
Jurisprudentie
AZ0819
Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200600497/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200600497/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 28 januari 2003, heeft de gemeenteraad van Schipluiden, thans gemeente Midden-Delfland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 december 2002, het bestemmingsplan "Abtswoude" (hierna "het plan") vastgesteld.
Uitspraak
200600497/1.
Datum uitspraak: 25 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2003, heeft de gemeenteraad van Schipluiden, thans gemeente Midden-Delfland, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 december 2002, het bestemmingsplan "Abtswoude" (hierna "het plan") vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 9 september 2003, kenmerk DRM/ARB/03/2545A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
De Afdeling heeft het besluit van 9 september 2003 bij uitspraak van 15 september 2004, no. 200307043/1, gedeeltelijk vernietigd.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 november 2005, kenmerk DRM/ARB/04/10591A, voor zover nodig, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan "Abtswoude".
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2006, beroep ingesteld.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland. Dit is aan de andere partijen toegezonden.
Na afloop van het vooronderzoek heeft appellant nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2006, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door N.A.M. op de Laak, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Midden-Delfland, vertegenwoordigd door M. Jutte, ambtenaar van de gemeente.
2. Overwegingen
Overgangsrecht
2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.
Toetsingskader
2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.
Standpunt verweerder
2.3. Verweerder heeft het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden -A-" en de subbestemming "Asa: semi-agrarisch bedrijf" aan de [locatie] in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring onthouden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze gronden van een aanduiding "bouwstede" dienen te worden voorzien.
Standpunt van appellant
2.4. Appellant stelt in beroep dat verweerder aan de motivering op grond waarvan hij goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden -A-" en de subbestemming "Asa: semi-agrarisch bedrijf" aan de [locatie], ten onrechte niet mede ten grondslag heeft gelegd dat het plandeel niet voorziet in uitbreiding van zijn bedrijfsbebouwing. Appellant acht uitbreiding van zijn bedrijfsbebouwing nodig vanwege aangescherpte regelgeving van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, onder andere door de eis van een overdekte ontsmettingsplaats, en de eisen die in het kader van dierenwelzijn worden gesteld aan het stallen van vee.
De vaststelling van de feiten
2.5. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.
2.6. Appellant is eigenaar van het perceel [locatie]. De oppervlakte van dit perceel bedraagt ongeveer 2.700 m2. Op het perceel staan een bedrijfswoning en een loods met een oppervlakte van ongeveer 500 m2.
2.7. Ingevolge artikel 16, zesde lid, van de planvoorschriften zijn op de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden -A-" en de subbestemming "Asa: semi-agrarisch bedrijf" in verband met de bestemming onder meer bedrijfsgebouwen toegestaan.
Ingevolge artikel 16, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften mogen de op grond van het zesde lid toegestane gebouwen, voor zover de oppervlakte en goothoogte meer bedragen dan respectievelijk 50 m2 en 2,5 meter uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de daartoe op de kaart aangegeven nadere aanwijzing "bouwstede", met dien verstande dat de oppervlakte ten hoogste 1 ha mag bedragen en de grootste afstand waarbinnen gebouwen mogen worden gebouwd niet meer dan 150 meter mag bedragen en indien de kavelbreedte van de bouwstede minder dan 75 meter bedraagt, de grootste afstand waarbinnen gebouwen mogen worden gebouwd, niet meer dan 200 meter mag bedragen.
Ingevolge artikel 16, zevende lid, onder f, van de planvoorschriften, mogen bedrijfsgebouwen uitsluitend worden gebouwd indien deze nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering en naar aard en inrichting zijn afgestemd op de aard en omvang van het bedrijf.
2.8. Ingevolge artikel 1, onder 18, van de planvoorschriften wordt onder een bouwstede verstaan: een aaneengesloten, voor agrarisch grondgebruik bestemd of mede bestemd terreinoppervlak, dat deel uitmaakt van een agrarisch bedrijf en dat, door een nadere aanwijzing op de plankaart of door in deze voorschriften genoemde maten, naar omvang en afmetingen nader is bepaald.
2.9. Vast staat dat ter plaatse van het perceel van appellant op de plankaart niet de nadere aanwijzing "bouwstede" is opgenomen.
2.10. De Afdeling heeft in de uitspraak van 15 september 2004, als volgt overwogen ten aanzien van het eerste goedkeuringsbesluit over de bestemming van de gronden van appellant aan de [locatie] te [plaats]:
"Op de gronden staat een loods met een oppervlakte van ongeveer 500 m². Deze is met name in gebruik voor opslag. Tegen deze loods staat een afdak annex schuurtje dat in gebruik is als veestal. Ter zitting is van de zijde van appellant voorts onbetwist gesteld dat de bedrijfsruimten zijn gebouwd met een bouwvergunning.
Ingevolge artikel 16, zesde lid, van de planvoorschriften zijn op de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden -A-" met de subbestemming "Asa: semi-agrarisch bedrijf" in verband met de bestemming onder meer bedrijfsgebouwen toelaatbaar. Ingevolge het zevende lid, onder a, mogen de bouwwerken slechts worden gebouwd met inachtneming van de aanwijzingen op de kaart. Voorts is bepaald, voorzover hier van belang, dat de gebouwen die toelaatbaar zijn op grond van het zesde lid uitsluitend mogen worden gebouwd ter plaatse van de daartoe op de kaart aangegeven nadere aanwijzing "bouwstede" voorzover de oppervlakte en goothoogte meer bedragen dan respectievelijk 50 m² en 2,5 meter. (…) Voor de in geding zijnde gronden is niet de nadere aanwijzing "bouwstede" opgenomen.
Uit het vorenstaande volgt dat de bestaande bedrijfsruimten niet als zodanig zijn bestemd (…).
Ter zitting is van de zijde van verweerder erkend dat hij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat de bestaande bebouwing niet als zodanig is bestemd. Nu verweerder zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. (…) "
Het oordeel van de Afdeling
2.11. Door de onthouding van goedkeuring aan het plandeel waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellant zijn gericht, is in zoverre aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan.
De Afdeling vat het beroep van appellant daarom aldus op dat hij zich ertegen verzet dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd.
2.12. De Afdeling stelt vast dat de gronden van appellant, gelet op het bestreden besluit en de uitspraak van de Afdeling van 15 september 2004 in het nieuwe, ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op te stellen plan, een nadere aanwijzing "bouwstede" zullen krijgen. Dit brengt mee dat het plan op de gronden van appellant zal voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijfsgebouwen. Hieraan doet niet af dat bedrijfsgebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd indien deze nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering en naar aard en inrichting zijn afgestemd op de aard en omvang van het bedrijf. De stelling van appellant dat het opnemen van de nadere aanwijzing bouwstede voor zijn gronden niet mede betekent dat uitbreidingsmogelijkheden ten behoeve van bedrijfsgebouwen op zijn perceel worden geboden, mist derhalve feitelijke grondslag.
2.13. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder aan de motivering van de onthouding van goedkeuring tevens de door appellant aangevoerde redenen ten grondslag had moeten leggen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.
Proceskostenveroordeling
2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.
De Voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Taal
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006
325-525.