Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0858

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200603570/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 22 september 2004 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd appellant een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en E bij B te verstrekken.


Uitspraak

200603570/1. Datum uitspraak: 25 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], [gemeente], tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/898 van de rechtbank Arnhem van 30 maart 2006 in het geding tussen: appellant en de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. 1.    Procesverloop Bij besluit van 22 september 2004 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd appellant een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en E bij B te verstrekken. Bij besluit van 18 februari 2005 heeft het CBR het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 juni 2006. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 10 juli 2006 heeft het CBR van antwoord gediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. A.M.W. Jol-de Vries, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief verklaringen van geschiktheid door het CBR afgegeven aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.    Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement geeft het CBR indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij voormelde regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.    Artikel 104, eerste lid, van het Reglement bepaalt, voor zover thans van belang, dat indien de aanvrager van een Verklaring van geschiktheid een mededeling heeft ontvangen dat geen Verklaring van geschiktheid wordt afgegeven, deze aanvrager het CBR kan verzoeken een arts aan te wijzen voor het doen verrichten van herkeuring.    Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.    In paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" van de bijlage is bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid. 2.2.    Blijkens de stukken is appellant in het jaar 2001 aangehouden wegens rijden onder invloed, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat zijn rijbewijs op 5 februari 2001 ongeldig is verklaard. Het CBR heeft appellant op 6 mei 2003 geschikt verklaard voor het besturen van motorrijtuigen van de categorieën B en E bij B voor de duur van een jaar tot en met 31 mei 2004.    Op 18 maart 2004 heeft appellant met het indienen van een Eigen verklaring bij het CBR een Verklaring van geschiktheid aangevraagd. Het besluit tot handhaving van de weigering om appellant de gevraagde Verklaring te verstrekken, ligt aan dit geschil ten grondslag.    Appellant heeft twee keuringen ondergaan, onderscheidenlijk op 1 juni 2004 en 14 augustus 2004, waarvan de laatste naar aanleiding van een door appellant gevraagde herkeuring.    Dr. M.J.A.J.M. Hoes (hierna: Hoes), psychiater, concludeert blijkens zijn advies van 16 juni 2004 dat de anamnese en het onderzoek bij algemeen lichamelijk onderzoek aanwijzingen opleveren voor overmatig alcoholgebruik. Sluitend bewijs dat dit het geval is, is, volgens Hoes, de verhoogde Carbohydraat Deficiënt Transferrine (hierna: CDT)-waarde van 2,9%, terwijl de grenswaarde bij 2,6% ligt. Hoes acht appellant ongeschikt.    De herkeurend psychiater R.J.P. Hazewinkel (hierna: Hazewinkel) adviseert in zijn rapport van 16 september 2004 appellant ongeschikt te achten. Hazewinkel concludeert dat sprake is van alcoholmisbruik. 2.3.    Het CBR stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de bevindingen van de keurend artsen, in onderlinge samenhang bezien, en mede in aanmerking genomen dat bij appellant sprake is van een voorgeschiedenis van alcoholproblematiek, aannemelijk maken dat appellant wegens misbruik van alcohol, in de zin van paragraaf 8.8 van de bijlage van de Regeling, ongeschikt is voor het besturen van motorrijtuigen. 2.4.    Appellant bestrijdt in hoger beroep - samengevat weergegeven - het oordeel van de rechtbank dat het CBR de rapporten van de keurend artsen aan het besluit van 18 februari 2005 ten grondslag heeft mogen leggen. Voorts heeft het CBR naar de mening van appellant zich voor het besluit ten onrechte gebaseerd op de enkele vaststelling van de gemeten CDT-waarde. Appellant stelt verder dat deze waarde niet het enige argument kan zijn om te concluderen dat sprake is van alcoholmisbruik. Daartoe wijst hij onder meer op de uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege te Den Haag van 3 juni 2003 en op een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Klinische Chemie van november 2002, vol. 27, p. 271-278, waarin het hanteren van een hogere CDT-grenswaarde, te weten van 3,4%, wordt bepleit. 2.4.1.    Het door appellant gevoerde betoog slaagt niet.    Appellant is in het recente verleden in het kader van een Eigen-verklaringsprocedure onderzocht, waarna hem op 6 mei 2003 voor de termijn van een jaar een Verklaring van geschiktheid is verstrekt, welke termijn verband hield met misbruik van alcohol. Aan dit feit konden de adviserend psychiaters en het CBR bij de beoordeling van de op 18 maart 2004 gevraagde Verklaring van geschiktheid niet voorbijgaan.    De Afdeling is voorts met de rechtbank van oordeel dat het CBR zich op grond van de rapporten van 16 juni 2004 en 16 september 2004 op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van alcoholmisbruik in de zin van paragraaf 8.8 van de bijlage. 2.4.2.    Het betoog van appellant over de genoegzaamheid van de CDT-waarde als grondslag voor het afwijzende besluit, leidt niet tot een ander oordeel, nu de verhoogde CDT-waarde, anders dan in de door appellant aangehaalde uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege, niet de enige grond is voor de conclusie van alcoholmisbruik bij appellant.    De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat volgens de schrijvers van dat artikel bij enkelvoudige vaststelling een CDT-waarde van 3,4% en hoger wijst op alcoholmisbruik. Bij appellant is in het kader van het herkeuringsonderzoek op 14 augustus 2004 een CDT-waarde van 4,2% vastgesteld.    Omtrent de overige verwijzingen in het betoog van appellant naar kanttekeningen in de literatuur en de beschouwingen daarover, overweegt de Afdeling dat deze zo algemeen zijn gesteld dat ze zonder een op een specifiek onderzoek van appellant gebaseerde diagnose, geen afbreuk kunnen doen aan de conclusies in de voorhanden zijnde, wel op zodanig onderzoek gebaseerde rapporten.    In dit verband heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat van appellant mocht worden verwacht dat hij het bestaan van een beweerde andere oorzaak van de verhoogde CDT-waarde nader zou hebben gemotiveerd of aannemelijk gemaakt. Een concrete aanwijzing, zo heeft de rechtbank terecht overwogen, is ingebracht noch aannemelijk gemaakt, zodat het CBR het ervoor mocht houden dat de verhoogde CDT-waarde bij appellant ten tijde van belang door alcoholgebruik is veroorzaakt. 2.5.    De rechtbank heeft mitsdien op goede gronden geoordeeld dat het CBR gehouden was om op grond van artikel 103, eerste lid, van het Reglement de afgifte van de Verklaring van geschiktheid te weigeren. 2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat. De Voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Broodman ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 221.