Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0860

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers03/703068-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren inzake moord op een videotheekhouder in Brunssum.


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Strafrecht Parketnummer: 03/703068-06 Datum uitspraak: 25 oktober 2006 Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 oktober 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboortedatum en plaats], wonende te [woonadres verdachte], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Arnhem - De Berg, Arnhem Noord te Arnhem. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij, verdachte, op of omstreeks 24 oktober 2005 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte en/of een of meer van zijn, verdachtes, mededader(s) toen aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal (telkens) met een vuurwapen (een) kogel(s) afgevuurd in het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden; subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij, verdachte, op of omstreeks 24 oktober 2005 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte en/of een of meer van zijn, verdachtes, mededader(s) toen aldaar met dat opzet, meermalen, althans eenmaal (telkens) met een vuurwapen (een) kogel(s) afgevuurd in het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 24 oktober 2005 in de gemeente Brunssum opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een vuurwapen een kogel afgevuurd in het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden. De partiële vrijspraak De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De bewijsmiddelen De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De kwalificatie Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit en moet worden gekwalificeerd als volgt: primair: moord. De strafbaarheid van de verdachte Ten aanzien van verdachte is door J.C. Zwemstra, psychiater, en drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek hebben genoemde psychiater en psycholoog, ieder voor zich, een rapport, gedateerd respectievelijk 12 augustus 2006 en 14 augustus 2006, opgemaakt, welke rapporten vermelden als conclusie dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit – indien bewezen – hem in verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in de rapporten gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. De redengeving van de op te leggen straf De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primaire feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van elf jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte een lagere straf op te leggen. Mede gelet op wat door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende. Verdachte heeft het plan opgevat het slachtoffer van het leven te beroven. Allereerst heeft hij daartoe een pistool aangeschaft. Vervolgens is hij, toen hij wist dat het slachtoffer lag te slapen, naar diens woning gegaan en is hij naar binnen gegaan. Aangekomen bij de slaapkamer van het slachtoffer kon verdachte vanuit de deuropening het slachtoffer op het bed zien liggen. Daarop heeft hij een schot afgevuurd op het slapende slachtoffer. Toen hij vervolgens op grond van de geluiden die het slachtoffer maakte, kon opmaken dat het slachtoffer nog leefde, heeft verdachte nog twee keer geschoten op het slachtoffer. Eén van die schoten was mis. Uit onderzoek is gebleken dat één schot het slachtoffer in de rug heeft geraakt. Op grond van de vastgestelde baan van het andere schot dat het slachtoffer heeft geraakt kan het niet anders zijn dan dat verdachte de kamer van het slachtoffer is ingelopen, naast het bed waarop het slachtoffer lag is gaan staan en hem door het hoofd heeft geschoten. Deze toedracht laat geen andere conclusie open dan dat verdachte het slachtoffer “in koelen bloede” heeft geëxecuteerd. Gevraagd naar het motief voor zijn daad heeft verdachte zelf verklaard dat hij het niet langer kon aanzien dat het slachtoffer zijn minderjarige kinderen en zijn partner stelselmatig mishandelde. Vooral de opmerking van het slachtoffer dat hij zich aan zijn 9-jarige dochter zou gaan vergrijpen als zijn partner geen seks meer met hem wilde hebben, zou daarbij de doorslag hebben gegeven. Anderzijds, volgens de partner van het slachtoffer, bevonden zich in de woning aanzienlijke geldbedragen, verborgen in meerdere kluizen. Eén van die kluizen was een klein, losstaand model en volgens de partner van het slachtoffer, anders dan verdachte heeft verklaard, hadden zij en de verdachte afgesproken die kluis te stelen. Verdachte, die zijn vrouw en twee kinderen moet onderhouden, is werkloos en heeft geen uitkering. Regelmatig moest hij kleine