
Jurisprudentie
AZ0868
Datum uitspraak2006-05-23
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC200500372-MA
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC200500372-MA
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen eis in reconventie in hoger beroep. Nadere verdeling van de reeds ontbonden huwelijksgoederengemeenschap in verband met een vergeten goed.
Uitspraak
rolnr. C0500372/MA
ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,
zevende kamer, van 23 mei 2006,
gewezen in de zaak van:
[X.],
wonende te [woonplaats],
appellant bij exploot van dagvaarding van 24 februari 2005,
procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,
tegen:
[Y.],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde bij gemeld exploot,
procureur: mr. E.H.H. Schelhaes,
op het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 17 januari 2002 en 24 november 2004 tussen appellant – de man - als gedaagde en geïntimeerde – de vrouw - als eiseres.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 63063/HA ZA 01-75)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het eerdere tussenvonnis van 12 juli 2001.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij memorie van grieven heeft de man vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep. Tevens heeft de man gevorderd:
vernietiging van het convenant van 15 september 1993;
vaststelling van de nadere verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, welke is ontbonden per 5 juli 1995;
veroordeling van de vrouw om aan de man te betalen 100% van de aan haar met terugwerkende kracht betaalde WUBO-uitkering voor zover in de huwelijksgoederengemeenschap gevallen, zijnde de somma van € 28.666,20, subsidiair
€ 13.138,68, meer subsidiair 50% van € 28.666,20 respectievelijk € 13.138,68 dan wel een door het gerechtshof vast te stellen bedrag.
2.2. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden en producties overgelegd.
2.3. De man heeft een akte genomen.
2.4. De vrouw heeft een antwoordakte genomen.
2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.
3. De gronden van het hoger beroep
Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.
4. De beoordeling
4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.
4.1.1. Partijen zijn op 9 november 1955 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
4.1.2. Op 15 september 1993 hebben partijen een echtscheidingsconvenant getekend. Artikel 2 houdt in dat als peildatum voor de omvang van de gemeenschap van partijen geldt 3 september 1993 en dat als peildatum voor de waardering van de goederen van de gemeenschap geldt de dag van ondertekening van het convenant (15 september 1993).
4.1.3. Artikel 3 van het convenant luidt als volgt:
"3.1. Aan de man worden toegescheiden de activa en passiva zoals vermeld in bijlage 1.
3.2. Aan de vrouw worden alle overige activa en passiva toegescheiden.
(…)
3.4. Alle baten en lasten opgekomen na 3 september 1993 worden toegescheiden aan c.q. komen voor rekening van degene die ze betreffen (…)".
4.1.4. Het huwelijk is op 5 juli 1995 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 juni 1995 in de registers van de burgerlijke stand.
4.1.5. Bij vonnis van 19 maart 1998 (no. 28162 van de rol van 1997) heeft de rechtbank Maastricht de vordering van de man voor recht te verklaren dat de verdeling van de gemeenschappelijke boedel in het echtscheidingsconvenant een niet uitputtende regeling bevat, primair zelf de verdeling vast te stellen, subsidiair de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van de WUBO-uitkering over de periode van 1 januari 1991 tot en met 5 juli 1995 en meer subsidiair over de periode van 1 januari 1991 tot en met 15 september 1993, afgewezen. Bij arrest van 31 mei 2000 (rolnr. C9800831) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dit vonnis bekrachtigd.
4.1.6. Bij inleidende dagvaarding van 28 december 2000 heeft de vrouw tegen de man een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Maastricht en veroordeling van de man gevorderd tot betaling van de somma van f. 4.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente. De vrouw heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat in de tussen partijen tot stand gekomen boedelverdeling niet is betrokken een polis van Stad Rotterdam Verzekeringen. Ingevolge deze polis is op 3 maart 1999 aan de man een bedrag van f. 4.000,-- uitgekeerd. Volgens de vrouw komt op grond van het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW het gehele bedrag uit de levensverzekering aan haar toe, aangezien de man opzettelijk deze tot de huwelijksgemeenschap behorende polis heeft verzwegen of verborgen gehouden, zodat hij zijn aandeel in de waarde van die polis aan de vrouw verbeurt.
