Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0843

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200600762/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 16 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) het verzoek van appellante om vrijstelling voor de verkoop van rijwielen op 100 m2 op het perceel Galvanistraat 55 te Ede (hierna: het perceel), afgewezen.


Uitspraak

200600762/1. Datum uitspraak: 25 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Veda Holding B.V., gevestigd te Ede, appellante, tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3090 van de rechtbank Arnhem van 16 december 2005 in het geding tussen: appellante en het college van burgemeester en wethouders van Ede. 1.    Procesverloop Bij besluit van 16 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) het verzoek van appellante om vrijstelling voor de verkoop van rijwielen op 100 m2 op het perceel Galvanistraat 55 te Ede (hierna: het perceel), afgewezen. Bij besluit van 14 juli 2005 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 25 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 20 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 september 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. T.J. van Veen, advocaat te Ede, en [gemachtigden] en het college, vertegenwoordigd door G.G.H. Rijkse, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "Heestereng, 1e herziening", geldt voor het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden".    Ingevolge artikel 8, lid 1.1, aanhef en onder a van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn deze gronden in algemene zin bestemd voor gebruik en bebouwing ten behoeve van bedrijf en handel (niet zijnde detailhandel).    Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming of de voor afwijking daarvan verleende vrijstelling.    Ingevolge artikel 8, lid 5.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, is het college bevoegd vrijstelling te verlenen ten aanzien van de vestiging van detailhandelsbedrijven voor de detailhandel in goederen (niet zijnde voedings- en genotmiddelen, kleding, schoeisel en huishoudelijke artikelen) die ter plaatse worden vervaardigd, bewerkt of gemonteerd, voor zover deze detailhandel een geïntegreerd en ondergeschikt (maximaal 10% van de bedrijfsvloeroppervlakte met een maximum van 100 m2) deel uitmaakt van het bedrijf. 2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet met verwijzing naar de aanbevelingsnotitie "Detailhandel in Ede" heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor de verkoop van rijwielen aan particulieren op het perceel. Op grond van deze door het college en de raad van de gemeente Ede vastgestelde aanbevelingsnotitie wordt op bedrijventerreinen in het geheel geen detailhandel toegestaan.    Dit betoog slaagt. Ingevolge artikel 4:82 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan ter motivering van een besluit slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel.    De aanbevelingsnotitie "Detailhandel in Ede" was ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar niet neergelegd in een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, aangezien deze - naar het college ter zitting heeft bevestigd - niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. Het college kon ter motivering van de weigering om vrijstelling te verlenen dan ook niet volstaan met een verwijzing naar de aanbevelingsnotitie. Het college had dienen te motiveren, na afweging van alle betrokken belangen, waarom in dit concrete geval is gekozen voor toepassing van de aanbevelingsnotitie. Nu het college dit heeft nagelaten, is de beslissing op bezwaar onvoldoende gemotiveerd en moet deze wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, worden vernietigd. 2.3.    Met betrekking tot het door appellante gedane beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat niet is gebleken van een rechtens te honoreren toezegging van een daartoe bevoegd persoon dat de gevraagde vrijstelling aan appellante zou worden verleend. 2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 14 juli 2005 vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het college dient opnieuw op het bezwaarschrift van appellante te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. 2.5.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart het hoger beroep gegrond; II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van     16 december 2005, AWB 05/3090; III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep     gegrond; IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en     wethouders van Ede van 14 juli 2005, VH/2005/1040; V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ede tot     vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het     hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag     van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe     te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;     het dient door de gemeente Ede aan appellante onder vermelding van     het zaaknummer te worden betaald; VI.    gelast dat de gemeente Ede aan appellante het door haar voor de     behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht    ten bedrage van € 690,00 (zegge: zeshonderdnegentig euro)     vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat. w.g. Roemers    w.g. Schortinghuis Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 422.