bedragen lenen om zijn gezin te eten te kunnen geven. In die situatie zou een groot geldbedrag zonder meer zeer welkom zijn. Voor de rechtbank is op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet komen vast te staan welk van deze motieven verdachte tot zijn daad heeft bewogen, of dat het wellicht een combinatie van beide is geweest. Daarom zal de rechtbank deze omstandigheden niet ten voor- of nadele van verdachte bij het vaststellen van de strafmaat betrekken maar slechts uitgaan van het feit zoals bewezen is verklaard. Verdachte heeft een medemens om het leven gebracht. Het nemen van het leven van een ander is onomkeerbaar en brengt voor de nabestaanden aanzienlijk leed met zich mee. Ook in dit geval is het de rechtbank duidelijk geworden dat in ieder geval de kinderen van het slachtoffer hem zeer missen. Een verlies dat nooit meer goedgemaakt zal kunnen worden. Daarnaast is de rechtsorde in zeer ernstige mate geschokt. Genoemde omstandigheden brengen met zich mee dat alleen een vrijheidsbenemende straf van lange duur in aanmerking komt. Verdachte is onderzocht door psychiater J.C. Zwemstra en psycholoog drs. B.Y. van Toorn. Van Toorn concludeert ondermeer: “Er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin dat betrokkene lijdend is aan een gemengde persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk ontwijkende en afhankelijke kenmerken….. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het feit en beïnvloedde zijn gedragingen………Door de hierboven omschreven dynamiek heeft betrokkene gevoelsmatig geen andere uitweg meer gezien dan uiteindelijk gewapend naar het huis van het slachtoffer te gaan……. Een en ander tegen elkaar afwegend is het advies om betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen” Zwemstra concludeert ondermeer: “Er lijken duidelijke parallellen tussen betrokkenes gezin van herkomst met de alcoholische, agressieve, mishandelende vader en moeder als kwetsbare weerloze pool enerzijds en de beleving van betrokkene van het gezin van het slachtoffer en diens vrouw anderzijds…..Niet goed beoordeelbaar is of ook financiële/opportunistische aspecten een rol hebben gespeeld…….Vanwege deze zeer uitgesproken neurotische herhalings- en verplaatsingsmechanismen en de vastgestelde persoonlijkheidsstoornis wil ondergetekende uw rechtbank adviseren betrokkene als verminderd toerekeningsvatbaar te zien….” De rechtbank onderschrijft deze conclusies van de deskundigen en zal bij het bepalen van de strafmaat er daarom rekening mee houden dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. Naast deze verminderde toerekenbaarheid van het feit aan verdachte dient bij de bepaling van de hoogte van de straf naar het oordeel van de rechtbank eveneens acht te worden geslagen op het feit dat verdachte nimmer voor deze soort ernstige feiten in contact is gekomen met justitie en, voorzover er wel feiten op zijn strafblad staan, die toch voornamelijk uit het verre verleden stammen. Vooral deze beide aspecten komen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aan bod in de strafeis die de officier van justitie heeft neergelegd. Daarom zal de rechtbank tot een lagere straf komen dan door de officier van justitie is geëist. Dat neemt niet weg dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor een aanzienlijke duur met zich brengt. De toepasselijke wettelijke bepaling De op te leggen straf is gegrond op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht. DE BESLISSINGEN: De rechtbank - verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan; - verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij; - verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is; - veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van ACHT jaar; - beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit vonnis is aldus gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. Th.J.M. Oostdijk, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 oktober 2006. RECHTBANK MAASTRICHT Sector Strafrecht Parketnummer: 03/703068-06 Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 25 oktober 2006 in de zaak tegen: [naam verdachte], geboren te [geboortedatum en plaats], wonende te [woonadres verdachte], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Arnhem - De Berg, Arnhem Noord te Arnhem. Tegenwoordig: mr. Van Leeuwen ,rechter, mr. ,officier van justitie, dhr. Schoutese ,griffier. De rechter doet de zaak uitroepen. De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. Hij heeft afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn. De rechter spreekt het vonnis uit. Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier. Raadsman/vrouwe mr. C.G.M.C. Schyns, advocaat/advocate te Heerlen.