Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0864

Datum uitspraak2006-06-20
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
ZaaknummersBK-05/00636
Statusgepubliceerd


Indicatie

Belanghebbende kan geen recht doen gelden op de gecombineerde heffingskorting als bedoeld in art. 8.9 van de Wet IB 2001. De echtgenoot, die uitsluitend in Belgie werkzaam is, is in Nederland geen gecombineerde inkomensheffing verschuldigd. Geen strijd met IVBPR, EVRM of EG-recht.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE eerste meervoudige belastingkamer 20 juni 2006 nummer BK-05/00636 UITSPRAAK gewezen op het hoger beroep van X te Z tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 september 2005, nummer AWB 05/2072, betreffende na te melden door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/P, aan belanghebbende opgelegde aanslag. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor de rechtbank 1.1. Met dagtekening 18 februari 2005 is aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van nihil. 1.2. De tegen de aanslag gerichte bezwaren van belanghebbende zijn door de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar van 11 maart 2005 afgewezen. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank 's-Gravenhage. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 2. Geding in hoger beroep 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 103. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het gerechtshof van 28 februari 2006, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. 3. Vaststaande feiten 3.1. Belanghebbende is het gehele jaar 2002 gehuwd met Y (hierna: de echtgenoot). Het echtpaar woont in A. Belanghebbende heeft in het jaar 2002 geen inkomsten genoten. De echtgenoot van belanghebbende was in 2002 als chauffeur werkzaam voor een in België gevestigd transportbedrijf en heeft in dat jaar uit die dienstbetrekking inkomsten genoten. 3.2. De echtgenoot is in Nederland niet verzekerd voor de volksverzekeringen. Hij is uitsluitend onderworpen aan de sociale verzekeringswetgeving van België. Voor wat betreft de belastingheffing is de zogenoemde grensarbeidersregeling niet op hem van toepassing. 3.3. Op 29 april 2002 heeft de Inspecteur voor het jaar 2002 aan belanghebbende op haar verzoek een voorlopige teruggaaf van de gecombineerde heffingskorting verstrekt van € 150 aan inkomstenbelasting en € 1.497 aan premieheffing volksverzekeringen, in totaal € 1.647. 3.4. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2002 heeft de echtgenoot een belastbaar inkomen uit werk en woning vermeld van € 16.581. De daarover verschuldigde inkomstenbelasting zou € 557 bedragen voor toepassing van een algemene heffingskorting van € 151 en een arbeidskorting van € 103, in totaal € 254. Voor het bedrag van € 557 is bij het vaststellen van de aanslag voor dat jaar op de voet van artikel 24, lid 2, van de overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, gesloten te Brussel op 19 oktober 1970 (hierna: het verdrag) voorkoming van dubbele belasting verleend. Het belastingbedrag bij de echtgenoot is daardoor op nihil vastgesteld en er is, aangezien hij geen belasting verschuldigd is, geen gecombineerde heffingskorting toegepast. 3.5. Op 18 februari 2005 is bij de in 1.1 vermelde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen de hiervoor in 3.3 genoemde voorlopige teruggaaf van de gecombineerde heffingskorting teruggenomen. De aanslag bedraagt € 150 voor het inkomstenbelastingdeel en € 1.497 voor de premieheffing volksverzekeringen. Voorts is een bedrag van € 113 aan heffingsrente in rekening gebracht. 4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen 4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. 4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken. 5. Beoordeling van het hoger beroep 5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende zelf geen inkomen heeft genoten en dat zij geen recht heeft op de gecombineerde heffingskorting. Voorts is niet in geschil dat belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 8.9, leden 1 en 2, in verbinding met artikel 8.1 van de Wet IB 2001 ook geen recht kan doen gelden op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting. De echtgenoot is immers geen gecombineerde inkomensheffing verschuldigd. Hij heeft voorts geen recht op de gecombineerde heffingskorting, nu hij in Nederland, na verrekening van de tegemoetkoming voor dubbele belasting, geen inkomstenbelasting is verschuldigd en in Nederland niet aan de heffing van premies volksverzekeringen is onderworpen. 