Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0875

Datum uitspraak2006-04-13
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200501261
Statusgepubliceerd


Indicatie

De periode van voorlopige voorzieningen telt niet mee voor de termijn van 15 jaar (r.o. 4.6 e.v.). Er is geen sprake van terugval in het inkomen van de vrouw bij een einde van de alimentatieplicht van de man, nu de vrouw ook daarna een inkomen blijft houden op bijstandsniveau (r.o. 4.9 e.v.).


Uitspraak

WvR 13 april 2006 Rekestenkamer Rekestnummer R200501261 GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH Beschikking In de zaak in hoger beroep van: [X.], wonende te [woonplaats], appellant in principaal appèl, geïntimeerde in incidenteel appèl, de man, procureur mr. R.J.H. van den Dungen, t e g e n [Y.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in principaal appèl, appellante in incidenteel appèl, de vrouw, procureur mr. Ph.C.M. van der Ven. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 7 september 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 5 december 2005, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - primair: te bepalen dat het verzoek van de man tot beëindiging van zijn partneralimentatie-verplichting, althans vermindering van deze verplichting met ingang van 14 september 2004, althans per een door het hof in goede justitie te bepalen datum, alsnog wordt toegewezen; - subsidiair: een termijn vast te stellen voor het voortduren van een (verminderde) alimentatieverplichting met bepaling dat deze termijn na ommekomst daarvan niet meer voor verlenging vatbaar is. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 december 2005, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen voor wat betreft hetgeen door de rechtbank is overwogen ten aanzien van de Wet Limitering Alimentatie en voorts te bepalen dat de man in zijn zelfstandig gedane subsidiaire verzoek, inhoudende het vaststellen van een termijn, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dit verzoek ongegrond en/of onbewezen te verklaren. Tevens heeft de vrouw hierbij incidenteel appèl ingesteld en daarin verzocht de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van hetgeen de vrouw zelfstandig heeft verzocht en opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de beschikking van het hof van 19 juli 2000 aldus wordt gewijzigd dat de man met ingang van 2 november 2004 met een bedrag van € 850,- per maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans het alimentatiebedrag te stellen op een dusdanig bedrag en met ingang van een dusdanig tijdstip als het hof in goede justitie juist acht, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd bevestigd, dat zij haar verzoek ten aanzien van de verlenging van de termijn totdat de man 65 jaar wordt, handhaaft. 2.3. Bij verweerschrift in incidenteel appèl, ingekomen ter griffie op 18 januari 2006, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel appèl dan wel dit ongegrond te verklaren en ten aanzien van de bestreden beschikking conform het door de man bij beroepschrift verzochte, te oordelen. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 maart 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord. 2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroepschrift, het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appèl, en het verweerschrift in incidenteel appèl; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 5 april 2005; - een faxbericht met bijlagen van de procureur van de man van 3 maart 2006. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift en het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appèl. 4. De beoordeling 4.1. Partijen zijn op 5 juli 1968 in de gemeente [gemeenteplaats] met elkaar gehuwd. Het tussen hen gewezen echtscheidingsvonnis van de rechtbank Maastricht van 7 maart 1991 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 21 juni 1991. De door de man te betalen partneralimentatie ten behoeve van de vrouw is bij beschikking van dit hof van 19 juli 2000 laatstelijk vastgesteld op een bedrag van fl. 1.000,- (€ 453,78) per maand. De man betaalt ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2005 € 541,12 per maand. 