Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0853

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200601981/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 11 juli 2005 heeft de gemeenteraad van Heiloo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 juni 2005, het bestemmingsplan "Zuiderloo" vastgesteld.


Uitspraak

200601981/1. Datum uitspraak: 25 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2005 heeft de gemeenteraad van Heiloo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 juni 2005, het bestemmingsplan "Zuiderloo" vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 7 februari 2006, kenmerk 2005-36282, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 12 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2006, beroep ingesteld. Bij brief van 15 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Bij brief van 12 mei 2006 heeft G.M.C. van Baars-van der Kaaij verzocht om als partij te worden toegelaten. Dit verzoek is door de Voorzitter van de Afdeling toegewezen. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2006, waar appellanten, in de persoon van [appellant], en bijgestaan door mr. drs. T.L. Fernig, en verweerder, vertegenwoordigd door W.J. Ardewijn, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Heiloo, vertegenwoordigd door L. Bas en ir. M. Strijkel, ambtenaren van de gemeente, als partij gehoord. 2.    Overwegingen Overgangsrecht 2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft. Ontvankelijkheid 2.2.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte de plandelen met de bestemming "Verblijfs- en verkeersdoeleinden (VV)", voor zover het de Hoogeweg en het kruispunt Hoogeweg-Vennewaterweg betreft, heeft goedgekeurd, omdat het profiel van zowel  de Hoogeweg als het kruispunt Hoogeweg-Vennewatersweg verbreed moeten worden.    Voorts stellen appellanten in beroep dat verweerder ten onrechte de plangrens heeft goedgekeurd omdat ten onrechte geen aansluiting met de A9 in het plan is voorzien.    De beroepsgronden, gericht tegen de genoemde plandelen steunen niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.    Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest ter zake een zienswijze in te brengen. Voor zover hier van belang, doet geen van deze omstandigheden zich voor.    Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk. Toetsingskader 2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.    De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. Het standpunt van appellanten 2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Uit te werken bestemming wonen (UW3)" ter plaatse van het perceel [locatie]. Appellanten menen dat hun gehele perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" behoort te krijgen. Het gemeentebestuur heeft de verwachting gewekt dat, indien appellanten en het gemeentebestuur geen overeenstemming konden bereiken over een verplaatsing van het bedrijf, het bedrijf in het bestemmingsplan volledig positief bestemd zou worden en niet slechts het gedeelte grenzend aan de Hoogeweg, aldus appellanten.    Verder stellen appellanten in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" ter plaatse van het perceel [locatie], voor zover daaraan niet de aanduiding "bouwvlak" is toegekend. Daartoe stellen zij dat het in het plan opgenomen bouwvlak ten onrechte een oppervlakte van 800 m² betreft en niet tenminste, zoals onder het vorige plan, een oppervlakte van 1200 m². Appellanten menen dat zij voor de ontwikkeling en aanpassing van het bedrijf aan de gewijzigde economische omstandigheden een uitbreidingsmogelijkheid nodig hebben van tenminste 400 m². Het standpunt van verweerder 2.5.    Verweerder heeft geen reden gezien de plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening en het recht te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bedrijf overeenkomstig het gebruik is bestemd, waarbij de grens van de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" overeenkomt met de vroegere grens van de bestemming "Agrarisch toeleveringsbedrijf".    Verweerder stelt verder dat appellanten geen uitbreidingsmogelijkheid verliezen.     Vaststelling van de feiten 2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.6.1.    Het westelijk deel van het perceel van appellanten, gelegen aan de [locatie] heeft de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de aanduiding "transport-/ aannemersbedrijf" gekregen. Hierop ligt een bouwvlak ter grootte van 800 m². Het oostelijk deel van het perceel van appellanten, gelegen tussen het westelijk deel en de Spanjaardslaan heeft de bestemming "Uit te werken bestemming wonen (UW3)".    Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Uit te werken bestemming wonen (UW3)" aangegeven gronden bestemd voor de aanleg van een woongebied, waterberging en groenvoorzieningen, met de daarbij behorende infrastructurele en additionele voorzieningen, bouwwerken, werken en werkzaamheden.    Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt onder meer de realisatie van 136-216 woningen nagestreefd, als onderdeel van maximaal 700 in het plangebied te realiseren woningen ten behoeve van de lokale en regionale woningvraag. 2.6.2.    Onder het vorige plan "Landelijk Gebied" had het westelijk deel van het perceel van appellanten de bestemming "Agrarisch toeleveringsbedrijf". Hierop lag een bouwvlak van 1200 m². Het oostelijk deel van het perceel van appellanten had de bestemming "Agrarisch gebied". 2.6.3.    