Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0935

Datum uitspraak2006-10-24
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep kort geding
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers0600391
Statusgepubliceerd


Indicatie

In grief III voert [appellant] tegen de reconventionele vordering aan dat het middel van lijfsdwang slechts dient te worden toegepast indien geen enkel verhaal wordt geboden. Dat is rechtens onjuist: artikel 587 Rv, dat hier tot maatstaf dient, bepaalt voor zover voor de beoordeling van deze grief van belang dat lijfsdwang slechts kan worden opgelegd indien aannemelijk is dat toewijzing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden. Dat aan die voorwaarde is voldaan, is naar het voorlopig oordeel van het hof om te beginnen voldoende aannemelijk geworden door een zich in het dossier bevindende brief van de gemachtigde van [geïntimeerde] [..] waarin wordt opgemerkt dat de deurwaarder tevergeefs de nodige executiemaatregelen heeft getroffen ter zake van de op dat moment verbeurde dwangsommen tot een totaal van euro 40.000,=. Voorts geldt dat [appellant] in weerwil van al hetgeen daartoe door [geïntimeerde] is ondernomen, klaarblijkelijk nog niets heeft gedaan dat tot de terugkeer van de kinderen bij hun moeder zou kunnen leiden.


Uitspraak

Arrest d.d. 24 oktober 2006 Rolnummer 0600391 HET GERECHTSHOF TE ARNHEM Nevenzittingsplaats Leeuwarden Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie, hierna te noemen: [appellant], procureur: mr S.I. Henny, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, hierna te noemen: [geïntimeerde], niet verschenen. Het geding in eerste instantie In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de kortgedingvonnissen uitgesproken op 29 december 2005 en 7 juli 2006 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad. Het geding in hoger beroep Bij exploot van 2 augustus 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 7 juli 2006 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 22 augustus 2006. De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt: "het tussen partijen gewezen vonnis van de Voorzieningenrechter te Zwolle van 7 juli 2006, gewezen onder rolnummer 121073 / KG ZA 06-209, te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vordering van appellant in conventie toe te wijzen en de vordering in reconventie van geïntimeerde alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide procedures." [appellant] heeft een memorie van grieven genomen. Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend. [appellant] heeft vervolgens de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. De grieven [appellant] heeft drie grieven opgeworpen. De beoordeling Met betrekking tot de feiten 1. Tussen partijen staan voorshands de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken. 1.0. In voormeld tussen partijen op tegenspraak gewezen en uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 29 december 2005 is [appellant] veroordeeld tot onmiddellijke afgifte dan wel het doen afgeven aan [geïntimeerde] dan wel aan de persoon die haar vertegenwoordigt, van de minderjarige dochters van [geïntimeerde], [dochter 1] en [dochter 2] [achternaam geïntimeerde] (geboren op [geboortedatum 1] respectievelijk [geboortedatum 2]), althans tot bekendmaking van de huidige verblijfplaats van deze kinderen aan [geïntimeerde] dan wel aan de persoon die haar vertegenwoordigt, teneinde [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen deze kinderen aan haar, dan wel de persoon die haar vertegenwoordigt, te doen afgeven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van euro 250,= voor iedere dag dat [appellant] dit nalaat. De voorzieningenrechter heeft [geïntimeerde] gemachtigd om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen indien [appellant] in gebreke blijft te voldoen aan hetgeen waartoe hij is veroordeeld. 