4.2. De man heeft in eerste aanleg verzocht te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw per datum van indiening van zijn verzoek (15 september 2004) wordt beëindigd. De vrouw heeft hiertegen in eerste aanleg verweer gevoerd en op haar beurt verzocht de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van haar zelfstandig verzoek (3 november 2004) nader vast te stellen op € 850,- per maand. Voorts heeft de vrouw verzocht - voor het geval de onderhoudsplicht beëindigd zou moeten worden – de termijn van de onderhoudsplicht te stellen op de pensioendatum van de man, met de mogelijkheid van verlenging van die termijn. 4.3. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank zowel het verzoek van de man als het zelfstandig verzoek van de vrouw afgewezen. Zowel de man als de vrouw kunnen zich niet verenigen met voornoemde beschikking en komen hiertegen op. 4.4. De grieven van de man zijn gericht tegen: 1. de overweging van de rechtbank dat de termijn van 15 jaar als bedoeld in art. II lid 2 Wet Limitering van Alimentatie na Scheiding (hierna: WLA) begint te lopen vanaf het moment waarop voor het eerst een dergelijke bijdrage is vastgesteld en is verschuldigd geworden voor zover betrekking hebbend op de periode nadat de echtscheiding een feit zal zijn, derhalve vanaf het tijdstip van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (grief 1); 2. de overweging van de rechtbank dat zij thans niet of onvoldoende kan beoordelen of een beëindiging per 21 juni 2006 voor de vrouw van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar zou kunnen worden gevergd (grief 2); 3. de overweging van de rechtbank dat de partner van de man wordt geacht in de kosten van haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, zodat op de man de WWB-norm voor een alleenstaande van toepassing is (grief 3); 4. de overweging van de rechtbank dat de partner van de man wordt geacht de helft van de huur ad € 580,- per maand voor haar rekening te nemen (grief 4); 5. het buiten beschouwing laten door de rechtbank van de advocaatkosten van de man van € 114,- per maand (grief 5); 6. de overweging van de rechtbank dat de door de man opgevoerde aflossing op een doorlopend krediet van € 450,- per maand niet mag prevaleren boven zijn zwaarwegende onderhoudsplicht jegens de vrouw (grief 6); 7. het oordeel van de rechtbank dat de man over voldoende draagkracht beschikt om met € 541,12 per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (grief 7). De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep te kennen gegeven dat zijn verzoek tot vermindering van de door hem te betalen partneralimentatie en de daarmee samenhangende grieven 3 tot en met 7 dienen te worden beschouwd als een voorwaardelijk verzoek en voorwaardelijk ingestelde grieven. Hij wenst dit verzoek en deze grieven enkel te handhaven in het geval het hof het verzoek van de man tot beëindiging van zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw per 15 september 2004 dan wel per 21 juni 2006 niet zou honoreren. 4.5. De grief van de vrouw in incidenteel appèl is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de man draagkracht heeft om met een bedrag van € 541,12 per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Ingangsdatum voor de termijn van limitering 4.6. De man heeft ter toelichting op zijn eerste grief gesteld dat voor de bepaling van de termijn van limitering van de alimentatie van vijftien jaar de periode waarover ingevolge een beschikking voorlopige voorzieningen partneralimentatie is betaald, eveneens meetelt. Hij verwijst daarvoor onder andere naar het arrest van de Hoge Raad van 14 mei 2004, NJ 2004, 395, waaruit naar voren komt dat de datum waarop ingevolge uitspraak of overeenkomst de verplichting tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud een aanvang heeft genomen, beslissend is voor de aanvang van de 15-jaarstermijn van art. II lid 2 WLA. Volgens de man sluit voornoemd arrest van de Hoge Raad niet uit dat de periode waarover bij wege van voorlopige voorziening partneralimentatie is vastgesteld, voor die termijn meetelt. De beschikking van het hof ’s-Gravenhage van 22 oktober 2003 bevestigt het laatste in ieder geval, aldus de man. Het voorgaande betekent naar de mening van de man dat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw dient te eindigen op 15 september 2004, aangezien op deze datum vijftien jaar is verstreken sinds de aanvang van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw op grond van de beschikking voorlopige voorzieningen van juli 1989 (de man betaalde sinds september 1989). 