Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0925

Datum uitspraak2006-10-16
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers21-005951-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

verstrekken van sterke drank aan een persoon beneden de leeftijd van 18 jaar


Uitspraak

Parketnummer: 21-005951-05 Uitspraak d.d.: 16 oktober 2006 TEGENSPRAAK Gerechtshof te Amsterdam zitting houdende te Arnhem economische kamer Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Utrecht van 23 november 2005 in de strafzaak tegen [VERDACHTE] Het hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 oktober 2006 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft voorwaardelijk verzocht het onderzoek te heropenen teneinde alsnog een getuige-deskundige te horen. Tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek volledig is geweest en dat er arrest zal worden gewezen. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 20 november 2004 te [plaats], bedrijfsmatig en/of anders dan om niet sterke drank, te weten (7-up gemengd met) Pisang Ambon, heeft verstrekt aan een of meer perso(o)n(en) van wie, door haar, verdachte, niet was vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar had(den) bereikt; Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Namens verdachte is aangevoerd dat weliswaar een mixdrank -7-up gemengd met Pisang Ambon met voor wat de Pisang Ambon betreft een alcoholpercentage van 20%- aan een persoon van zeventien jaar oud, dus jonger dan achttien jaar, werd verstrekt, doch dat die mixdrank met de nodige zorgvuldigheid werd bereid en verstrekt, zodat het alcoholgehalte in die mixdrank minder bedroeg dan vijftien volumeprocenten. Namens verdachte is nog aangevoerd dat een dergelijke mixdrank als kant en klaar product (zogenaamde pre-mix) in de winkel voor dezelfde persoon te koop is en er in feite geen verschil bestaat met het geval, waarbij die mixdrank in de horecagelegenheid zorgvuldig wordt bereid (zogenaamde post-mix). Namens verdachte is gesteld dat helderheid omtrent de bewuste regelgeving ten aanzien van het verstrekken van deze post-mixdranken gewenst is. Voor de onderhavige beslissing zijn met name de navolgende wetsbepalingen relevant. 1) Artikel 20, tweede lid, van de Drank- en Horecawet, inhoudende: “Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken als bedoeld in de eerste volzin wordt eveneens begrepen het verstrekken van sterke drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt”. 2) Artikel 1, sub 3, van de Drank- en Horecawet, inhoudende: Sterke drank: ”de drank, die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor vijftien of meer volumeprocenten uit alcohol bestaat, met uitzondering van wijn”. Uit hetgeen namens verdachte is aangevoerd en ter zitting is uiteengezet acht het hof het aannemelijk dat verdachte op 20 november 2004 te [plaats] de in de tenlastelegging nader omschreven mixdrank (7-up gemengd met Pisang Ambon) met de nodige zorgvuldigheid heeft bereid en verstrekt, waarbij noch uit het dossier noch anderszins is gebleken dat de verstrekte mixdrank ten tijde van het verstrekken uit 15 volumeprocenten of meer alcohol bestond, zodat door verdachte geen sterke drank in de zin van artikel 20, tweede lid, van de Drank- en Horecawet werd verstrekt en derhalve vrijspraak moet volgen. Het hof verwijst in dit verband naar een arrest van de Hoge Raad van 4 januari 1983 (NJ1983,299) waarin is vastgesteld dat de in de Drank- en Horecawet voorkomende uitdrukkingen volgens algemeen taalgebruik moeten worden geïnterpreteerd. Van verstrekken van drank is in casu pas sprake op het moment dat de drank ter beschikking wordt gesteld van de consument. Op dat moment heeft de vermenging van Pisang Ambon met 7-up reeds plaatsgevonden. Het hof overweegt in dit verband nog het volgende. Uit de wetsgeschiedenis blijkt -kort gezegd- dat de wetgever het verstrekken van sterke drank aan personen onder de achttien jaar heeft verboden om het alcoholgebruik onder jongeren zoveel mogelijk te ontmoedigen. Voorts blijkt dat bij de totstandkoming van deze regelgeving niet is gedacht aan het verstrekken aan jongeren van post-mixdranken, althans is daarover niets terug te vinden. In geval van het verstrekken van een pre-mix met een alcoholpercentage van 7 % is het risico dat een drank aan een jongere onder de achttien jaar wordt verstrekt met een alcoholpercentage van meer dan 15% in principe niet aanwezig, terwijl in het geval een post-mix ter plekke wordt bereid het risico dat zulks wel zou kunnen gebeuren wel aanwezig is. Dit alles nog afgezien van de controleerbaarheid en handhaafbaarheid van de onderhavige regelgeving, welke in het geval van het verstrekken van post-mixdranken sterk wordt bemoeilijkt. Het hof is te dien aanzien echter van oordeel dat het aan de wetgever en niet aan de rechter is om de regelgeving op dat punt (eventueel) aan te passen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Aldus gewezen door mr J.J. van den Berg, voorzitter, mr H.W. Koksma en mr C.G. Nunnikhoven, raadsheren, in tegenwoordigheid van T.M.M. van Lieshout-Witjes, griffier, en op 16 oktober 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.