In de plantoelichting staat dat het plan de bouw van 1800 woningen binnen het plangebied mogelijk maakt. Tevens staat in de plantoelichting dat de meeste bedrijven in het plangebied hun functie ten gevolge van de planologische ontwikkelingen zullen verliezen. Deze bedrijfsgebouwen zullen, met uitzondering van de dienstwoningen, in het licht hiervan worden afgebroken. Vervolgens wordt een opsomming gegeven van bedrijven in het plangebied die hun bedrijfsfunctie zullen behouden. Als laatste wordt het bedrijf van appellanten in dat verband genoemd. De bestemming van het westelijk deel van het perceel is volgens de plantoelichting ten opzichte van het vorige plan meer toegespitst op de aard van het bedrijf, en heeft daarom een bedrijfsbestemming gekregen. 2.6.4.    Appellanten exploiteren op het perceel een handels- en transportonderneming. Ten behoeve van de exploitatie van de onderneming gebruiken appellanten een loods van 800 m². 2.6.5.    Tussen appellanten en het college van burgemeester en wethouders zijn gesprekken gevoerd over verplaatsing van het bedrijf naar een andere locatie. In deze onderhandelingen hebben partijen tot op heden geen overeenstemming bereikt. Het oordeel van de Afdeling 2.7.    Met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Uit te werken bestemming wonen (UW3)" op het oostelijk deel van het perceel, overweegt de Afdeling als volgt. 2.7.1.    Ter zitting is gebleken dat het oostelijk deel van het perceel gebruikt werd als witlofwasserij, maar dat deze bedrijfsactiviteit reeds jaren geleden is beëindigd. Appellanten menen dat ook dit deel van het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" dient te krijgen, zodat de mogelijkheid wordt opengehouden om in de toekomst de exploitatie van de witlofwasserij te kunnen hervatten.    Nu de bedrijfsmatige exploitatie van de witlofwasserij reeds jaren geleden is beëindigd en niet is gebleken van concrete voornemens om deze bedrijfsactiviteiten te hervatten, heeft de gemeenteraad, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat onder het vorige plan dit deel van het perceel evenmin een bedrijfsbestemming had, bij de vaststelling van het plan evenwel in redelijkheid aan de wens van appellanten om voor dit gedeelte van het perceel eveneens in een bedrijfsbestemming te voorzien, voorbij kunnen gaan.    Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellanten, voor zover de omvang van de in het plan neergelegde bedrijfsbestemming overeenkomt met de omvang van de bedrijfsbestemming uit het vorige plan, niet onevenredig in hun bedrijfsbelangen worden geschaad. In het licht van het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met woningbouw dan aan de belangen van appellanten die hierdoor worden getroffen. 2.7.2.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.    In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.    Het beroep is in zoverre ongegrond. 2.8.    Met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" op het westelijk deel van het perceel, voor zover daaraan niet de aanduiding "bouwvlak" is toegekend, overweegt de Afdeling als volgt. 2.8.1.    Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellanten geen uitbreidingsmogelijkheden verliezen. Uit de overwegingen 2.6.1. en 2.6.2. blijkt dat het onderhavige plan voorziet in een bouwvlak dat overeenkomt met de huidige bebouwing, dat wil zeggen een bouwvlak van 800 m², terwijl onder het vorige plan het bouwvlak 1200 m² besloeg. Appellanten verliezen derhalve 400 m² aan uitbreidingsruimte.    Ter zitting is zowel van de zijde van de gemeenteraad als van de zijde van verweerder gesteld dat appellanten geen uitbreidingsmogelijkheden nodig hebben, omdat het bedrijf van appellanten zal worden verplaatst naar een andere locatie en appellanten in het verleden nooit gebruik hebben gemaakt van de in het vorige plan voorziene uitbreidingsruimte. Hiermee miskennen zij dat het bedrijf enerzijds als zodanig is bestemd, terwijl anderzijds ten gevolge van het voorliggende plan alle uitbreidingsruimte is ontnomen. Indien een positieve bedrijfsbestemming wordt toegekend, brengt een goede ruimtelijke ordening echter met zich dat alle belangen van het bedrijf in de afweging moeten worden betrokken.    Appellanten hebben ter zitting aangegeven dat indien het bedrijf niet kan worden verplaatst, uitbreiding noodzakelijk is om te voldoen aan gewijzigde economische omstandigheden. Nu geen overeenstemming is bereikt over de verplaatsing van het bedrijf en bovendien het bedrijf als zodanig is bestemd, heeft verweerder ten onrechte niet in zijn belangenafweging betrokken de vraag of ten behoeve van een bestendige bedrijfsvoering enige uitbreidingsruimte dient te bestaan. 2.8.2.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Proceskosten 2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen de plandelen met de bestemming "Verblijfs- en verkeersdoeleinden (VV)" en de plangrens; II.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond; III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 7 februari 2006, kenmerk 2005-36282, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" ter plaatse van het perceel [locatie], voor zover daaraan niet de aanduiding "bouwvlak" is toegekend; IV.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond; V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door provincie Noord-Holland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; VI.    gelast dat provincie Noord-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra      w.g. Van Dorst Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 357-533.