4.7. De vrouw brengt tegen het bovenstaande naar voren dat op grond van art. II lid 2 WLA jo art. 822 lid 1 sub e Rv slechts één conclusie mogelijk is, te weten dat de termijn van vijftien jaar begin te lopen in het geval van een definitieve concretisering van de alimentatieplicht. De periode gedurende welke op grond van een beschikking voorlopige voorzieningen wordt bijgedragen in het levensonderhoud, telt volgens de vrouw derhalve niet mee. 4.8. Het hof overweegt als volgt. Uit de geschiedenis van de WLA blijkt dat de rechtsgrond van alimentatie de nawerking van de wederzijdse verantwoordelijkheid van de echtgenoten binnen het huwelijk is die noodzaakt tot een billijke vereffening van de economische nadelen als gevolg van (verbreking van) dat huwelijk. De verantwoordelijkheid die de alimentatieplichtige door het huwelijk op zich heeft genomen, houdt weliswaar een verplichting in om bij te dragen in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, maar rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van het huwelijk ongelimiteerd blijft bestaan. Art. II lid 2 WLA geeft aan dat voor wat betreft de vóór de inwerkingtreding van de WLA (1 juli 1994) tot stand gekomen onderhoudsverplichtingen in beginsel ná vijftien jaar aan voornoemde verantwoordelijkheid een einde komt. Ingevolge het door de man aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 14 mei 2004, NJ 2004, 395 is inderdaad de datum waarop ingevolge rechterlijke uitspraak of overeenkomst de alimentatieverplichting een aanvang heeft genomen, beslissend voor de bepaling van de ingangsdatum van de termijn van vijftien jaar. De door de man gekozen ingangsdatum van 15 september 1989, zijnde de datum met ingang waarvan hij op grond van voorlopige voorzieningen een onderhoudsbijdrage aan de vrouw heeft betaald, past naar het oordeel van het hof echter niet bij het door de wetgever ingenomen uitgangspunt ter rechtvaardiging van de in duur beperkte onderhoudsverplichting. Gedoeld wordt op de verplichtingen en verantwoordelijkheden van vroegere echtgenoten jegens elkaar, hetgeen tevens naar voren komt in de volledige titel van de WLA (Wet Limitering van Alimentatie na Scheiding). Het gaat derhalve om de definitieve concretisering van de onderhoudsverplichting. De door de man gekozen ingangsdatum heeft betrekking op een periode waarin nog geen sprake is van vroegere c.q. gewezen echtgenoten. De periode van voorlopige voorzieningen bevat immers uitsluitend tijdelijke ordemaatregelen in het kader van de splitsing van de gezamenlijke huishouding. Het voorgaande betekent dat de ingangsdatum van de termijn van limitering 21 juni 1990 is, zijnde de datum waarop op grond van het vonnis van de rechtbank van 7 maart 1990 de definitieve onderhoudsverplichting van de man jegens de man aanvang heeft genomen door inschrijving van dat vonnis in de registers van de burgerlijke stand, en dat deze verplichting van de man niet eerder kan eindigen dan per 21 juni 2006. De eerste grief van de man faalt aldus. Limitering van de partneralimentatie 4.9. De man stelt in zijn tweede grief dat beëindiging van de partneralimentatie niet van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden. Allereerst voert de man daartoe aan dat de beëindiging van zijn onderhoudsplicht geen ingrijpende inkomensachteruitgang aan de zijde van de vrouw tot gevolg heeft. Naar de mening van de man zijn er evenmin andere omstandigheden aanwezig die beëindiging van zijn onderhoudsplicht in de weg staan. Weliswaar heeft het huwelijk van partijen 23 jaar geduurd en is de vrouw thans 58 jaar, echter ten tijde van de echtscheiding was de vrouw 42 jaar oud en had zij geen medische beperkingen, zodat er geen belemmeringen waren voor het vinden van betaald werk in loondienst. Ook de kinderen, die destijds 16 en bijna 9 waren en thans 30 en 23 jaar oud zijn, vormden naar de mening van de man hiervoor geen belemmering. De man voert voorts aan dat de vrouw ermee rekening had kunnen houden dat de partneralimentatie eindig is en dat van haar verwacht had kunnen worden dat zij met het oog hierop zoveel mogelijk inspanningen verrichtte om haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Tenslotte stelt de man dat de vrouw aanspraak heeft gemaakt op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de man en dat de man al die jaren altijd de alimentatie ten behoeve van de vrouw en van de kinderen betaald heeft. 