
Jurisprudentie
AZ0907
Datum uitspraak2006-08-29
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC200500741-BR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC200500741-BR
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ontbinding en ontruiming huurwoning wegens overlast.
Uitspraak
typ. JP
rolnr. C0500741/BR
ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,
zevende kamer, van 29 augustus 2006,
gewezen in de zaak van:
[X.],
wonende te [woonplaats], hierna: “[X]”,
appellant bij exploot van dagvaarding van 24 mei 2005,
procureur: mr. Y.A.W.M. Molkenboer,
tegen:
de stichting STICHTING WONEN BREBURG,
gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: “Wonen Breburg”,
geïntimeerde bij voormeld exploot van dagvaarding,
procureur: mr. I.C.K. Mol,
op het hoger beroep van de door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg gewezen vonnis in oppositie van 4 mei 2005 tussen [X.] als opposant en Wonen Breburg als geopposeerde.
Het verloop van het geding in eerste aanleg.
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnis met zaak/rolnummer 308611-CV-04/3507, alsmede naar het tussenvonnis van 1 september 2004.
Het verloop van het geding in hoger beroep
2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] twee grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Hij heeft geconcludeerd dat het hof dit vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het verzet tegen het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 18 februari 2004 gegrond zal verklaren en de oorspronkelijke vordering van Wonen Breburg zal afwijzen, met veroordeling van Wonen Breburg in de proceskosten in beide instanties.
2.2. Bij memorie van antwoord, met bewijsstukken, heeft Wonen Breburg de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [X.] in de proceskosten in beide instanties.
2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.
3. De gronden van het hoger beroep
Hiervoor wordt verwezen naar de grieven en de daarop gegeven toelichting, zoals vermeld in de memorie van grieven.
4. De beoordeling:
4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.
4.1.1. [X.] huurt met ingang van 8 februari 1988 van (de rechtsvoorgangster van) Wonen Breburg de flatwoning [adres] (de "woning").
4.1.2. Sedert 1989 is er regelmatig sprake van klachten van omwonenden in verband met overlast (bezoekers in de avond en nacht, lawaai, deponeren van afval en drugsgebruik door bezoekers in de gemeenschappelijke ruimten).
4.1.3. Wonen Breburg heeft [X.] in 2003 meermalen (bij brieven van 17 februari, 22 april, 16 mei en 13 augustus 2003) schriftelijk gesommeerd dat de overlast beëindigd diende te worden. Niettemin bleven de klachten voortduren.
4.1.4. Op 21 augustus 2003 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [X.] en Wonen Breburg over de aanhoudende klachten van omwonenden. Bij brief van 22 augustus 2003 heeft Wonen Breburg aan [X.] bericht dat in geval van nieuwe klachten over overlast maatregelen zullen worden genomen.
4.1.5. In september en oktober 2003 is wederom sprake van overlast (onder meer lawaai van bezoekers) waarover omwonenden hebben geklaagd.
4.1.6. Een door de politie, district Tilburg, opgestelde samenvatting uit de politieregisters, gedateerd 4 november 2003, vermeldt diverse meldingen van overlast in het tijdvak van 1999 tot en met augustus 2003.
4.1.7. Bij brief van 26 november 2004 heeft de politie Midden en West Brabant het navolgende overzicht verschaft van aantallen en soorten incidentmeldingen vanaf 1999 tot november 2004 met betrekking tot de woning van [X.]:
Soort incident
aantal
geluidshinder
1
overlast van kennelijk gestoord persoon
4
drugsgerelateerde overlast
(waaronder enkele malen met ernstige gevaarzetting)
24
bedreiging/belediging
2
slechte leefomstandigheden dieren
1
aantreffen gezochte personen
3
vervuiling
2
overlast algemeen
4
overige vormen van overlast (bijv. naaktlopen)
2
4.1.8. De rechtbank heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis van 18 februari 2004 de vorderingen van Wonen Breburg strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning toegewezen, met veroordeling van [X.] in de proceskosten. Wonen Breburg heeft dit vonnis op 4 maart 2004 aan [X.] betekend.
4.1.9. [X.] heeft bij exploot van dagvaarding van 31 maart 2004 verzet aangetekend tegen het vonnis van 18 februari 2004 en heeft gevorderd dat na gegrond verklaring van het verzet de vorderingen van Wonen Breburg alsnog worden afgewezen.
4.1.10. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 1 september 2004 Wonen Breburg toegelaten tot bewijslevering en heeft bij eindvonnis van 4 mei 2005 het verzet ongegrond verklaard en het verstekvonnis van 18 februari 2004 bevestigd, met veroordeling van [X.] in de proceskosten van het verzet aan de zijde van Wonen Breburg.
