Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0913

Datum uitspraak2006-10-17
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4421 WAZ
Statusgepubliceerd


Indicatie

Toegenomen arbeidsongeschiktheid in kader WAZ? Zelfde ziekteoorzaak? Deugdelijke motivering?


Uitspraak

04/4421 WAZ Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 juli 2004, 03/4495 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 17 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad op 3 juli 2006 heeft besloten met een vraagstelling aan het Uwv het onderzoek te heropenen. Bij brief van 14 juli 2006 heeft het Uwv ter beantwoording nadere stukken ingezonden. Op 22 juli 2006 heeft appellant een reactie overgelegd. Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten. II. OVERWEGINGEN Ten aanzien van de ontvankelijkheid van appellants bezwaarschrift overweegt de Raad, evenals de rechtbank heeft overwogen, dat appellants bezwaarschrift geacht moet worden binnen de wettelijke termijn en derhalve tijdig te zijn ingediend. In september 1989 is appellant uitgevallen voor zijn werkzaamheden als zelfstandig tuinder. Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken heeft het Uwv met ingang van 8 september 1990 aan appellant een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Naar aanleiding van een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant heeft het Uwv, na afloop van de wachttijd van 52 weken, aan appellant de uitkering ingevolge de inmiddels van kracht geworden Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) met ingang van 28 juni 2000 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij brief van 8 december 2002 heeft appellant het Uwv verzocht om een herkeuring in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid met ingang van 15 juni 2000 als gevolg van een val op zijn werk. Nadien heeft appellant aangegeven dat de verergering van zijn klachten reeds op 8 mei 2000 was ingetreden. Op basis van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek is de verzekeringsarts S.P. Sengkerij, mede op basis van de door hem ontvangen informatie van appellants huisarts, van oordeel dat ten aanzien van appellant geen sprake is van een toename van beperkingen gedurende een periode van ten minste 4 weken. Vervolgens heeft het Uwv bij het primaire besluit van 10 maart 2003 geweigerd de aan appellant verstrekte WAZ-uitkering op of na 15 juni 2000 te herzien, hetgeen volgens het Uwv meebrengt dat die uitkering ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45 %. Bij besluit van 22 september 2003 hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen voornoemd primair besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard onder verwijzing naar de uitkomst van het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger zoals verwoord in zijn rapportage van 4 augustus 2003, waarin hij het oordeel van verzekeringsarts Sengkerij onderschrijft. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Het onderzoek naar appellants claim inzake toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft -uitsluitend- plaatsgevonden vanuit de context van artikel 16 van de WAZ, de zogenoemde ambersituatie. Ook de rechtbank is bij haar oordeel uitgegaan van toepassing van voornoemd artikel. Artikel 16 van de WAZ bepaalt dat ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen, herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats vindt, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Naar de Raad is gebleken is appellants uitkering voorafgaande aan de eerste dag van -appellants claim van- toegenomen klachten, te weten 8 mei 2000, laatstelijk vastgesteld per 9 september 1990. Derhalve kan geen sprake zijn van een toename van arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 16 van de WAZ. De Raad merkt hierbij op dat er in 1997 weliswaar een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden -onder andere ter vaststelling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid-, maar dat uit de in het dossier aanwezige stukken, waaronder de naar aanleiding van een nadere vraagstelling van de zijde van de Raad door het Uwv op 14 juli 2006 toegezonden stukken niet valt af te leiden dat de uitkomst van dit onderzoek geresulteerd heeft in een (nader) besluit aangaande de vaststelling van appellants mate van arbeidsongeschiktheid. Het voorgaande leidt er toe dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en derhalve genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit brengt mee dat het bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak, dient te worden vernietigd. Het Uwv zal, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat het de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2006. (get.) C.W.J. Schoor. (get.) M.H.A. Jenniskens.