4.10. De vrouw brengt naar voren dat er sprake was van een langlopend, traditioneel huwelijk tussen partijen, waarbij de vrouw altijd voor de kinderen heeft gezorgd, en dat de vrouw niet voldoende schoolopleiding heeft. Daarnaast brengt zij naar voren dat de gehele echtscheidingsprocedure en de nasleep daarvan grote commotie en psychische problemen teweeg heeft gebracht bij haar en de kinderen, hetgeen uiteindelijk in 2001 tot haar arbeidsongeschiktheidsverklaring heeft geleid. De vrouw heeft naar eigen zeggen toch getracht, ook gezien haar sollicitatieverplichting in het kader van de WWB, om betaald werk te vinden, echter dit is niet gelukt. Haar kansen op de arbeidsmarkt zijn volgens haar gering, gelet op haar leeftijd en haar medische beperkingen. Naar de mening van de vrouw blijft bovendien haar behoefte onverkort van kracht. 4.11. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, heeft de WLA tot uitgangspunt dat in beginsel na vijftien jaar een einde komt aan de duur van een langlopende onderhoudsverplichting. Slechts in uitzonderingsgevallen dient de onderhoudsverplichting te blijven voortduren, namelijk in die gevallen waarin beëindiging zo ingrijpend van aard is dat deze in redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde gevergd kan worden. Hierbij gaat het allereerst om een financieel criterium, namelijk de vraag of de beëindiging van de alimentatiebetaling een als onaanvaardbaar te achten inkomensdaling aan de zijde van de alimentatiegerechtigde tot gevolg heeft. Uit de stukken en ter zitting is naar voren gekomen dat de vrouw gedurende de periode van medio 2000 tot 1 september 2004, naast de door de man te betalen partneralimentatie, een aanvullende WWB-uitkering heeft genoten. Deze aanvullende WWB-uitkering is per 1 september 2004 stopgezet, omdat de vrouw een erfenis heeft ontvangen van circa € 37.000,- en zij voor haar levensonderhoud hierop eerst dient in te teren. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij door de gemeente geacht wordt haar inkomen elke maand uit haar vermogen aan te vullen tot het niveau van een WWB-uitkering voor een alleenstaande en dat zij dit nu nog zo’n zes à zeven maanden dient te doen, voordat zij weer in aanmerking kan komen voor een (aanvullende) WWB-uitkering. Haar vermogen uit erfenis bedraagt naar eigen zeggen thans circa € 11.000,-. Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat er feitelijk geen sprake is van een inkomensachteruitgang aan de zijde van de vrouw wanneer de onderhoudsverplichting van de man jegens haar per 21 juni 2006 komt te vervallen. Immers, het inkomen van de vrouw bevindt zich al enige tijd op bijstandsniveau, aangezien de vrouw vanaf 2000 tot 1 september 2004 naast de partneralimentatie van de man een aanvullende WWB-uitkering heeft ontvangen en zij sindsdien elke maand inteert op haar vermogen tot het niveau van de WWB-norm voor een alleenstaande. Indien de alimentatieverplichting van de man per 21 juni 2006 eindigt en de vrouw haar vermogen volledig heeft verteerd, hetgeen eerder het geval zal zijn bij het wegvallen van de partneralimentatie, maakt zij wederom aanspraak op een (maximale) WWB-uitkering. Het hof komt aldus tot de conclusie dat beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw per 21 juni 2006 voor de inkomenspositie van de vrouw niet ingrijpend van aard is (vgl. HR 28 januari 2000, NJ 2000, 391). Evenmin zijn er verdere omstandigheden aanwezig die onmiskenbaar dermate zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwijzing van het beroep op de uitzondering opleveren, dat het hof daaraan niet voorbij kan gaan. De tweede grief van de man slaagt derhalve. Het hof zal het hoger beroep van de man toewijzen met dien verstande dat het hof de onderhoudsverplichting van de man zal beëindigen met ingang van 21 juni 2006. 4.12. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het hof het verzoek van de vrouw om de termijn te verlengen tot de datum waarop de man 65 jaar wordt, afwijst. Draagkracht 4.13. Nu de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw per 21 juni 2006 beëindigd wordt, komt het hof niet meer toe aan de door de man voorwaardelijk ingestelde grieven 3 tot en met 7 ten aanzien van zijn draagkracht. Rest nog de bespreking van de incidentele grief van de vrouw, echter slechts voor wat betreft de periode van 3 november 2004 (datum indiening zelfstandig verzoek van de vrouw in eerste aanleg) tot 21 juni 2006 (datum beëindiging onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw). 