
Jurisprudentie
AZ0897
Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6239 WAO, 04/6240 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/6239 WAO, 04/6240 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
WAO-schatting.
Uitspraak
04/6239 WAO, 04/6240 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2004, 02/3481 en 03/3550 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 18 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. E.J.S. van Daatselaar. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. D. Lala, kantoorgenoot van mr. Dayala.
II. OVERWEGINGEN
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) terecht heeft berekend op 35 tot 45%. In geding is de arbeidskundige grondslag van het besluit op bezwaar van 12 augustus 2004 (besluit 1), waarbij de aan betrokkene met ingang van 25 februari 2002 toegekende WAO-uitkering nader is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
35 tot 45%, en van het besluit op bezwaar van 2 juli 2003 (besluit 2), waarbij die uitkering ook per 26 november 2002 op dit percentage is vastgesteld.
De rechtbank heeft in beide gevallen geen aanleiding gezien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven medische beperkingen van betrokkene voor onjuist te houden. Met betrekking tot de aan de schattingen ten grondslag gelegde functies was de rechtbank evenwel van oordeel dat appellant niet heeft voldaan aan de door de rechtbank geformuleerde eisen ten aanzien van de motivering van zogeheten signaleringen en niet-matchende punten. Dit oordeel heeft de rechtbank tot de conclusie geleid dat de besluiten 1 en 2 niet op voldoende zorgvuldige wijze zijn voorbereid en een voldoende draagkrachtige motivering ontberen. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de besluiten 1 en 2 vernietigd, met beslissingen over vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN: AR4716 en volgende, waarin de Raad heeft uiteengezet aan welke motiveringseisen een besluit op bezwaar dat voor 1 juli 2005 met toepassing van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem is genomen dient te voldoen. De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 oktober 2004 heeft overgelegd en naar aanleiding van een vraag van de Raad een nader rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 juli 2006 heeft ingezonden, dat is mede-ondertekend door de bezwaarverzekeringsarts. Op grond van die rapporten, in samenhang bezien met de overige gedingstukken, is de Raad van oordeel dat de besluiten 1 en 2 thans van een toereikende motivering zijn voorzien. Gelet op de beperkingen zoals die zijn geformuleerd voor hoofdbewegingen maken en het hoofd in een bepaalde stand houden, acht de Raad het aannemelijk dat de belasting die verbonden is met de betrokkene voorgehouden functies de belastbaarheid van betrokkene, zoals omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst, niet overschrijdt. Daarbij merkt de Raad op dat de aangegeven beperking “kan het hoofd niet of nauwelijks zijwaarts draaien” ruimte laat voor enige zijwaartse hoofdbeweging. Betrokkene heeft zijn standpunt dat met de uitoefening van de geduide functies zijn belastbaarheid zou worden overschreden, niet nader geadstrueerd. De Raad ziet alles overziende geen grond een of meer van de aan beide schattingen ten grondslag liggende functies voor te belastend te houden. De arbeidskundige grondslag van de schattingen stuit ook overigens niet op bezwaren.
Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, zal bevestigen, echter met instandlating van de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten 1 en 2.
De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen in de door betrokkene in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 12 augustus 2004 en van 2 juli 2003 geheel in stand blijven;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.J. Janssen.