4.1.7. Vervolgens heeft de man in een incident de onbevoegdheid van de rechtbank en de niet-ontvankelijkheid van de vrouw ingeroepen en tevens geconcludeerd voor antwoord in de hoofdzaak. Bij tussenvonnis van 12 juli 2001 heeft de rechtbank de incidentele vorderingen van de man afgewezen en in de hoofdzaak de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rol verwezen om voort te procederen.
Bij tussenvonnis van 17 januari 2002 heeft de rechtbank de man in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de vrouw bekend was met het bestaan van de bij Stad Rotterdam afgesloten levensverzekering op het moment dat partijen het echtscheidingsconvenant hebben gesloten en dat zij ermee akkoord was dat de uitkering uit de levensverzekering-polis aan de man zou worden toebedeeld. Voorts heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"2.3
…
In dit geding voert de man daartoe andermaal aan dat de vrouw die uitkering, die zij sinds 1991 heeft genoten en uit hoofde waarvan zij minimaal de somma van f. 78.965,-- heeft ontvangen, voor hem heeft verzwegen bij het opstellen van het convenant.
In deze procedure stelt de man te dien aanzien, dat, nu het hierin gaat om een verdeling van vergeten posten, die vordering in deze door de vrouw aanhangig gemaakte procedure ingebracht en behandeld kan worden en – subsidiair - dat, nu hij door toedoen van de vrouw omtrent dat vermogensbestanddeel heeft gedwaald en daardoor bij de scheiding en deling voor meer dan ¼ deel is benadeeld, de vrouw gehouden is de man de somma van fl. 39.482,50 te voldoen, dan wel zoveel meer of minder als uit een deugdelijke opgave blijkt wat die uitkering tot en met mei 1993 is geweest.
…
2.5.
De onder 2.3. verwoorde vordering van de man heeft de man, volgens eigen zeggen getracht bij wijze van reconventionele vordering in dit geding aanhangig te maken, nadat in het incident was beslist en de vrouw had gerepliceerd. De rolrechter heeft dit niet toegestaan.
De rechtbank zal de man in deze vordering niet ontvankelijk verklaren.
Nog daargelaten dat in twee instanties omtrent deze vordering al onherroepelijk is beslist, niet gesteld of gebleken is immers dat de man cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het hof, moet ook de stelling van de man dat hij bij het opstellen van het convenant niet heeft geweten dat de vrouw een WUBO-uitkering genoot worden verworpen, nu te dien aanzien in het door het hof bekrachtigde – ook door de man zelf overgelegde - vonnis van 19 maart 1998 (dat dus ook kracht van gewijsde heeft) onder 4 is overwogen dat `uit de stellingen van de man blijkt dat hij ten tijde van het ondertekenen van het convenant wetenschap had van de aan de vrouw toekomende WUBO-uitkering, die in 1991 was aangevraagd …)´. Nu ook de subsidiair ten gunste van de vordering van de man aangevoerde gronden (dwaling en benadeling voor meer dan ¼ deel) onder meer al op grond van het bepaalde in artikel 3:200 BW geen hout kunnen snijden, kan de man, zoals hierboven reeds gesteld, in zijn vordering niet ontvangen worden."
4.1.8. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussenvonnissen van 12 juli 2001 en 17 januari 2002. Bij arrest van 14 oktober 2003 (rolnr. C0200270) heeft het hof de man niet ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen bedoelde vonnissen.
4.1.9. Bij eindvonnis van 24 november 2004 heeft de rechtbank de man veroordeeld aan de vrouw te betalen een bedrag van € 1.452,10, vermeerderd met de wettelijke rente over € 907,56 (f. 2.000,--) vanaf 3 mei 2000 en over € 544,54 vanaf 12 december 2000, telkens tot de dag der algehele voldoening en het meer of anders gevorderde afgewezen.
4.2. Met grief 1 komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis van 17 januari 2002 dat het de man niet meer is toegestaan op te komen tegen de verdeling van de WUBO-uitkering.
4.2.1. Grief 2 bevat de klacht dat de rechtbank in het tussenvonnis van 17 januari 2002 ten onrechte heeft bepaald dat de man in zijn vordering niet ontvankelijk is omdat deze ingevolge het bepaalde in artikel 3:200 BW verjaard is.