4.14. De vrouw stelt in haar incidentele grief dat de man in staat is om een onderhoudsbijdrage ten behoeve van haar te betalen van € 850,- per maand. In dat kader stelt zij allereerst dat de man een erfenis heeft ontvangen waaruit een netto rendement gegenereerd kan worden, hetgeen tot gevolg heeft dat de man een hoger netto besteedbaar inkomen en derhalve ook een hogere draagkracht heeft. Ter zitting heeft de vrouw haar stelling aldus toegelicht dat zij het vermoeden heeft dat de man een schenking heeft ontvangen van zijn moeder, nu deze haar woning verkocht heeft en is verhuisd naar een bejaardentehuis. De vrouw wenst dan ook de aangiften IB van de man van 2004 en 2005 in te zien. Het hof overweegt dat de vrouw haar stelling in het geheel niet onderbouwd heeft, terwijl dit gelet op de gemotiveerde betwisting door de man wel op haar weg gelegen had. Daar komt nog bij dat het hof bekend is met het feit dat de man met een toevoeging procedeert, op grond waarvan aangenomen mag worden dat de man geen vermogen heeft. Immers, indien hij wel vermogen had gehad, zou hij niet in aanmerking gekomen zijn voor een toevoeging. Het hof acht het in dat verband niet nodig dat de man alsnog zijn aangiften IB overlegt. 4.15. Voorts stelt de vrouw dat de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man ten onrechte rekening heeft gehouden met een premie voor pensioenvoorzieningen van € 45,- per maand. Het hof neemt in aanmerking dat het hof reeds in zijn beschikking van 19 juli 2000 bij de bepaling van de draagkracht van de man aan de lastenzijde voornoemde premie heeft meegenomen. Wat er ook zij van de redenen die het hof destijds had voor het meenemen van deze post, het kan in redelijkheid niet zo zijn dat enkel ten behoeve van de verhoging van de door de man te betalen partneralimentatie thans geen rekening meer gehouden dient te worden met deze post. 4.16. Tenslotte is de vrouw van mening dat de door de rechtbank in aanmerking genomen bijkomende ziektekosten in verband met de longaandoening van de man van € 50,- per maand alsnog buiten beschouwing gelaten dienen te worden. Het hof acht het echter voldoende aannemelijk dat de man deze kosten daadwerkelijk elke maand maakt, dit gelet op de door hem overgelegde stukken ten aanzien van zijn ziektebeeld en gezien het feit dat de vrouw niet betwist heeft dat de man lijdt aan een longaandoening. 4.17. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het hof geen aanleiding om de door de rechtbank in aanmerking genomen en door de vrouw betwiste lasten alsnog buiten beschouwing te laten. Nu verder geen grieven zijn gericht tegen het door de rechtbank in aanmerking genomen inkomen van de man en de overige door de rechtbank meegenomen lasten, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de man niet in staat is om een hoger bedrag dan de thans geldende partneralimentatie aan de vrouw te voldoen. Het incidentele appèl van de vrouw dient derhalve te worden afgewezen. Proceskosten. 4.18. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn. 5. De beslissing Het hof: in principaal appèl: vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Maastricht van 7 september 2005 voorzover daarbij het verzoek van de man tot beëindiging van zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw is afgewezen; en in zoverre opnieuw rechtdoende: beëindigt met ingang van 21 juni 2006 de verplichting van de man tot het betalen van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders door de man verzochte; in incidenteel appèl: wijst af het verzoek van de vrouw om de beschikking van het hof van 19 juli 2000 aldus te wijzigen dat de daarbij aan de man opgelegde partneralimentatie met ingang van 2 november 2004 nader wordt vastgesteld op € 850,- per maand; wijst voorts af het verzoek van de vrouw tot verlenging van de termijn gedurende welke de man een bijdrage in haar levensonderhoud moet betalen tot de datum waarop de man 65 jaar zal worden; wijst af het overigens door de vrouw verzochte; in principaal en incidenteel appèl: bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank voor het overige; compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-Van der Weijden, Philips en Van der Linden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 april 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.