
Jurisprudentie
AZ0912
Datum uitspraak2006-10-11
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6808 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6808 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
WAO-schatting.
Uitspraak
04/6808 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2004, 03/4 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Toxopeus, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2006. Appellant is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Toxopeus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, laatstelijk werkzaam als postsorteerder bij PTT Post, heeft zich op 13 februari 2001 ziek gemeld met nek-, schouder- en armklachten. De verzekeringsarts constateerde bij zijn onderzoek een RSI aan schouders en armen beiderzijds, maar, behalve een licht verhoogde spierspanning in de nek, geen objectiveerbare afwijkingen. Op basis hiervan stelde hij een aantal (lichte) beperkingen vast, die hij neerlegde in een Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML). In aansluiting hierop heeft de arbeidsdeskundige een beschrijving van het eigen werk van postsorteerder opgesteld en met inachtneming van de vastgestelde beperkingen geconcludeerd dat appellant geschikt is te achten voor zijn eigen werk. Op basis hiervan is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op minder dan 15%. In overeenstemming hiermee is appellant bij besluit van 12 februari 2002 met ingang van dezelfde datum een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) geweigerd.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts, mede op basis van door appellant ingebrachte medische informatie, geen aanleiding gezien om af te wijken van het primaire medische oordeel. Dienovereenkomstig is het bezwaar van appellant bij het bestreden besluit van 20 november 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant betoogd dat sprake is van onzorgvuldig onderzoek door de verzekeringsarts. Voorts is betoogd dat de ernst van de pijnklachten van appellant door de (bezwaar)verzekeringsartsen onvoldoende is gewogen en dat de medische beperkingen van appellant zijn onderschat. Daarbij is gewezen op een rapport van de WRA Groep van
2 oktober 2003. Verder is nog aangevoerd dat de duurbeperkingen niet door de bezwaarverzekeringsarts zijn beoordeeld en dat de geduide functies niet met appellant zijn besproken.
Ten aanzien van de medische kant van de schatting overweegt de Raad als volgt.
De Raad ziet in de eerste plaats onvoldoende aanleiding het door de verzekeringsarts verrichte medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig te achten. In dit kader heeft de Raad overwogen dat, voorzover al sprake zou zijn van gebreken op dit punt bij de voorbereiding van het besluit, deze in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts moeten worden geacht te zijn hersteld. De Raad kan appellant voorts niet volgen in zijn stelling dat de ernst van de pijnklachten door de (bezwaar)verzekeringsartsen onvoldoende zou zijn gewogen. Daarbij wijst de Raad er op in de beschikbare medische informatie onvoldoende aanknopingspunten te zien voor een door ziekte of gebrek veroorzaakt ernstig pijnsyndroom als bedoeld in de uitspraken van de Raad van respectievelijk 7 maart 1986, gepubliceerd in RSV 1986, 196 (LJN: AK7143) en
29 november 1991, gepubliceerd in RSV 1992, 121 (LJN: AK9482). Voorts ziet de Raad in bedoelde informatie onvoldoende grond om te oordelen dat de beperkingen van appellant, als neergelegd in de FML, door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn onderschat. Aan het rapport van de WRA Groep kan de Raad niet de waarde hechten die appellant daaraan gehecht wenst te zien, reeds niet vanwege het feit dat dit rapport geen betrekking heeft op de datum in geding. Met betrekking tot de grief van appellant ten aanzien van de duurbeperking overweegt de Raad dat de verzekeringsarts, blijkens de FML, geen duurbeperking in de zin van een urenbeperking heeft aangenomen en dat de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding heeft gezien daarover anders te oordelen. Daarbij tekent de Raad nog aan dat, voorzover de grief van appellant op dit punt betrekking heeft op de in de FML neergelegde beperking ten aanzien van het onderdeel statische houdingen, dit onderdeel in de beschrijving van het eigen werk van appellant volgens de arbeidsdeskundige niet noemenswaardig voorkomt.
Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad onvoldoende aanleiding te zien om het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde standpunt van de arbeidsdeskundige dat appellant geschikt is te achten voor zijn werk van postsorteerder onjuist te achten. Overigens wijst de Raad appellant nog op het feit dat in het kader van de onderhavige schatting geen functies zijn geselecteerd.
Uit het voorgaande volgt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding terecht is vastgesteld op minder dan 15%. Hieruit volgt dat appellant bij het bestreden besluit terecht een uitkering ingevolge de WAO is geweigerd.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.J. Janssen.