Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0825

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200601704/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Amsterdam Zuidoost van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het dagelijks bestuur van 19 april 2005, het bestemmingsplan "Geerdinkhof" vastgesteld.


Uitspraak

200601704/1. Datum uitspraak: 25 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellanten], allen wonend te Amsterdam, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2005 heeft de stadsdeelraad van het stadsdeel Amsterdam Zuidoost van de gemeente Amsterdam, op voorstel van het dagelijks bestuur van 19 april 2005, het bestemmingsplan "Geerdinkhof" vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 13 december 2005, kenmerk 2005-33335, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 1 maart 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op 1 maart 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 maart 2006. Bij brief van 4 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door W.J. Ardewijn, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is de stadsdeelraad van het stadsdeel Amsterdam Zuidoost, vertegenwoordigd door drs. ing. S. Boer, ambtenaar van het stadsdeel, als partij gehoord. 2.    Overwegingen Overgangsrecht 2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft. Ontvankelijkheid 2.2.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de planvoorschriften, omdat in artikel 3, vijfde lid, van de planvoorschriften ten onrechte de mogelijkheid van een dakterras op bepaalde woningen aan de Geerdinkhof niet is uitgesloten, en omdat ten onrechte een artikel in de planvoorschriften ontbreekt waarin staat dat bedrijvigheid waarmee een onevenredig beslag wordt gelegd op de beschikbare parkeerplaatsen verboden is. 2.2.1.    De beroepsgronden gericht tegen de planvoorschriften steunen niet op de bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.    Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest ter zake een zienswijze in te brengen. Voor zover hier van belang, doet geen van deze omstandigheden zich voor.    Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk. Toetsingskader 2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. Het standpunt van appellanten 2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de westelijke plangrens, zodat het gebied tussen het Guldenkruispad, het Ganzenhoefpad en de 's-Gravendijkdreef (hierna het gebied ten oosten van de 's-Gravendijkdreef) buiten het plangebied valt. Appellanten menen dat dit gebied, waarin het maaiveld en de taluds naar de 's-Gravendijkdreef, het groengebied tussen Geerdinkhof en Kantershof, de Geerdinkhofweg inclusief taluds en het gebied waarin twee basisscholen en het seniorencomplex "De Gartskamp" zijn gelegen, zou moeten behoren tot het plangebied. Zij stellen dat het plan betrekking dient te hebben op de gehele wijk Geerdinkhof, zodat de begrenzing van het plan gelijk is aan de natuurlijke grenzen van de wijk Geerdinkhof. Voorts is ten gevolge van de vastgestelde westelijke plangrens geen consistent parkeerbeleid mogelijk, aldus appellanten. In dit verband voeren zij aan dat de nabij gelegen scholen en het seniorencomplex extra parkeerdruk opleveren, waarmee geen rekening wordt gehouden. Voorts stellen appellanten dat in de motie van de stadsdeelraad staat dat uitbreiding van tuinen bij de zuidwestelijke grens van de Geerdinkhof mogelijk is. Indien de bewoners de tuinen uitbreiden, zullen de tuinen onder twee bestemmingsplannen vallen, hetgeen volgens appellanten geen goede ruimtelijke ordening is.     Het standpunt van verweerder 2.5.    Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder heeft zich, in navolging van de stadsdeelraad, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een zo duidelijk samenhang tussen het plangebied en het gebied ten oosten van de 's-Gravendijkdreef dat deze vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zou moeten leiden tot een andere begrenzing. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het plan een conserverend karakter heeft. In het gebied ten oosten van de 's-Gravendijkdreef worden wel nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voorzien. Voor dit gebied is een aparte planologische procedure gestart. Vaststelling van de feiten 2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.6.1.    