4.1.11. [X.] kan zich niet met het vonnis van 4 mei 2005 verenigen en komen daarvan in hoger beroep.
4.1.12. Eind mei 2005 is de woning van [X.] ontruimd.
4.2. Met zijn tweede grief bestrijdt [X.] de bewijswaardering door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep. Met zijn eerste grief bestrijdt hij de daarop gebaseerde beslissing van de rechtbank het verzet ongegrond te verklaren en het vonnis van 18 februari 2004 te bevestigen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.3. In het tussenvonnis van 1 september 2004 heeft de rechtbank Wonen Breburg met het bewijs belast dat [X.] en/of personen voor wier gedrag hij op grond van het bepaalde in artikel 7:219 BW aansprakelijk is, in de periode van 1 januari 2003 tot heden ernstige overlast aan omwonenden hebben bezorgd. Tegen deze bewijsopdracht is geen grief gericht.
4.4. Op verzoek van Wonen Breburg heeft de rechtbank als getuigen gehoord [A.], [B.], [C.], [D.], [E.] en [F.]. Deze getuigen hebben - voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven - verklaard:
[A.]:
dat zij als woonconsulente van Wonen Breburg sedert 2001 het flatgebouw waartoe de woning van [X.] behoort in portefeuille heeft;
dat haar vanaf begin 2003 klachten van bewoners bereikten over overlast, waaronder drugsgebruik in gemeenschappelijke ruimten, door bezoekers van [X.];
dat zij deze klachten heeft onderzocht en dat het om serieuze klachten ging;
dat zij in 2003 de woning van [X.] heeft bezocht en heeft geconstateerd dat deze sterk was vervuild;
dat er geen klachten zijn in perioden dat [X.] in detentie zit.
[B.]:
dat hij sinds 1998 wijkagent is in de wijk waar de flatwoning van [X.] is gelegen;
dat er over [X.] meldingen zijn geweest met betrekking tot 'dealen';
dat er meldingen zijn geweest met betrekking tot overlast veroorzaakt door bezoekers van [X.] (roepen, rondhangen op de galerij en in het trapportaal);
dat [X.] deel uitmaakt van de Tilburgse drugsscene en veel van zijn bezoekers ook;
dat [X.] in 2004 enkele maanden heeft vastgezeten en dat het toen rustig was rond zijn woning.
[C.]:
dat hij in de flatwoning schuin boven [X.] woont (2e etage);
dat hij (in elk geval vanaf 2003) veel hinder ondervindt van bezoekers van [X.];
dat deze hinder door bezoekers betreft geschreeuw, het roepen van de naam [roepnaam X.] en nachtelijk aanbellen door bezoekers;
dat bezoekers van [X.] rondhingen in de hal van het flatgebouw.
[D.]:
dat zij een bewoonster van het flatgebouw (6e etage) is;
dat bezoekers van [X.] regelmatig overlast veroorzaken, waaronder het roepen van [roepnaam X.], geschreeuw, bij de liftschacht rondhangen, gebruiken van drugs in het trappenhuis;
dat als [X.] gedetineerd is, het weer rustig wordt en als hij weer vrij is de overlast herleeft.
[E.]:
dat zij bewoonster van het flatgebouw (3e etage)is;
dat zij vanaf 2003 heeft gezien dat bezoekers van [X.] zijn naam roepen en door het indrukken van allerlei bellen proberen het trapportaal binnen te komen;
dat bezoekers op de galerij staan en op het raam van de flat van [X.] bonken;
dat bezoekers bij de lift zitten;
dat de aanloop van bezoekers veel minder is wanneer [X.] vast zit.
[F.]:
dat hij sinds april 2000 de huismeester is van het complex waartoe de flatwoning van [X.] behoort;
dat [X.] veel bezoekers ontvangt;
dat hij [X.] er een aantal keren uitdrukkelijk op heeft gewezen dat hij verantwoordelijk is voor zijn bezoekers;
dat de aanloop minder is wanneer [X.] gedetineerd is.
4.5. [X.] heeft in contra-enquête zichzelf als partijgetuige en [G.], [H.], [I.] en [J.] als getuigen doen horen. Deze getuigen hebben - voorzover hier van belang en zakelijk weergegeven - verklaard:
[X.]:
dat hij de flat netjes bewoont en geen overlast veroorzaakt;
dat hij weinig bezoek ontvangt;
dat het mogelijk is dat mensen van buitenaf zijn naam '[roepnaam X.]' hebben geroepen maar dat hij daar niet op reageert;
dat hij geen bezoekers heeft ontvangen die de gemeenschappelijke ruimten hebben verontreinigd of drugs hebben gebruikt.
