
Jurisprudentie
AZ0838
Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200603356/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200603356/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd appellant een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B te verstrekken.
Uitspraak
200603356/1.
Datum uitspraak: 25 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1612 van de rechtbank Arnhem van 30 maart 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2004 heeft de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) geweigerd appellant een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B te verstrekken.
Bij besluit van 5 april 2005 heeft het CBR het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 30 juni 2006 heeft het CBR van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L.P. Kabel, advocaat te Eindhoven, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. A.M.W. Jol-de Vries, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement) worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief verklaringen van geschiktheid door het CBR afgegeven aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.
Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement geeft het CBR indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij voormelde regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.
Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.
In paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" van de bijlage is bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.
2.2. Blijkens gegevens die bij het CBR voorhanden zijn, is appellant bekend met alcoholproblematiek in de periode die is voorafgegaan aan de indiening van de Eigen verklaring op 30 juni 2004. Appellant is in het jaar 2000 aangehouden wegens rijden onder invloed, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Een vervolgens in april 2002 door hem aangevraagde Verklaring van geschiktheid is appellant geweigerd, welke weigering bij besluit van 4 augustus 2003, na ingediend bezwaar, is gehandhaafd. Appellant is hiertegen niet opgekomen.
Appellant heeft op 30 juni 2004 met de indiening van een Eigen verklaring opnieuw een Verklaring van geschiktheid aangevraagd. Het besluit tot handhaving van de weigering de gevraagde verklaring te verstrekken, ligt aan dit geschil ten grondslag.
Appellant is op 19 augustus 2004 onderzocht door dr. M.J.A.J.M. Hoes (hierna: Hoes), psychiater, aangewezen door het CBR. Hoes adviseert appellant geschikt te achten voor een jaar voor alle categorieën. Hoes heeft op grond van de vraagstelling en geschiedenis, de anamnese en het psychiatrisch onderzoek geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor alcoholmisbruik; op grond van het lichamelijk onderzoek concludeert hij tot mogelijk een aanwijzing voor alcoholmisbruik: veneëctasieën (aderverwijding). Het door Hoes gevraagde laboratoriumonderzoek geeft als uitslag een Carbohydraat Deficiënt Transferrine (hierna: CDT)-waarde van 3,6%, terwijl de CDT-grenswaarde 2,6% bedraagt. Tot slot stelt Hoes als psychiatrische diagnose en conclusie dat appellant zegt weinig of niet te drinken sedert acht maanden, waarvan appellant ten bewijze naar het onderzoek een laboratoriumonderzoek van 28 mei 2004 heeft meegenomen, waarin onder meer een uitslag van een CDT-waarde van 2,3% is vermeld. Appellant heeft, aldus Hoes, nu wel weer een verhoogde CDT-waarde, maar hierbij gaat het mogelijk om een biologische variant.
2.3. Het CBR stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het in dit geval is uitgesloten dat het om een biologische variant gaat. Het CBR wijst hiertoe onder meer op de conclusies van 24 februari 2003 - die zijn gebruikt bij de besluitvorming van vóór 2004 - van J.P.M. Wielders, klinisch chemicus van het Meander Medisch Centrum in Amersfoort, dat een erfelijke variant kan worden uitgesloten onder voorwaarde dat levercirrhose of hepatitis C kan worden uitgesloten en dat geen transferrine variant is gevonden. In vervolg op die verklaring heeft het CBR gewezen op het bevestigende rapport van 12 mei 2003 van de internist dr. P.H.Th.J. Slee (hierna: Slee), die appellant heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat appellant niet lijdt aan cirrhose of hepatitis C. Slee concludeert tot een onbegrepen verhoging van de CDT-waarde.
