
Jurisprudentie
AZ0850
Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200509249/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200509249/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 20 juli 2005 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord (hierna: het dagelijks bestuur) aan het Stadsdeel Amsterdam-Noord, Sector Wonen en Werken, een sloopvergunning verleend voor het slopen van de gebouwen op de percelen Industrie 12 en 14 en Stoombootweg 31 te Amsterdam (hierna: gebouwen Industrie 12 en 14 en gebouw Stoombootweg 13).
Uitspraak
200509249/1.
Datum uitspraak: 25 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de vereniging "Belangenvereniging Kadoelen/Oostzanerwerf", gevestigd te Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/4604 en 05/4605 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2005 in het geding tussen:
appellante en anderen
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2005 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Noord (hierna: het dagelijks bestuur) aan het Stadsdeel Amsterdam-Noord, Sector Wonen en Werken, een sloopvergunning verleend voor het slopen van de gebouwen op de percelen Industrie 12 en 14 en Stoombootweg 31 te Amsterdam (hierna: gebouwen Industrie 12 en 14 en gebouw Stoombootweg 13).
Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 oktober 2005, verzonden op 25 oktober 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover hier van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het de sloop van het gebouw Stoombootweg 31 betreft, het besluit van 6 oktober 2005 in zoverre vernietigd en het beroep, voor zover dat ziet op de sloopvergunning voor de gebouwen Industrie 12 en 14, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 8 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij besluit van 11 november 2005 heeft het dagelijks bestuur, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank en onder verwijzing naar de ter zake van het gebouw Stoombootweg 31 eveneens op 11 november 2005 verleende vergunning ingevolge de Huisvestingswet (woningonttrekkingsvergunning), de tegen het besluit van 20 juli 2005 gemaakte bezwaren, voor zover deze betrekking hebben op het gebouw Stoombootweg 31, wederom ongegrond verklaard.
Bij brief van 7 maart 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door V.H.C.M. van Haaren, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Nooij, ambtenaar van het stadsdeel, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat voor een deel van de te slopen gebouwen geen sloopvergunning is verleend, nu de aanvraag om deze vergunning blijkens de bijbehorende tekening tevens betrekking had op het gebouw Industrie 10 doch de kadastrale aanduiding van dat gebouw op het aanvraagformulier ontbreekt.
2.1.1. Blijkens de aanvraag heeft de sloopvergunning betrekking op de gebouwen Industrie 12 en 14 en Stoombootweg 31, zoals aangegeven op de bijbehorende gearceerde tekening. De voorzieningenrechter heeft met juistheid geoordeeld dat deze tekening geen verwarring laat bestaan ten aanzien van de vraag voor welke gebouwen sloopvergunning is verleend. De omstandigheid dat het door appellante bedoelde gebouw met het inmiddels vervallen officiële huisnummer 10 nog steeds met dit huisnummer voorkomt in het Kadaster doet daaraan niet af.
2.2. Ingevolge artikel 8.1.6., aanhef en onder a, van de Bouwverordening van de gemeente Amsterdam (hierna: de Bouwverordening) moet een sloopvergunning worden geweigerd indien de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd.
Ingevolge artikel 8.1.6., aanhef en onder b, van de Bouwverordening moet een sloopvergunning worden geweigerd indien de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd.
2.3. Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het ontbreken van een (bouw)brug over het riviertje het Twiske, zoals in het stedenbouwkundig plan Twiske-Zuid was toegezegd, geen weigeringsgrond is als genoemd in artikel 8.1.6. van de Bouwverordening. In dit verband voert zij aan dat tot de bouw van de brug is besloten uit een oogpunt van hinder en veiligheid voor omwonenden en de gebouwde omgeving en derhalve als voorwaarde aan de sloopvergunning had moeten worden verbonden.
2.3.1. Gelet op artikel 8.1.6., aanhef onder a en b, van de Bouwverordening en de daarbij behorende toelichting, bezien in samenhang met artikel 8, tweede lid, aanhef en onder h, sub 1, van de Woningwet, kunnen uit een oogpunt van veiligheid en slopen alsmede de bescherming van nabijgelegen bouwwerken slechts voorwaarden worden gesteld die betrekking hebben op activiteiten op het sloopperceel zelf. De voorziene brug over het riviertje het Twiske ziet op de ontsluiting van het verkeer in de wijk en maakt geen deel uit van het sloopperceel. Het dagelijks bestuur heeft in het ontbreken van een brug, zo het op grond van het stedenbouwkundig plan al gehouden zou zijn deze brug vóór de aanvang van de sloop te realiseren, terecht geen aanleiding gezien de sloopvergunning te weigeren of daaraan voorwaarden te verbinden. De voorzieningenrechter is tot dezelfde conclusie gekomen. Het betoog faalt.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Bij het besluit van 11 november 2005 is opnieuw beslist op het door appellante gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van appellante, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.
2.6. Nu tegen het besluit van 11 november 2005 door appellante geen andere gronden zijn aangevoerd dan tegen de aangevallen uitspraak, is het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 11 november 2005 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Boermans
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006
429-499.