1.2. In het thans bestreden vonnis is de conventionele vordering van [appellant] strekkende tot het staken of schorsen van de executiemaatregelen voortvloeiend uit het vonnis van 29 december 2005 afgewezen. In reconventie is [geïntimeerde] verlof verleend om dat vonnis ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en deswege [appellant] in gijzeling te doen stellen indien hij nalaat binnen 6 weken na betekening van het thans bestreden vonnis te voldoen aan hetgeen waartoe hij bij meergenoemd vonnis van 29 december 2005 is veroordeeld. Met betrekking tot grief II 2. Deze grief richt zich tegen de afwijzing van de conventionele vordering van [appellant], voor zover daarin diens stelling is verworpen dat sprake is van een noodsituatie. Hij voert daartoe andermaal aan dat in geval van beslaglegging 'een verkoop van de woning van de man zodanig ingrijpende gevolgen [zou] hebben dat een noodsituatie zou kunnen ontstaan' en dat beslaglegging op zijn tandartsenpraktijk zou betekenen dat hij zijn beroep niet meer kan uitoefenen. Het hof leest in de grief en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Dit oordeel behoeft geen nadere toelichting. Met betrekking tot de grieven I en III 3. Met grief I handhaaft [appellant] zijn reconventionele verweer dat de zaak complex is en dat er voldoende aanknopingspunten zijn die de geloofwaardigheid van het relaas van [geïntimeerde] aantasten. 4. Het hof leest ook in deze grieven en in de daarop gegeven toelichting geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd verworpen. Het hof onderschrijft ook hier hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog het volgende aan toe. 5. Anders dan [appellant] ingang wil doen vinden, ziet het hof niet in op welke onderdelen het relaas van [geïntimeerde], dat door schriftelijke getuigenverklaringen en haar uitgebreide processen-verbaal van aangifte (politie regio IJsselland) wordt ondersteund, ongeloofwaardig zou zijn, te meer omdat [appellant] zelf op relevante onderdelen juist wel ongeloofwaardig overkomt. Hij stelt immers in eerste instantie [geïntimeerde] pas in 2001 voor het eerst te hebben ontmoet, nadat zij naar Nederland was gekomen, en bestrijdt in die fase van het geschil ook met haar getrouwd te zijn (geweest). Vervolgens erkent hij de ontmoeting en het (beweerdelijk inmiddels ontbonden) huwelijk in 2000, nadat [geïntimeerde] foto's had overgelegd waarop beiden in [land] in huwelijkskledij zijn te zien. Van groot gewicht is eveneens, dat hij op enig moment is teruggenomen op de stellige betwisting van zijn vaderschap van [dochter 2]. Ten slotte verdient in dit verband vermelding de door [geïntimeerde] overgelegde foto waarop partijen zijn te zien in het ziekenhuis, kort voordat zij van het oudste kind, [dochter 1], zou bevallen. 6. In grief III voert [appellant] tegen de reconventionele vordering aan dat het middel van lijfsdwang slechts dient te worden toegepast indien geen enkel verhaal wordt geboden. Dat is rechtens onjuist: artikel 587 Rv, dat hier tot maatstaf dient, bepaalt voor zover voor de beoordeling van deze grief van belang dat lijfsdwang slechts kan worden opgelegd indien aannemelijk is dat toewijzing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden. Dat aan die voorwaarde is voldaan, is naar het voorlopig oordeel van het hof om te beginnen voldoende aannemelijk geworden door een zich in het dossier bevindende brief van de gemachtigde van [geïntimeerde] d.d. 23 juni 2006, waarvan de inhoud niet ter discussie is gesteld, en waarin wordt opgemerkt dat de deurwaarder tevergeefs de nodige executiemaatregelen heeft getroffen ter zake van de op dat moment verbeurde dwangsommen tot een totaal van euro 40.000,=. Voorts geldt dat [appellant] in weerwil van al hetgeen daartoe door [geïntimeerde] is ondernomen, klaarblijkelijk nog niets heeft gedaan dat tot de terugkeer van de kinderen bij hun moeder zou kunnen leiden. 7. Het betoog dat [geïntimeerde] eerst had moeten proberen de verbeurde dwangsommen door middel van beslaglegging te incasseren, is bovendien onverenigbaar met de in grief II opgeworpen stelling dat beslaglegging een noodsituatie zou oproepen die de staking van een dergelijke executiemaatregel zou rechtvaardigen. De slotsom. 8. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal als onder de gegeven omstandigheden worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. De beslissing Het gerechtshof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; Veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil. Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Zandbergen en Hidma, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 24 oktober 2006.