Het plangebied behoort tot de wijk Geerdinkhof. Voorheen viel de hele wijk Geerdinkhof onder het bestemmingsplan "De Bijlmer". Het plangebied bestaat voornamelijk uit laagbouwwoningen met tuinen. In de plantoelichting staat dat het plan een conserverend karakter heeft, waarbij de bestaande situatie wordt vastgelegd en grootschalige ontwikkelingen niet zijn voorzien. Het plan heeft alleen betrekking op de woningen van de wijk Geerdinkhof. Gezien het conserverende karakter van het bestemmingsplan zijn gebieden waar (mogelijk) nieuwe ontwikkelingen aan de orde zijn buiten het plangebied van het bestemmingsplan "Geerdinkhof" gelaten. Het gebied ten oosten van de 's-Gravendijkdreef valt binnen het in procedure zijnde bestemmingsplan "De Nieuwe Bijlmer". In het plangebied van dit bestemmingsplan worden grootschalige ontwikkelingen voorzien. 2.6.2.    Bij zijn besluit tot vaststelling van het plan heeft de stadsdeelraad een motie aangenomen waarin wordt overwogen dat de begrenzing van het bestemmingsplan zodanig is dat niet aan alle inwoners van Geerdinkhof dezelfde mogelijkheden worden geboden wat betreft tuinuitbreiding, dat er geen reden is dat deze mogelijkheid niet als nog gecreëerd wordt en dat er geen reden is het onderhavige bestemmingsplan te vertragen. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel wordt opgedragen om in het, nog te ontwikkelen, aan het bestemmingsplan "Geerdinkhof" grenzende ruimtelijke gebied de mogelijkheid van tuinuitbreiding op te nemen voor de woningen in Geerdinkhof gelegen langs en aan het (huidige) Guldenkruispad en wel tot aan dit Guldenkruispad. Het oordeel van de Afdeling 2.7.    Gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening komt de stadsdeelraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de stadsdeelraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.    Met betrekking tot de vaststelling van de westelijke plangrens heeft verweerder zich, in navolging van de stadsdeelraad, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat tussen het plangebied en het gebied ten oosten van de 's-Gravendijkdreef niet een zodanige samenhang bestaat dat het gebied ten oosten van de 's-Gravendijkdreef in het plan had moeten worden betrokken. Hierbij betrekt de Afdeling dat het plan blijkens de toelichting een conserverend karakter heeft, terwijl voor het gebied ten oosten van de 's-Gravendijkdreef planologische ontwikkelingen worden verwacht. Het plan heeft alleen betrekking op de woningen van de wijk Geerdinkhof. Er is voor gekozen om gebieden met een vergelijkbare situatie en ruimtelijke problematiek (bijvoorbeeld laagbouwwoningen met tuinen) binnen één bestemmingsplan op te nemen. Geerdinkhof is zo'n gebied. Voor het gebied ten oosten van de 's-Gravendijkdreef is een nieuw bestemmingsplan "De Nieuwe Bijlmer" in voorbereiding, waarbij juist wel nieuwe planologische mogelijkheden worden afgewogen en vastgelegd. In de plannen voor nieuwe ontwikkelingen die zijn beoogd buiten het plangebied van het bestemmingsplan "Geerdinkhof" zal blijkens de stukken rekening worden gehouden met de aansluiting op het onderhavige plangebied.    De in de raadsvergadering op 31 mei 2005 aangenomen motie heeft betrekking op de woningen met de lage nummers van de Geerdinkhof. De motie is bedoeld om bewoners dezelfde mogelijkheden te bieden voor tuinuitbreidingen als elders in de Geerdinkhof. Hier zal rekening mee gehouden moeten worden in het nog te ontwikkelen aangrenzende gebied en de daarvoor op te stellen ruimtelijke plannen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze ontwikkelingen op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan "Geerdinkhof" nog onvoldoende bekend waren om mee te kunnen nemen in het bestemmingsplan. Anders dan appellanten menen ziet de motie op de planologische regeling met betrekking tot tuinuitbreidingen in een nog vast te stellen bestemmingsplan dat betrekking heeft op de bewuste gronden en valt hieruit niet af te leiden dat de bedoelde mogelijkheden voor tuinuitbreiding in het onderhavige plan dienen te worden geregeld.    Voorts is niet gebleken dat ten gevolge van de vastgestelde plangrens geen consistent parkeerbeleid mogelijk is. In dat verband neemt de Afdeling in aanmerking dat blijkens de stukken het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor de functies binnen het plangebied. Ten behoeve van de scholen en het seniorencomplex buiten het plangebied dient het daarop betrekking hebbende bestemmingsplan in voldoende parkeermogelijkheden te voorzien.    De Afdeling is, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd. 2.7.1.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. Proceskosten 2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de planvoorschriften,     niet-ontvankelijk; II    verklaart het beroep, voor het overige, ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra    w.g. Van Dorst Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 357-533.