Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0833

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200601145/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 19 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel (hierna: het college) appellant, onder oplegging van een dwangsom, gelast de opslagactiviteiten in het bedrijfsgebouw en de bewoning van de dienstwoning op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], gemeente Maasdriel (hierna: het perceel), te staken en gestaakt te houden.


Uitspraak

200601145/1. Datum uitspraak: 25 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2183 van de rechtbank Arnhem van 3 januari 2006 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel. 1.    Procesverloop Bij besluit van 19 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel (hierna: het college) appellant, onder oplegging van een dwangsom, gelast de opslagactiviteiten in het bedrijfsgebouw en de bewoning van de dienstwoning op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], gemeente Maasdriel (hierna: het perceel), te staken en gestaakt te houden. Bij besluit van 10 mei 2005 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft de last met betrekking tot het gebruik van het bedrijfsgebouw, het primaire besluit herroepen door intrekking van de last, voor zover betrekking hebbend op het gebruik van het bedrijfsgebouw op het perceel, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 januari 2006, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 20 april 2006 heeft het college van antwoord gediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. I.C.G. Klein-Hendriks, advocaat te Dordrecht, en het college, vertegenwoordigd door J.J.W.G. van den Oetelaar, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gebruik van de dienstwoning op het perceel door appellant niet in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Ammerzoden" (hierna: het bestemmingsplan). In dit verband betoogt appellant dat bouwvergunning is verleend voor een bedrijfswoning en voorts dat hij op het perceel een agrarisch bedrijf uitoefent. 2.1.1.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden", met de aanduiding agrarisch bouwperceel.    Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, wordt onder dienstwoning verstaan een woning in of bij een gebouw op een terrein, slechts bestemd voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daarin, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in het plan bepaalde.    Ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van de in het eerste, tweede en derde lid, gestelde verboden, indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" primair bestemd voor de uitoefening van het agrarische bedrijf, alsmede voor de bescherming van landschapswaarden. 2.1.2.    Vast staat dat het bedrijfsgebouw op het perceel ten tijde van de beslissing op bezwaar door appellant werd verhuurd aan [huurder] ten behoeve van opslagactiviteiten van niet-agrarische aard. Hiermee werd op het perceel geen agrarisch bedrijf uitgeoefend in de zin van artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften. De omstandigheid dat in een inschrijving bij de Kamer van Koophandel is vastgelegd dat appellant ter plaatse een agrarisch bedrijf uitoefent op het perceel, doet hier niet aan af. De bewoning van de dienstwoning op het perceel was dan ook niet noodzakelijk gelet op de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden". De omstandigheid dat appellant destijds bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een dienstwoning maakt dit niet anders. Dit laat immers onverlet dat het gebruik van de dienstwoning als burgerwoning in strijd is met het bestemmingsplan. De conclusie is dan ook dat is gehandeld in strijd met artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, zodat het college terzake handhavend kon optreden. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. 2.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in het onderhavige geval sprake is van concreet uitzicht op legalisatie. In dit verband stelt appellant dat hij voornemens is in de toekomst weer een champignonkwekerij op het perceel uit te oefenen. Voorts betoogt appellant dat het op de weg van het college had gelegen om in het onderhavige geval een gedoogbesluit te nemen dan wel toepassing te geven aan de zogenoemde "toverformule" als opgenomen in artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften.      Dit betoog faalt eveneens. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het enkele voornemen van appellant om in de toekomst wederom tot uitoefening van een champignonkwekerij te komen op het perceel, onvoldoende is voor de conclusie dat sprake was van concreet uitzicht op legalisatie. Niet is gebleken dat appellant ten tijde van de beslissing op bezwaar concrete stappen had gezet om daadwerkelijk te komen tot het uitoefenen van een agrarisch bedrijf op het perceel.    Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant geen beroep toekomt op de in artikel 4, vijfde lid, van de planvoorschriften opgenomen "toverformule". Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in, onder meer, de uitspraak van 11 september 2002 in zaak no. 200106377/1 (AB 2003, 402) kan slechts gebruik worden gemaakt van de "toverformule" indien zinvol gebruik overeenkomstig de bestemming naar objectieve maatstaven niet meer mogelijk is. In het onderhavige geval is niet gebleken dat een zinvol gebruik ten behoeve van de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" niet meer tot de mogelijkheden behoort. De door appellant gestelde bedrijfseconomische belemmeringen zijn niet van dien aard dat grond bestaat voor een ander oordeel.    Tot slot is het college niet voornemens vrijstelling te verlenen voor de bewoning als burgerwoning van de dienstwoning op het perceel, nu deze bewoning in strijd is met het gemeentelijk en provinciaal beleid, zodat ook in dit opzicht geen sprake was van concreet uitzicht op legalisatie. 2.4.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. In dit verband stelt appellant dat door het college in andere gevallen, waarin tevens sprake was van het gebruik van een dienstwoning als burgerwoning, niet handhavend is opgetreden.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het college, dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen, onjuist is. Ter zitting is van de zijde van het college verklaard dat het tegen vergelijkbare gevallen eveneens handhavend zal optreden. 2.5.    De rechtbank heeft verder in hetgeen appellant heeft betoogd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in het onderhavige geval zodanig onevenredig was in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college hiervan had behoren af te zien. Het college heeft, onder verwijzing naar het handhavingsbeleid van het college zoals neergelegd in de "Notitie handhavingsbeleid" van 27 april 1999, met juistheid het algemeen belang dat is gediend met handhaving zwaarder laten wegen dan de belangen van appellant. Ten slotte dienen de door appellant gestelde bedrijfseconomische omstandigheden voor zijn eigen rekening en risico te blijven. Appellant is reeds bij brief van 24 juli 2000 door het college erop gewezen dat het gebruik van de dienstwoning als burgerwoning niet is toegestaan. 2.6.    Tot slot betoogt appellant tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat de door het college gegunde begunstigingstermijn onredelijk is of dat de last onduidelijk is. Uit het bestreden besluit blijkt voldoende duidelijk wat van appellant verlangd werd ter voldoening aan de last. Voorts is gesteld noch gebleken dat appellant niet binnen de gestelde termijn aan de lastgeving kon voldoen. De omstandigheid dat aan appellant geen gelijke termijn is gegund als aan [huurder] doet aan het voorgaande niet af, nu appellant ook op een andere wijze aan de lastgeving kon voldoen dan door het wederom vestigen van een agrarisch bedrijf op het perceel. 2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink    w.g. Klein Nulent Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 218-503.