[G.]:
dat hij sedert ongeveer 5 jaar een flatwoning op de 1e etage van het flatgebouw bewoont;
dat hij wel eens een praatje maakt met zijn buurman [X.];
dat hij geen last heeft van [X.] of van diens bezoekers.
[H.]
dat hij circa 2 á 2,5 jaar een flatwoning op de 1e etage van het flatgebouw bewoont;
dat hij [X.] verder niet herkent;
dat hij wel eens last heeft gehad van muziek en van geroep van mensen;
dat er 's nachts ook wel eens wordt aangebeld door personen die niet bij hem op bezoek komen.
[I.]
dat hij sedert juni 2003 een flatwoning op de 1e etage van het flatgebouw bewoont;
dat hij [X.] herkent als zijn buurman op de galerij;
dat er 's nachts wel eens wordt aangebeld door personen die niet bij hem op bezoek komen;
dat hij geen lawaaioverlast ondervindt.
[J.]
dat hij sedert ca 11 jaren een flatwoning op de 3e etage van het flatgebouw bewoont;
dat hij [X.] kent als bewoner van de flatwoning onder hem op de 1e etage;
dat hij geen overlast ondervindt van [X.] of van bezoekers van [X.].
4.6. Het hof is op grond van deze getuigenverklaringen - in onderling verband en samenhang bezien - van oordeel dat Wonen Breburg is geslaagd in het opgedragen bewijs.
4.7. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit de (gedetailleerde) verklaringen van de omwonenden [C.], [D.] en [E.] blijkt dat de door hen ondervonden overlast mede door bezoekers van [X.] werd veroorzaakt.
4.8. Deze getuigenverklaringen vinden steun in de verklaring van de wijkagent [B.] dat veel meldingen zijn binnengekomen met betrekking tot overlast door [X.] en zijn bezoekers en dat zowel [X.] als zijn bezoekers deel uitmaken van de Tilburgse drugsscene. Ook de verklaring van de woonconsulente [A.] dat zij de klachten van omwonenden heeft onderzocht en dat het om serieuze klachten ging, ondersteunt de getuigenverklaringen van de omwonenden. De verklaring van de huismeester [F.] weerspreekt deze verklaringen niet nu hij bevestigt dat [X.] veel bezoekers kreeg en dat hij hem daarop heeft aangesproken.
4.9. De door [X.] gehoorde getuigen ontzenuwen de verklaringen van de aan de zijde van Wonen Breburg gehoorde getuigen niet. Aan de getuigenverklaring van [X.] zelf hecht het hof minder geloof, nu uit de verklaring van de wijkagent [B.] blijkt dat er in elk geval van enige aan de persoon van [X.] gerelateerde overlast sprake is geweest. De getuigenverklaringen van [G.] en
[J.] dat zij geen last ondervinden van [X.] of van zijn bezoekers sluiten niet uit dat andere omwoners daar wel overlast van ondervinden. Hetzelfde geldt voor de schriftelijke verklaring van [K.], een andere buurman van [X.], dat hij geen problemen ervaart. Uit de getuigenverklaringen van [H.] en [I.] blijkt dat er wel sprake is geweest van enige overlast ('s nachts aanbellen, geroep en/of muzieklawaai).
4.10. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen van de door Wonen Breburg gehoorde getuigen steun vinden in de samenvatting van het politieregister van 4 november 2003 en in de brief van de politie van 26 november 2004 met een overzicht van meldingen tot die datum.
4.11. De overlast waarvoor [X.] verantwoordelijk is levert, mede in aanmerking nemende het voortdurende karakter ondanks de gegeven waarschuwingen, een ernstige tekortkoming op in de nakoming van de huurovereenkomst die de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt.
4.12. Nu Wonen Breburg ook naar het oordeel van het hof in de bewijslevering is geslaagd, falen de grieven. [X.] biedt in hoger beroep weliswaar tegenbewijs aan maar in eerste aanleg heeft hij daartoe al de gelegenheid gekregen. [X.] heeft verder niet toegelicht wat hij met dit aanbod beoogt noch heeft hij dat geconcretiseerd. Het hof passeert dit aanbod dan ook.
4.13. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [X.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.
5. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [X.] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van Wonen Breburg, tot aan deze uitspraak begroot op € 244,- aan vastrecht en € 894,- aan salaris van de procureur.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 29 augustus 2006.