Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0855

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200509191/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 7 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eijsden (hierna: het college) een verzoek van [verzoeker] en appellanten sub 2 om handhavend op te treden tegen de bouw van de zogenoemde achterwoning [locatie a] te [plaats], gemeente Eijsden, afgewezen.


Uitspraak

200509191/1. Datum uitspraak: 25 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1.    [appellant sub 1], wonend te Eijsden, 2.    [appellanten sub 2], wonend te Eijsden, tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/56, 05/41 en 04/2184 van de rechtbank Maastricht van 3 oktober 2005 in het geding tussen: 1.    [wederpartij sub 1], wonend te [woonplaats], 2.    [wederpartij sub 2], wonend te [woonplaats] (Aruba), 3.    appellanten sub 2, wonend te Eijsden en het college van burgemeester en wethouders van Eijsden. 1.    Procesverloop Bij besluit van 7 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eijsden (hierna: het college) een verzoek van [verzoeker] en appellanten sub 2 om handhavend op te treden tegen de bouw van de zogenoemde achterwoning [locatie a] te [plaats], gemeente Eijsden, afgewezen. Bij besluit van 30 november 2004 heeft het college het tegen het besluit van 7 november 2000 gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Het college heeft [wederpartij sub 1], als eigenaar van de woning [locatie b], en [wederpartij sub 2], als eigenaar van de woning [locatie a], onder aanzegging van bestuursdwang, gelast binnen een termijn van acht weken na de verzenddatum van dat besluit de deuropening tussen de woning [locatie b] en de woning [locatie a] weer open te maken, zodat er één woning ontstaat. Bij uitspraak van 3 oktober 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant sub 1 bij brief van 4 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, en appellanten sub 2 bij brief van 8 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2005, hoger beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 29 december 2005. Appellanten sub 2 hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 1 december 2005. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 1 februari 2006 heeft het college van antwoord gediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college en van appellant sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2006, waar appellant sub 1, bijgestaan door mr. drs. H.M.G. Duijsters, advocaat te Maastricht, [appellante sub 2], bijgestaan door [verzoeker], en het college, vertegenwoordigd door mr. B.L.J. Cremers, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Bij brief van 2 oktober 2006 zijn partijen ervan op de hoogte gesteld dat dr. E.M.H. Hirsch Ballin in deze meervoudige kamer wordt vervangen door mr. D.A.C. Slump. Partijen hebben de Afdeling desgevraagd toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting. 2.    Overwegingen 2.1.    [appellant sub 1] is de rechtsopvolger onder bijzondere titel van [wederpartij sub 1], aan wie de last (onder anderen) is gericht. Gelet op de betrokken belangen kan hij in die hoedanigheid in zijn hoger beroep worden ontvangen. 2.2.    Het dichtmaken van de deuropening tussen het woongedeelte [locatie a] en het woongedeelte [locatie b] waardoor twee afzonderlijke woningen zijn ontstaan, heeft zonder bouwvergunning en aldus in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet plaatsgevonden, zodat het college bevoegd was terzake handhavend op te treden. 2.3.    Aan hetgeen appellant sub 1 met betrekking tot de toepasselijkheid van het overgangsrecht heeft aangevoerd, komt de Afdeling niet toe. Daarover is door de rechtbank bij uitspraak van 6 januari 2004 in het geding tussen appellanten sub 2 en het college onder nummer AWB 03/506, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. 2.4.    Appellanten sub 2 betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college gelet op het handhavingsverzoek van [een van appellanten sub 2] van 28 juni 1999 niet kon volstaan met het opleggen van een last tot het weer open maken van de dichtgemaakte deuropening tussen het woongedeelte [locatie a] en het woongedeelte [locatie b]. In dat kader voeren zij aan dat in het woongedeelte [locatie b] een badkamer, een toilet, een slaapkamer en een keuken en een toegangsdeur in de achtergevel zijn aangebracht die ertoe hebben geleid dat een aparte woning is ontstaan. Deze voorzieningen hadden daarom volgens appellanten sub 2 niet zonder bouwvergunning gebouwd mogen worden. 2.4.1.    Wat betreft de door appellanten sub 2 gestelde overtreding ten aanzien van het aanbrengen van de badkamer, het toilet, de slaapkamer en de toegangsdeur overweegt de Afdeling dat bij besluit van 12 januari 1988 bouwvergunning is verleend voor deze voorzieningen, zodat er geen grond is voor het ten aanzien daarvan verzochte handhavend optreden. Of deze bouwvergunning in strijd met het bestemmingsplan is verleend, is in deze procedure niet aan de orde.    