Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0880

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Alkmaar
Zaaknummers14/810095-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Gevangenisstraf voor medeplegen van een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod.


Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR Parketnummer : 14.810095-06 Datum uitspraak: 18 oktober 2006 BIJ VERSTEK VERKORT VONNIS van de Rechtbank Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het OPENBAAR MINISTERIE tegen: [verdachte], geboren te [geboorte plaats en geboorte datum], wonende te [adres en woonplaats]. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 oktober 2006. De rechtbank heeft kennisgenomen van - de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank - het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal bewezen verklaren; - de verdachte voor het bewezenverklaarde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren; - onttrokken aan het verkeer zal verklaren de inbeslaggenomen goederen: 1 STK plastic zak, inhoudende diverse pillen 1 STK weegapparatuur diverse goederen aangetroffen in het perceel [adres 1] te [plaats], tezamen vormende een productie-inrichting voor synthetische drugs. 1. TENLASTELEGGING Aan de verdachte is onder 1 en 2 ten laste gelegd, dat 1. hij in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen - in een loods aan [adres loods] een tabletteermachine en/of een reactievat met daaraan verbonden een waterstofgasfles en/of twee, althans een of meer waterstofgasfles(sen) en/of een gasfles en/of een of meer jerrycan(s) met (chemische) vloeistof(fen) (geschikt voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA) en/of - in een woning aan de [adres 2] twee, althans een of meer jerrycan(s) met (chemische) vloeistof(fen) (geschikt voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA), voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en); 2. hij op of omstreeks 28 februari 2006 in de gemeente Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - (ongeveer) 32 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine en/of - (ongeveer) 19 pillen en/of (ongeveer) 0,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of - (ongeveer) 1,24 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of - (ongeveer) 2 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA (tenamfetamine), zijnde metamfetamine en/of amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en/of MDMA (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging. 2. BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat 1. hij in de periode van 1 november 2005 tot en met 28 februari 2006 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, van amfetamine en/of MDMA, voor te bereiden en te bevorderen - in een loods aan [adres loods] een tabletteermachine en een reactievat met daaraan verbonden een waterstofgasfles en twee waterstofgasflessen en een gasfles en jerrycans met chemische vloeistoffen geschikt voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA) en - in een woning aan de [adres 2] twee jerrycans met chemische vloeistoffen geschikt voor de vervaardiging van amfetamine en/of MDMA, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededader wisten dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit; 2. hij op 28 februari 2006 in de gemeente Haarlem opzettelijk aanwezig heeft gehad - een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine en - ongeveer 19 pillen van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDA (tenamfetamine) en - ongeveer 1,24 gram materiaal bevattende MDMA en - een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA (tenamfetamine). Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan te worden vrijgesproken. 3. NADERE MOTIVERING De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken blijkt dat verdachte in totaal 53 pillen aanwezig heeft gehad. Niet is gebleken hoeveel pillen de stoffen amfetamine, metamfetamine of tenamfetamine bevatten. De rechtbank komt daarom tot de vermelde bewezenverklaring. 4. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van feit 1.: Medeplegen van een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen voorwerpen en stoffen voor handen heeft, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen dat feit. ten aanzien van feit 2.: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 5. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6. MOTIVERING VAN DE STRAF. De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen: Verdachte en zijn mededader hebben in een loods apparaten ingericht en op het adres [adres 2] materialen verzameld. Deze apparaten en materialen waren bestemd voor de productie van synthetische drugs (te weten Amfetamine, MDA en MDMA). Daarnaast heeft verdachte genoemde synthetische drugs voor handen gehad. Amfetamine, MDA en MDMA zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen waaraan gebruikers verslaafd kunnen raken met alle gevolgen voor de gebruikers en voor de maatschappij van dien. Verdachte heeft kennelijk gehandeld uit persoonlijk winstbejag en zich daarbij niets gelegen laten liggen aan de gevaren voor de gezondheid van gebruikers van deze stoffen en de nadelige gevolgen daarvan voor de maatschappij. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, gedateerd 16 augustus 2006. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een vrijheidsstraf op haar plaats is. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw een dergelijk strafbaar feit te plegen. 7. MOTIVERING VAN DE MAATREGEL De rechtbank overweegt daarbij dat uit de stukken blijkt dat de door de officier van justitie op de beslaglijst vermelde weegapparatuur reeds aan de rechthebbende is teruggegeven en dat daarover dus niet meer behoeft te worden beslist. Met betrekking tot de op de beslaglijst vermelde “goederen aangetroffen in het perceel [adres 1] te [plaats], tezamen vormende een productie-inrichting voor synthetische drugs” blijkt uit de stukken dat uitsluitend over de bovengenoemde “1 STK spuitbus KL: Zwart Sasion CS-Geldoam, 1 STK papier KL: Wit, routebeschrijving Haarlem-Roses centre, 1 STK DS Doos KL: Rood, Vodafone”, nog dient te worden beslist. De rechtbank is van oordeel, dat de inbeslaggenomen voorwerp(en), te weten: - 1 STK plastic zak, inhoudende diverse pillen - 1 STK spuitbus KL: Zwart, Sasion CS-Geldoam - 1 STK papier KL: Wit, routebeschrijving Haarlem-Roses centre - 1 STK DS Doos KL: Rood, Vodafone, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen behoren toe aan de verdachte, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane misdrijven aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven. 8. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2(oud), 10(oud) en 10a(oud) van de Opiumwet. 9. BESLISSING De rechtbank: Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders tenlaste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE vermelde strafbare feiten. Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar. Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 (achttien) maanden. Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien: - de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt. Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Verklaart onttrokken aan het verkeer: - 1 STK plastic zak, inhoudende diverse pillen - 1 STK spuitbus KL: Zwart, Sasion CS-Geldoam - 1 STK papier KL: Wit, routebeschrijving Haarlem-Roses centre - 1 STK DS Doos KL: Rood, Vodafone. Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.J. van Lieshout-Segers, voorzitter, mr. A.J. Dondorp en mr. E.J.M. Tuijp, rechters, in tegenwoordigheid van B.M. Strijd-van den Berg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 oktober 2006. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.