Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0844

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200600731/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 30 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen (hierna: het college) appellanten gelast binnen 12 weken na bekendmaking van dit besluit het gebruik van de percelen [locaties] te [plaats] (hierna: de percelen) als opslagterrein en ten behoeve van ruitersportactiviteiten te staken en gestaakt te houden, en de paardenbak, de stallen en hooiopslag, de twee schaftwagens en de caravan op die percelen te verwijderen en verwijderd te houden.


Uitspraak

200600731/1. Datum uitspraak:25 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], beiden wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1712 van de rechtbank Haarlem van 16 december 2005 in het geding tussen: appellanten en het college van burgemeester en wethouders van Velsen. 1.    Procesverloop Bij besluit van 30 december 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen (hierna: het college) appellanten gelast binnen 12 weken na bekendmaking van dit besluit het gebruik van de percelen [locaties] te [plaats] (hierna: de percelen) als opslagterrein en ten behoeve van ruitersportactiviteiten te staken en gestaakt te houden, en de paardenbak, de stallen en hooiopslag, de twee schaftwagens en de caravan op die percelen te verwijderen en verwijderd te houden. Bij besluit van 25 augustus 2004 heeft het college, voor zover hier van belang, het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 26 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 23 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2006, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. L. de Bree, advocaat te Velsen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Drijftholt, gemachtigde, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    De aanschrijving ziet op het staken van het gebruik van het perceel als opslagterrein en ten behoeve van ruitersportactiviteiten en het verwijderen van de op het perceel aanwezige paardenbak, stallen en hooiopslag, twee schaftwagens en een caravan. 2.2.    Met betrekking tot het gebruik van de gronden als opslagterrein en ten behoeve van ruitersportactiviteiten betogen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college dit gebruik ten onrechte in strijd heeft geacht met het bestemmingsplan.    Dit betoog faalt. Vooropgesteld zij dat het college het gebruik van de percelen door appellanten voor het houden van acht paarden en het verstrekken van gratis rijlessen aan derden terecht als ruitersport heeft aangemerkt.    Ingevolge het bestemmingsplan "Agrarisch Gebied Zuid" geldt ter plaatse de bestemming "Actieve recreatie" met nadere aanduiding "volkstuinen". Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor "Actieve recreatie" aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor het aanleggen van recreatie-elementen, welke primair gericht zijn op actieve recreatie, zoals beoefening van sport of het houden van volkstuinen, welke elementen op de kaart nader zijn aangegeven, met bijbehorende bouwwerken en andere werken. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het verboden de in het plan opgenomen gronden te gebruiken, te doen of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming, zoals die nader is omschreven in de artikelen 4 tot en met 14.    Reeds omdat het bestemmingsplan binnen de bestemming "Actieve recreatie" een afzonderlijke aanduiding "water- en ruitersport" kent, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van het perceel ten behoeve van ruitersportactiviteiten en als opslagterrein zich niet verdraagt met de bestemming volkstuinen.    Anders dan appellanten betogen, valt het gebruik niet onder het in artikel 21, tweede lid, van de planvoorschriften neergelegde gebruiksovergangsrecht. Zij hebben ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat op de peildatum in 1991 op de percelen opslag en ruitersportactiviteiten plaatsvonden. Dat appellanten vóór de peildatum op een ander perceel binnen het volkstuinencomplex reeds opslag hadden en ruitersportactiviteiten ontplooiden is in dit verband niet relevant, nu voor de toepasselijkheid van het overgangsrecht uitsluitend telt het gebruik dat op de peildatum van de thans aan de orde zijnde percelen werd gemaakt.    De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande terecht geoordeeld dat het college ter zake handhavend kon optreden. 2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.4.    