Het plaatsen van de keukenelementen leidt er in dit geval op zichzelf niet toe dat een aparte woning is ontstaan en kan om die reden als een verandering van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en bouwvergunningplichtige bouwwerken worden aangemerkt. Voor het plaatsen van de keuken was dan ook geen bouwvergunning vereist, zodat het college niet bevoegd was handhavend op te treden tegen het plaatsen van een keuken zonder bouwvergunning. 2.4.2.    Appellanten sub 2 voeren voorts aan dat de bewoning van de woning [locatie b] in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Mesch 1993" (hierna: het bestemmingsplan). 2.4.3.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, rust op de gronden van het perceel [locatie b] ingevolge het bestemmingsplan een woonbestemming. Het gebruik voor bewoning is dan ook niet in strijd met de bestemming. Het betoog faalt. 2.5.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.6.    Appellant sub 1 betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van concreet zicht op legalisering. Daartoe voert appellant sub 1 aan dat het college vrijstelling van het bestemmingsplan kan verlenen en dat, anders dan het college in de beslissing op bezwaar heeft aangegeven, daaraan geen privaatrechtelijke belemmering in de weg staat. 2.6.1.    Bij besluit van 14 september 2004 heeft het college wegens strijd met het bestemmingsplan geweigerd een alsnog aangevraagde bouwvergunning voor het dichtmaken van de bestaande deuropening te verlenen. Dat het bouwplan aan het Bouwbesluit voldoet, maakt, anders dan appellant sub 1 betoogt, niet dat het college bouwvergunning moet verlenen. Gelet op artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet, voor zover hier van belang, moet de bouwvergunning worden geweigerd, omdat de door de dichtmaking ontstane woning [locatie b] in strijd met artikel 2.01, derde lid, onder a, sub 3, van de voorschriften van het bestemmingsplan geen gevel heeft die in dan wel tot maximaal vier meter achter naar de weg gekeerde bestemmingsgrens is geplaatst.    Dat het verlenen van vrijstelling op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening tot de mogelijkheden behoort, zoals appellant sub 1 betoogt, betekent niet dat het onredelijk is dat het college vanuit stedenbouwkundige-planologische overwegingen daartoe niet bereid is, zoals in de beslissing op bezwaar is aangegeven. Reeds daarom kan hetgeen appellant sub 1 omtrent het bestaan van een erfdienstbaarheid heeft aangevoerd, wat daar overigens van zij, aan het voorgaande niet afdoen. Door aan te geven dat het college de "wonen achter wonen"-situatie niet wenselijk acht, heeft het college voldoende inzichtelijk gemaakt waarom het niet bereid is vrijstelling te verlenen. De aangevallen uitspraak en de beslissing op bezwaar zijn op dit punt, anders dan appellant sub 1 betoogt, dan ook voorzien van een voldoende draagkrachtige motivering.    De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen sprake was van concreet zicht op legalisering. Dat het besluit om bouwvergunning voor het dichtmaken van de deuropening tussen de woning [locatie a] en de woning [locatie b] te weigeren niet in rechte onaantastbaar is, maakt het voorgaande niet anders. 2.7.    Appellant sub 1 betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verworpen. 2.7.1.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het door appellant sub 1 aangevoerde onvoldoende aanleiding geeft om te oordelen dat zijn vertrouwen in rechte een zodanige bescherming verdient dat geoordeeld zou moeten worden dat het college niet kon overgaan tot handhaving. Anders dan appellant sub 1 aanvoert, bevat het besluit van 5 augustus 2003, waarbij het college het verzoek van appellanten sub 2 om het toepassen van bestuursdwang tegen het illegaal voeren van een huisnummer en het aanbrengen van een brievenbus aan het woongedeelte [locatie b] heeft afgewezen, geen onvoorwaardelijke toezegging dat vrijstelling en bouwvergunning voor het dichtmaken van de deuropening tussen het woongedeelte [locatie a] en het woongedeelte [locatie b] zouden worden verleend. Ook de toekenning van een afzonderlijk huisnummer aan het woongedeelte [locatie b] bij besluit van 28 maart 2000, kan, nog daargelaten dat op bezwaar tegen dit besluit nog beslist moet worden, niet als een zodanige toezegging worden beschouwd. 2.8.    Voorts betoogt appellant sub 1 dat de rechtbank heeft miskend dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college daarvan af behoorde te zien. 2.8.1.    De omstandigheid dat het voldoen aan de last niet zonder meer behoeft te leiden tot het beëindigen van de zelfstandige bewoning van het woongedeelte [locatie b], terwijl het voor appellant sub 1 wel vermindering van zijn woongenot betekent en aanzienlijke kosten met zich brengt, biedt, wat daarvan zij, geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden als zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, waaronder ook het in het besluit op bezwaar aangegeven belang van het voorkomen van precedentwerking, dat het college daarvan behoorde af te zien. Het betoog faalt. 2.9.    Appellant sub 1 beroept zich tot slot op het gelijkheidsbeginsel. Deze grond is voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en appellant dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven. 2.10.    De hoger beroepen zijn ongegrond. 2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk    w.g. Van Heusden Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 163-499.