4.2.2. Het hof overweegt hierover als volgt.
In de inleidende dagvaarding van het hoger beroep heeft de man geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw in eerste instantie en daarenboven gevorderd zoals hiervoor onder rov. 2.1 weergegeven.
4.2.3. Uit de door de man overgelegde stukken uit de procedure in eerste aanleg leidt het hof af dat de man geen eis in reconventie heeft ingesteld bijvoorbeeld tot vernietiging van het echtscheidingsconvenant van 15 september 1993, de vaststelling van de nadere verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en de veroordeling van de vrouw om aan de man (een deel) van de WUBO-uitkering te betalen. Een door de man bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie ingestelde vordering in reconventie d.d. 16 augustus 2001 is door de rolrechter geweigerd, naar het hof aanneemt omdat de man op de rolzitting van 19 april 2001 bij de door hem genomen conclusie van eis in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid en niet ontvankelijkheid tevens conclusie van antwoord reeds voor antwoord in de hoofdzaak had geconcludeerd, zonder daarbij tegelijkertijd een eis in reconventie in te stellen. Deze conclusie, die zich in het door de man aan het hof overgelegde procesdossier bevindt, bevat de handgeschreven aantekening "Deze conclusie is door rechtbank geweigerd". Voorts blijkt uit een door de man overgelegd uittreksel uit het audiëntieblad van de rolzitting van 16 augustus 2001 dat de vrouw stond voor repliek. Op deze rolzitting heeft de vrouw een conclusie van repliek genomen. Naar zeggen van de man heeft hij vervolgens, nadat de rechtbank bij tussenvonnis van 12 juli 2001 had beslist op het door de man aanhangig gemaakte onbevoegdheid- en niet-ontvankelijkheidincident en nadat de vrouw had gerepliceerd, nog getracht een eis in reconventie in te stellen, hetgeen de rolrechter niet heeft toegestaan. In de door de man genomen conclusie van dupliek heeft de man (wederom) primair de verdeling gevorderd van de niet verdeelde bestanddelen van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd en met name de WUBO-uitkering tot en met 15 september 1993, alsmede de partiële nietigheid van het convenant voor zover het voornoemde uitkering betreft, en voorts dat de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van de somma van f. 39.482,50 of zoveel minder als uit een deugdelijke opgave blijkt dat die uitkering tot en met 1993 bedraagt, te vermeerderen met wettelijke rente.
In de hiervoor aangehaald passage uit het tussenvonnis van 17 januari 2002 heeft de rechtbank overwogen de man in zijn vorderingen niet kan worden ontvangen.
4.2.4. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de man ook in hoger beroep vernietiging van het convenant van 15 september 1993 gevorderd alsmede vaststelling van de nadere verdeling van de per 15 juli 1995 ontbonden huwelijksgoederen- gemeenschap en veroordeling van de vrouw tot betaling van de WUBO-uitkering voor zover in de huwelijksgoederen- gemeenschap gevallen, zijnde de somma van € 28.666,20, subsidiair € 13.138,68, meer subsidiair 50% van € 28.666,20 respectievelijk € 13.138,68 dan wel een door het gerechtshof vast te stellen bedrag.
Ingevolge het bepaalde in de slotwoorden van artikel 353 lid 1 Rv is het in hoger beroep niet mogelijk een eis in reconventie in te stellen. Voor zover het door de man ingestelde hoger beroep is gericht op toewijzing van de vorderingen tot vernietiging van het tussen partijen tot stand gekomen echtscheidingsconvenant en nadere vaststelling van de tussen partijen tot stand gekomen verdeling kan de man in zijn – voor het eerst in hoger beroep ingestelde - vorderingen niet worden ontvangen. De omstandigheid dat de man in eerste aanleg tevergeefs heeft geprobeerd een eis in reconventie in te stellen maakt dit niet anders. De grieven 1 en 2 falen mitsdien.
