Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0826

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200602778/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 2 november 2004 heeft appellant (hierna: het college) aan de naamloze vennootschap "Vodafone Libertel N.V." vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een GSM-mast op het perceel [locatie] te Haaksbergen.


Uitspraak

200602778/1. Datum uitspraak: 25 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen, appellant, tegen de uitspraak in zaak no. 05/520 van de rechtbank Almelo van 10 april 2006 in het geding tussen: de naamloze vennootschap "Vodafone Libertel N.V.", gevestigd te Maastricht en appellant. 1.    Procesverloop Bij besluit van 2 november 2004 heeft appellant (hierna: het college) aan de naamloze vennootschap "Vodafone Libertel N.V." vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een GSM-mast op het perceel [locatie] te Haaksbergen. Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college het daartegen door [partijen] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 2 november 2004 herroepen en de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning alsnog geweigerd. Bij uitspraak van 10 april 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door Vodafone Libertel N.V. ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 12 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Vodafone Libertel N.V. heeft bij brieven van 28 april 2006 en 13 juni 2006 een reactie ingediend. [partijen] hebben bij brief van 13 mei 2006 een reactie ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn stukken ontvangen van Vodafone Libertel N.V. en [partijen]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2006, waar het college, vertegenwoordigd door drs. K.B. Loohuis, burgemeester, en P.M. Paalman-Hendrikson en G.E.M. Willemsen, ambtenaren van de gemeente, is verschenen. Voorts zijn als partijen gehoord Vodafone Libertel N.V., vertegenwoordigd door mr. L. van Es, advocaat te Amsterdam en mr. J.M. Thomissen, gemachtigde, en [partij] in persoon, bijgestaan door J.P.E. Baakman, gemachtigde. 2.    Overwegingen 2.1.    Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college de verleende vrijstelling en bouwvergunning herroepen en deze vergunning alsnog geweigerd. Het college heeft aan dit besluit de overweging ten grondslag gelegd dat mogelijk in de toekomst in de mast UMTS-antennes zullen worden geplaatst. Het college is van oordeel dat - gelet op de mogelijke gezondheidsrisico's - de plaatsing van UMTS-antennes op een locatie in of nabij woonbuurten moet worden voorkomen. 2.2.    Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het college ten onrechte bij zijn standpunt heeft betrokken de mogelijkheid tot plaatsing van die UMTS-antennes nu deze geen onderdeel uitmaken van het bouwplan en ten onrechte op die grond de vrijstelling en bouwvergunning heeft herroepen.    Het daarop gerichte betoog slaagt niet. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 6 september 2006, inzake no. 200509851/1. Blijkens de bouwaanvraag en de daarvan deel uitmakende tekeningen is ook in dit geval uitsluitend beoogd bouwvergunning te verkrijgen voor een mast met GSM-antennes en bijbehorende techniekkast. Dat de mast op zichzelf geschikt is voor de plaatsing daarin van UMTS-antennes en Vodafone Libertel N.V. heeft erkend in de toekomst van die mogelijkheid gebruik te willen maken, doet er niet aan af dat eventuele plaatsing van UMTS-antennes buiten de reikwijdte van de aanvraag valt. De rechtbank is op goede gronden tot dezelfde conclusie gekomen. 2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat. w.g. Claessens    w.g. Willems Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 412.