie van Leeuwenhoek ziekenhuis te Amsterdam; op de bevindingen van de radioloog dokter [naam 6] op basis van de op 22 december 1999 gedane CT-scan en hetgeen de chirurgen Appeltans en [naam 8] hebben waargenomen tijdens de operatie van [appellante] op 3 februari 2000.
Het verslag van de operatie d.d. 3 februari 2000 is overgelegd als productie 3 bij de inleidende dagvaarding. De overige verslagen ter zake zijn overgelegd onder productie 1 bij de conclusie van antwoord.
12. Het verslag van het histologisch onderzoek door de patholoog [naam 4] en de arts assistent [naam 5] d.d. 17-12-1999 (productie 2 bij de inleidende dagvaarding) bevat de volgende conclusie: biopten tumor distale oesofagus: beeld ten minste passend bij hooggradige dysplasie en zeer suspect voor adenocarcinoom. Het verslag van het aanvullend histologisch onderzoek door de patholoog [naam 4] d.d. 17-10-2002 (dezelfde productie) bevat de volgende conclusie: biopten tumor distale oesophagus: intestinaal type adenocarcinoom. Laatstgenoemde conclusie wordt ook gegeven door de interniste [naam 7] van het Antonie van Leeuwenhoek ziekenhuis (productie 4 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg).
Zoals blijkt uit de brief van 4 januari 2000 van de gastro-enteroloog dokter [naam 2] aan de huisarts van [appellante] is de problematiek besproken op 03-01-2000 tijdens de chirurgische gastro-enterologie bespreking. Daarbij werd - blijkens bedoelde brief - uitgegaan van de aanwezigheid van een carcinoom. Ook de chirurgen die de operatie hebben verricht op 3 februari 2000 spreken in hun verslag - zonder dat daarin ook maar de minste twijfel doorklinkt - van een oesophaguscardiacarcinoom.
13. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, moet worden vastgesteld dat [appellante] tegenover deze - zeer gedegen onderbouwde - stelling van het UMCG onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit - mits vaststaand - zou kunnen volgen dat de diagnose toch onjuist is geweest. [appellante] heeft ter zake bovendien geen bewijsaanbod gedaan. Het zeer uitzonderlijke feit dat de CT scan in juni 2002 geen tumor meer liet zien en dat [appellante] ook daarna geen klachten ter zake meer heeft gehad, maakt dat niet anders. Daargelaten dat niet is komen vast te staan dat de tumor definitief is verdwenen, is immers ook in de medische wetenschap niet alles verklaarbaar.
14. Niet gesteld of gebleken is dat er in 1999 sprake was van een door het UMCG aanvaarde richtlijn of van een door het UMCG onderschreven protocol, welke het nemen van biopten tijdens de operatie op 3 februari 2000 voorschreef. De richtlijn waarop [appellante] zich beroept is - wat daar verder ook van zij - eerst in augustus 2002 gepubliceerd. Van een verplichting om [appellante] te informeren omtrent het niet nemen van biopten tijdens de operatie is derhalve niet gebleken.
Dat de interniste [naam 7] van het Antonie van Leeuwenhoek ziekenhuis in haar verslag van 1 november 2002 (productie 4 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg) schrijft dat "helaas" tijdens de operatie geen pathologisch anatomisch weefsel van de suspecte klier werd afgenomen, behoeft allerminst te impliceren dat de betreffende interniste vindt dat zulks destijds wel had moeten gebeuren. Het kan immers evengoed betekenen dat achteraf moet worden betreurd dat die biopten, die aan alle mogelijke twijfel een definitief einde hadden kunnen maken, niet zijn genomen. Opgemerkt kan overigens nog worden dat ook in bedoeld verslag op geen enkele wijze twijfel wordt geuit over de destijds gestelde diagnose. Geconcludeerd wordt dat er geen reden is voor een nieuwe operatie "omdat er een grote kans is dat als je nu iets vindt bij laparotomie dat toch niet operabel zou zijn", dat er "geen teken is van recidief" en dat - mocht er wel een recidief worden geconstateerd - eventueel in een vroeg stadium alsnog een proeflaparotomie/scopie zou kunnen worden verricht.
Het hof tekent hierbij nog aan dat - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - ook het wel nemen van biopten tijdens bedoelde operatie met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet tot de conclusie zou hebben geleid dat er geen sprake was van slokdarmkanker.
15. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geconcludeerd dat de vordering van [appellante] - wat daar overigens ook van zij - een deugdelijke grondslag ontbeert, zodat de grieven vruchteloos zijn voorgesteld. Nadere vaststelling van feiten is daarom niet relevant.
16. Het verzoek om openlegging als hiervoor onder rechtsoverweging 3 bedoeld zal door het hof worden afgewezen. [appellante] heeft op grond van het bepaalde in artikel 7:456 BW recht op inzage in en afschift van het medisch dossier. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat aan haar verzoek ter zake niet is voldaan. Anderzijds rust op het UMCG een verzwaarde stelplicht nu aan de vordering vermeende medische fouten ten grondslag liggen. Naar het oordeel van het hof heeft het UMCG in voldoende mate aan die verplichting voldaan. Daarbij merkt het hof op dat van de diverse consulten telkenmale verslag is gedaan aan de huisarts van [appellante], als blijkend uit de door het UMCG bij conclusie van antwoord in eerste aanleg overgelegde producties. Weliswaar blijkt uit de overgelegde producties niet of - en zo ja hoe - verslag is gedaan omtrent het gesprek op 17 juli 2002 met de internist [[naam 1] en op 8 augustus 2002 met de chirurg [naam 8], maar de inhoud van die gesprekken kan - zelfs als de lezing die [appellante] daaromtrent geeft bij benadering juist zou zijn - het hof niet tot een andere conclusie leiden dan het hiervoor met betrekking tot de ruim twee jaar daarvoor gestelde diagnose en het niet afnemen van biopten tijdens de operatie op 3 februari 2000 heeft getrokken. [appellante] heeft derhalve niet voldoende belang bij haar vordering tot openlegging.
Slotsom
17. De grieven falen. Het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. [appellante] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep (salaris procureur: 1 punt tarief II).
Beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis d.d. 7 september 2005, waarvan beroep;
veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van het UMCG begroot op euro 291,-- aan verschotten en op euro 894,-- aan salaris voor de procureur;
verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mr Mollema, voorzitter en mrs Kuiper en Zandbergen, raden en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 25 oktober 2006.