4.3. Grief 3 bevat de klacht dat de rechtbank in het tussenvonnis van 17 januari 2002 heeft bepaald dat de man dient te bewijzen dat de vrouw bekend was met het bestaan van de levensverzekering op het moment dat partijen het echtscheidingsconvenant hebben gesloten en dat de vrouw ermee akkoord was dat de uitkering aan de man zou worden toebedeeld.
Met grief 4 komt de man op tegen de overweging van de rechtbank in het beroepen eindvonnis dat de man kennelijk opzettelijk het bestaan van de levensverzekering heeft verzwegen en dat de vrouw op grond van artikel 3:194 lid 2 BW recht heeft op de gehele uitkering.
4.3.1. Het hof zal deze grieven tezamen bespreken.
Bij de inleidende dagvaarding heeft de vrouw gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van f. 4.000,-- (€ 1.815,12). Zoals in rov. 4.1.6. is overwogen heeft de vrouw aan haar vordering ten grondslag gelegd dat in de tussen partijen tot stand gekomen boedelverdeling niet is betrokken een levensverzekering van Stad Rotterdam Verzekeringen en dat uit hoofde van deze levensverzekering op 3 maart 1999 aan de man een bedrag van f. 4.000,-- is uitgekeerd. Volgens de vrouw komt, gelet op het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW, het gehele bedrag uit de levensverzekering aan haar toe, aangezien de man bij de totstandkoming van het convenant opzettelijk deze tot de huwelijksgemeenschap behorende polis heeft verzwegen of verborgen gehouden, zodat hij zijn aandeel in de waarde van die polis aan de vrouw verbeurt.
4.3.2. De man heeft erkend dat hij op 3 maart 1999 van Stad Rotterdam een uitkering uit de levensverzekering ten bedrage van f. 4.000,-- heeft ontvangen, doch hij heeft bestreden dat de vrouw van de levensverzekering niet op de hoogte was en dat hij bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant deze polis voor haar heeft verzwegen. De man heeft daarbij aangevoerd dat de vrouw op de hoogte was van de uitkering uit hoofde van de levensverzekeringspolis, dat zij ermee akkoord is gegaan dat de uitkering uit de polis aan de man zou worden toebedeeld en dat uit een brief van de vrouw aan de advocaat van 6 augustus 1994 blijkt dat zij van de levensverzekering op de hoogte was. De man heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden.
4.3.3. De vrouw beroept zich op opzettelijke verzwijging. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op haar de bewijslast van deze stelling. Het kan immers zo zijn dat beide partijen zijn vergeten om de polis in het convenant te betrekken. Ten onrechte heeft de rechtbank de man belast met het bewijs van zijn verweer.
Uit de stellingen van de vrouw en de door haar overgelegde stukken kan het bewijs niet worden afgeleid. In hoger beroep heeft de vrouw geen bewijs aangeboden. Derhalve is niet komen vast te staan dat de man de polis met opzet voor de vrouw heeft verzwegen of verborgen gehouden.
4.4. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de grieven 3 en 4 slagen. Dat brengt mee dat het tussenvonnis van 17 januari 2002 zal worden vernietigd.
Het bestreden eindvonnis wordt eveneens vernietigd. Hierover overweegt het hof als volgt. In rov. 2.4 van dit vonnis heeft de rechtbank vanwege de omstandigheid dat de looptijd van de verzekering op 15 september 1993 voor 4/5 deel was verstreken de waarde van de polis op dat moment vastgesteld op f. 3.200,--, zijnde € 1.452,10. Nu de vrouw daartegen (dat wil zeggen: tegen de afwijzing van haar vordering voor het verschil tussen f. 4.000,-- en f. 3.200,--) niet incidenteel heeft geappelleerd zal ook het hof hiervan uitgaan en de man veroordelen tot betaling aan de vrouw van de helft van voormeld bedrag, zijnde
€ 726,05, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2000.
4.5. Nu partijen ex-echtgenoten zijn zullen de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep worden gecompenseerd. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de taxe van de getuige Vliegen dient te worden bepaald op een totaal van € 320,--.
5. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het tussenvonnis van 17 februari 2002;
vernietigt het eindvonnis van 24 november 2004 en, opnieuw rechtdoende:
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van de somma van € 726,05, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2000;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, zowel in hoger beroep als in eerste aanleg;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 23 mei 2006.