
Jurisprudentie
AZ0889
Datum uitspraak2006-10-10
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6363 WWB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6363 WWB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Arbeidsongeschiktheid. Ontheffing van verplichting gericht op inschakeling in arbeidsproces.
Uitspraak
05/6363 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 september 2005, 05/518 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort (hierna: College)
Datum uitspraak: 10 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 29 augustus 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 5 juli 2004 heeft het College de aan appellant tot 1 augustus 2004 verleende ontheffing van de verplichtingen gericht op de inschakeling in de arbeid, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw), ingaande
1 augustus 2004 ingetrokken.
Bij besluit van 24 januari 2005 heeft het College het tegen het besluit van 5 juli 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 januari 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft daarbij aangevoerd dat de aan de besluitvorming ten grondslag liggende medische rapporten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat hij meer medische beperkingen heeft dan waarmee rekening is gehouden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 107, eerste lid, van de Abw, dat als gevolg van de gefaseerde invoering van de Wet werk en bijstand ten tijde hier in geding nog van toepassing was, is het College bevoegd verplichtingen, gericht op de inschakeling in de arbeid, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw, niet op te leggen, dan wel van zodanige verplichtingen tijdelijke ontheffing te verlenen in gevallen waarin daartoe naar zijn oordeel aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand. Uit de tekst van deze bepaling, in samenhang bezien met hetgeen overigens in hoofdstuk VIII van de Abw is bepaald omtrent de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening, leidt de Raad af dat deze bevoegdheid beperkt is en dat een ontheffing voor onbepaalde tijd niet aan de orde is. De bijstandsverlening is er immers op gericht om degenen die daartoe in staat zijn, te stimuleren om betaald werk te vinden en dat voor degenen die dat nog niet kunnen, wordt gezocht naar mogelijkheden om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Mede gelet op de in artikel 13, eerste en tweede lid, van de Abw neergelegde opdracht aan het College tot afstemming van aan de bijstand verbonden verplichtingen zal bij (her)onderzoeken dan ook periodiek moeten worden bezien of, en in hoeverre, er aanleiding is om tot arbeidsinschakeling strekkende verplichtingen (opnieuw) aan de bijstand te verbinden of om voor een bepaalde periode verleende ontheffingen van deze verplichtingen voort te zetten, in te trekken of te wijzigen.
Met de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het College zijn besluitvorming niet heeft kunnen baseren op het rapport van de verzekeringsarts J. Kuckelkorn (hierna: verzekeringsarts) van 14 april 2004, aangevuld bij rapport van 25 oktober 2004. Het is de Raad niet gebleken dat deze rapporten wat de wijze van totstandkoming of de inhoud ervan betreft niet deugdelijk zouden zijn. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de verzekeringsarts de door de reumatoloog in juli 2004 vastgestelde artrose bij zijn beoordeling heeft betrokken en hij appellant geschikt acht voor werkzaamheden, rekening houdend met zijn beperkingen ten gevolge van de artrose. De Raad tekent hierbij nog aan dat medische beperkingen op zich niet noodzakelijkerwijs hoeven te leiden tot volledige arbeidsongeschiktheid, maar dat van doorslaggevende betekenis is of met inachtneming van deze beperkingen nog enige arbeid mogelijk is.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat voor het benoemen van een deskundige, zoals door appellant is verzocht, geen grond bestaat.
De Raad wijst er tenslotte op dat in dit geding uitsluitend ter beoordeling staat de situatie van appellant op 1 augustus 2004. Indien appellant van mening is dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid in een latere periode, staat het hem vrij bij het College een aanvraag om een - hernieuwde - ontheffing in te dienen.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) M. Pijper.