Vaststaat dat ten tijde van het bestreden besluit geen concreet uitzicht op legalisatie bestond van het gebruik van het perceel voor ruitersportactiviteiten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat ook anderszins geen sprake was van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had behoren af te zien van handhavend optreden.    De rechtbank heeft het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel terecht verworpen. Aan de omstandigheid dat het college het houden van dieren binnen het volkstuinencomplex lange tijd ongemoeid heeft gelaten konden appellanten niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het college definitief had afgezien van handhavend optreden ten aanzien van de ruitersportactiviteiten. Ook het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen, reeds omdat niet is gebleken dat op de andere door appellanten genoemde percelen ruitersport als hier bedoeld plaatsvindt. Ten aanzien van de overige door appellanten naar voren gebrachte argumenten heeft de rechtbank eveneens terecht geoordeeld daarin geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden. 2.5.    Met betrekking tot de bouwwerken heeft de rechtbank, anders dan appellanten betogen, met juistheid geoordeeld dat de constructie van de paardenbak, bestaande uit een omheining van respectievelijk ijzeren hekken en betonnen palen met rubberen matten en gaas ertussen, zodanig is dat daarvoor een bouwvergunning was vereist. Vast staat dat deze niet is verleend. Evenzeer staat vast dat de stallen, de twee schaftwagens en de caravan zonder de vereiste bouwvergunning zijn opgericht. Het college kon derhalve ter zake handhavend optreden. 2.6.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat met betrekking tot de bouwwerken evenmin concreet uitzicht op legalisatie bestond.    Ingevolge het derde lid van artikel 12, is op de gronden aangewezen voor "volkstuinen" uitsluitend bebouwing toegestaan voor eigen gebruik in de vorm van een dagverblijf en/of een kasje, mits, voor zover hier van belang, per tuin slechts één dagverblijf wordt opgericht met een oppervlakte van niet meer dan 16 m2 en per tuin slechts één kasje wordt opgericht met een oppervlakte van niet meer dan 18 m2. Onder dagverblijf moet ingevolge artikel 1 onder l van de planvoorschriften worden verstaan een gebouw, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd om uitsluitend door een gezin of een daarmee gelijk te stellen groep van personen gedurende een bepaald deel van de dag, hoofdzakelijk tussen zonsopgang en zonsondergang, te worden bewoond c.q. gebruikt. De bouwwerken waarop de aanschrijving ziet zijn hiermee niet in overeenstemming.    De rechtbank heeft voorts terecht en op goede gronden geoordeeld dat de overgangsbepaling van artikel 21, eerste lid, van de planvoorschriften geen titel biedt voor het verlenen van bouwvergunning. Appellanten hebben erkend dat zij de op de peildatum ter plaatse aanwezige dagverblijf, schuur en toilet hebben afgebroken en op de fundering ervan de stallen en hooiopslag hebben opgericht. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daarmee sprake is van algehele vernieuwing die niet door het overgangsrecht wordt gedekt. Dat de nieuwe opstallen tezamen een kleiner oppervlak beslaan dan de op de peildatum aanwezige bouwwerken, maakt dat niet anders. Hetgeen appellanten hebben gesteld met betrekking tot de opstallen van de overbuurman, wat daar verder van zij, is in dit verband niet relevant. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat op de peildatum de schaftwagens en de caravan ter plaatse reeds aanwezig waren.    Ten slotte heeft het college aangegeven noch voor de bouwwerken, noch voor het gebruik bereid te zijn tot het verlenen van vrijstelling.    De door appellanten gesuggereerde mogelijkheid om het gebruik en de bouwwerken te legaliseren door middel van aanpassing van het bestemmingsplan kan niet worden aangemerkt als concreet uitzicht op legalisatie. 2.7.    Met de rechtbank is de Afdeling ten slotte van oordeel dat de door het college aan appellanten gegunde begunstigingstermijn van drie maanden voldoende kan worden geacht om aan de last te voldoen, waarbij wordt aangetekend dat de Afdeling ter zitting kennis heeft genomen van de door het college gedane toezegging appellanten een termijn van zes maanden te gunnen voor het voldoen aan de last. 2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat. w.g. Roemers    w.g. Schortinghuis Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 422.