5.2. Belanghebbende stelt dat zij van de onder 5.1 genoemde wetgeving indirect nadeel ondervindt. Zij heeft aangevoerd dat zij wordt gediscrimineerd ten opzichte van andere belastingplichtigen – doorgaans echtgenotes - die evenals zij geen inkomen genieten maar, doordat hun echtgenoten inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking in Nederland genieten, wel recht hebben op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting. 5.3. De Inspecteur heeft daartegen aangevoerd dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen, dat de regeling van de verhoging van de gecombineerde heffingskorting uitdrukkelijk niet is bedoeld om belastingplichtigen een basisinkomen te verschaffen onafhankelijk van de gecombineerde inkomensheffing van de partner en voorts dat de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting verleend wordt tot de verschuldigde belasting nihil bedraagt. 5.4. Ten aanzien van het gedeelte van de heffingskorting dat betrekking heeft op de belasting (€ 150) overweegt het Hof het volgende. 5.5. Voor zover belanghebbende bedoelt een beroep te doen op de artikelen 26 IVBPR en 14 EVRM heeft het volgende te gelden. Op fiscaal gebied komt aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46 757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398*). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27 793/95, zaak M.A. en 34 anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2). Vergelijk HR 8 juli 2005, nr. 39.870, BNB 2005/310c*. Het Hof zal hierna nagaan of daarvan sprake is. 5.6. De wetgever heeft om praktische redenen ervoor gekozen de vermindering van inkomstenbelasting ter voorkoming van dubbele belasting te laten voorgaan op de vermindering van de belasting met – meestal het belastingdeel van - de heffingskorting. Aldus wordt bereikt dat de gehele heffingskorting intact blijft en – voor zover aanwezig - kan worden toegerekend aan het binnenlandse inkomen. Is dat binnenlandse inkomen niet aanwezig – zoals in dit geval - dan bestaat ook geen recht op vermindering met heffingskorting. Het Hof wijst daarbij op de hierna vermelde passage uit de parlementaire geschiedenis. “De aldus berekende voorkomingsbedragen komen in mindering op de in totaal volgens de nationale wetgeving verschuldigde inkomstenbelasting. Op basis van het na die vermindering nog verschuldigde belastingbedrag wordt vervolgens de regeling inzake de heffingskorting toegepast. (…) Verdient een belastingplichtige bijvoorbeeld zijn gehele arbeidsinkomen in het buitenland, dan wordt voor het totale verschuldigde belastingbedrag daarvan voorkoming verleend. Heeft de belastingplichtige geen overige inkomsten, dan resteert na voorkoming geen te betalen belastingbedrag. Vermindering met het belastingdeel van de heffingskorting is dan niet meer aan de orde.” Veegwet Wet IB 2001, Kamerstukken II, 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 39-40. 5.7. Uitdrukkelijk is bedoeld het bedrag aan inkomstenbelasting waarvoor een vermindering wordt verkregen op grond van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, geen deel te laten uitmaken van de gecombineerde inkomensheffing zoals gedefinieerd in onderdeel b, van artikel 8.1, Wet IB 2001. Daartoe verwijst het Hof naar de hierna vermelde passage uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling. “Hiermee wordt bereikt dat uitbetaling van de heffingskorting aan de minstverdienende partner eerst aan de orde komt indien de andere partner ook na de toepassing van de regelen ter voorkoming van dubbele belasting nog voldoende inkomensheffing verschuldigd is.” MvT, Kamerstukken II, 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 73-74. en “De heffingskorting wordt in beginsel alleen verleend aan een persoon voorzover hij daadwerkelijk belasting en specifieke premie volksverzekeringen betaalt. Hierop wordt een uitzondering gemaakt ingeval van een niet-verdienende, maar wel voor de Nederlandse volksverzekeringen verzekerde partner. Deze inbreuk is zodanig dat gesteld kan worden dat in die omstandigheden de heffingskorting een instrument is om de subjectieve draagkracht op “gezinsniveau” te beïnvloeden.” MvT, Kamerstukken II, 2000/01, 27 466, nr. 3, blz. 74-75. 5.8. Deze beïnvloeding strekt er echter niet toe die subjectieve draagkracht te vergroten onafhankelijk van de hoogte van de gecombineerde inkomensheffing van de partner en is beperkt tot maximaal het bedrag van de door de meestverdienende partner verschuldigde belasting en premie voor de volksverzekeringen. Vergelijk Wet IB 2001, MvT, Kamerstukken II, 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 284. De wetgever heeft mitsdien niet beoogd aan de niet-verdienende partner een zelfstandig recht op een basisinkomen te garanderen. 