2.4. De rechtbank heeft naar aanleiding van het hiertegen gerichte betoog van appellant in eerste aanleg - in het bijzonder zijn verwijzing naar een uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege te Den Haag van 3 juni 2003 en een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Klinische Chemie van november 2002, vol. 27, p. 271-278 - ter zitting van 19 december 2005 de getuige-deskundige dr. J. van Pelt gehoord, mede-auteur van de door appellant ingeroepen publicatie. Deze heeft verklaard dat het naar zijn inzicht niet in de rede ligt enkel op grond van een %CDT-bepaling tot alcoholmisbruik te concluderen, dat het verantwoord is tevens de voorgeschiedenis in de beoordeling te betrekken, dat daarvan - anders dan in deze zaak - geen sprake was in de zaak waarop de uitspraak van het Medisch Tuchtcollege waarnaar appellant heeft verwezen, betrekking had en dat bij een CDT-waarde van 3,6% de kans op een valse positieve uitslag 1% is.
2.5. Appellant bestrijdt in hoger beroep - samengevat weergegeven - het oordeel van de rechtbank dat het CBR heeft kunnen afwijken van het advies van de adviserende psychiater Hoes. Voorts heeft het CBR naar de mening van appellant zich ten onrechte gebaseerd op de enkele vaststelling van de gemeten CDT-waarde. Appellant stelt verder dat deze waarde bovendien niet het enige argument kan zijn om te concluderen dat sprake is van alcoholmisbruik, waartoe hij opnieuw heeft verwezen naar voormelde uitspraak en publicatie.
2.5.1. Het door appellant gevoerde betoog slaagt niet.
Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het CBR zijn standpunt niet slechts heeft gebaseerd op de gemeten CDT-waarde van 3,6% - welke ligt boven de in voormelde publicatie bepleite grenswaarde van 3,4% bij enkelvoudige bepaling - doch tevens op de voorgeschiedenis van de alcoholproblematiek van appellant vanaf het jaar 2000. Mede gelet op de verklaringen van de getuige-deskundige Van Pelt ter zitting van de rechtbank deelt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat aldus genoegzaam is gemotiveerd waarom in dit geval is afgeweken van het advies van Hoes. Terecht heeft het CBR daarbij in aanmerking genomen dat Hoes in zijn advies geen verklaring heeft gegeven voor de mogelijk aan een biologische variant te wijten verhoging van de CDT-waarde en dat het CBR bovendien beschikt over rapporten met betrekking tot de voorgeschiedenis van appellant - waarvan de inhoud en strekking niet door appellant zijn betwist - waarin een mogelijk biologische variant is uitgesloten.
2.5.2. Het betoog van appellant over de genoegzaamheid van de CDT-waarde als grondslag voor het afwijzende besluit, leidt niet tot een ander oordeel, nu de verhoogde CDT-waarde, anders dan in de door appellant aangehaalde uitspraak van het Regionaal Medisch Tuchtcollege, niet de enige grond is voor de conclusie van alcoholmisbruik bij appellant.
Omtrent de overige verwijzingen in het betoog van appellant naar kanttekeningen in de literatuur en de beschouwingen daarover, overweegt de Afdeling dat deze zo algemeen zijn gesteld dat ze zonder een op een specifiek onderzoek van appellant gebaseerde diagnose, geen afbreuk kunnen doen aan de conclusies in de voorhanden zijnde, wel op zodanig onderzoek gebaseerde rapporten en derhalve evenmin aan de motivering die het CBR aan het afwijken van het advies van Hoes heeft gegeven.
In dit verband heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat van appellant mocht worden verwacht dat hij het bestaan van een beweerde andere oorzaak van de verhoogde CDT-waarde nader zou hebben gemotiveerd of aannemelijk gemaakt. Een concrete aanwijzing, zo heeft de rechtbank terecht overwogen, is ingebracht noch aannemelijk gemaakt, zodat het CBR het ervoor mocht houden dat de verhoogde CDT-waarde bij appellant ten tijde van belang door alcoholgebruik is veroorzaakt.
2.6. De rechtbank heeft mitsdien op goede gronden geoordeeld dat het CBR was gehouden om op grond van artikel 103, eerste lid, van het Reglement de afgifte van de Verklaring van geschiktheid te weigeren.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.
De Voorzitter w.g. Broodman
is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat
te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006
221.