5.9. Gelet op de hiervoor onder 5.5 genoemde ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever en het onder 5.6 tot en met 5.8 overwogene kan niet worden gezegd dat de in artikel 8.9, lid 2, van de Wet IB 2001 vervatte regeling een redelijke grondslag mist. Daarbij heeft het Hof tevens het volgende in aanmerking genomen. In het geval de wetgever er niet voor had gekozen eerst de voorkoming van dubbele belasting te verrekenen, maar eerst heffingskorting toe te kennen aan de echtgenoot van belanghebbende, hij in Nederland evenredig minder voorkoming van dubbele belasting had kunnen genieten. Zoals hiervoren is uiteengezet wordt de heffingskorting uitsluitend uitbetaald bij een verschuldigd bedrag aan inkomstenbelasting. 5.10. Voorzover belanghebbende tevens heeft bedoeld een beroep te doen op de artikelen 18 en 39 EG geldt het volgende. Belanghebbende zelf is geen werknemer en maakt geen gebruik van het recht van vrij verkeer van werknemers of personen binnen de EU. Aangezien het recht op verhoging van de heffingskorting van de partner een afgeleide is van het recht van de echtgenoot en deze wel gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer en dit indirect ook belanghebbende raakt, zal het Hof hierna nagaan of ten aanzien van de echtgenoot sprake is van schending van het recht van vrij verkeer. Vergelijk HvJ EG 12 juli 2005, C-403/03, (Schempp), BNB 2005/342c*. 5.11. De betrokken nationale regeling belemmert belanghebbende en de echtgenoot in geen enkel opzicht in de uitoefening van hun in artikel 18, lid 1, EG neergelegde recht om als burger van de EU in andere lidstaten te reizen en te verblijven. Verder biedt het EG-verdrag een burger van de EU niet de garantie dat de overbrenging van zijn werkzaamheden naar een andere lidstaat dan die waarin hij tot dan verbleef, fiscaal neutraal verloopt. Nu, gelet op het onder 5.9 overwogene, voorts niet is komen vast te staan dat de echtgenoot (een deel van) het profijt van de heffingskorting te kort komt, is, naar het Hof uit het arrest van het HvJ EG van 12 december 2002, C-385/00, (De Groot), BNB 2003/182c* afleidt, in dit geval een belemmering van de vrijheid van werknemers als bedoeld in artikel 39 EG niet aanwezig. 5.12. Ten aanzien van het gedeelte van de heffingskorting dat betrekking heeft op de premieheffing (€ 1.497) is het Hof het volgende van oordeel. 5.13. De echtgenoot van belanghebbende is in Nederland niet verzekerd voor de volksverzekeringen. Hij is uitsluitend onderworpen aan de sociale verzekeringswetgeving van België. Voor zover de omstandigheid dat de echtgenoot van belanghebbende geen heffingskorting geniet in de premiesfeer een nadeel oplevert, is dat niet een gevolg van een tekortkoming in de Nederlandse heffingsregeling, maar vloeit dat voort uit de verschillen tussen de (financierings)stelsels voor sociale verzekeringen in de verschillende EG-lidstaten. Het gemeenschapsrecht voorziet niet in het wegnemen van die verschillen. In het gemeenschapsrecht bestaat te dezen onderscheid tussen het heffen van belasting en het heffen van premie ingevolge een sociale zekerheidsregeling. De mogelijkheid voor Nederland om een persoonlijke tegemoetkoming toe te kennen in het kader van de premieheffing voor de sociale verzekeringen doet zich slechts voor in het geval de echtgenoot in Nederland onderworpen zou zijn aan die premieheffing. Dat is niet het geval. Nu voorts niet aannemelijk is dat belanghebbende, gelet op de omstandigheid dat zij geen inkomen (uit werk en woning) geniet, premies volksverzekeringen verschuldigd is, terwijl zij vanwege haar woonplaats wel als verzekerde kan worden aangemerkt, gaat het Hof ervan uit dat, in samenhang met het vorenoverwogene, ook ten opzichte van belanghebbende geen sprake is van schending door Nederland van het bepaalde in de artikelen 18 en 39 EG. Vergelijk HR 26 november 2004, nr. 39.444, BNB 2005/119c* en HvJ EG 8 september 2005, C-512/03 (Blanckaert), BNB 2006/19c*. 5.14. Uit het vorenstaande volgt dat het Hof de uitspraak van de rechtbank juist acht, zodat het deze met verbetering van de gronden dient te bevestigen. 6. Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 7. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak waarvan hoger beroep. Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Tijnagel, Savelbergh en Van Walderveen in tegenwoordigheid van de gerechtsauditeur mr. Postema. De beslissing is op 20 juni 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier. (Van den Bogerd) (Tijnagel) aangetekend aan partijen verzonden: Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd. 2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: - de naam en het adres van de indiener; - de dagtekening; - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; - de gronden van het beroep in cassatie. Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.