Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0815

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200603135/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 17.2, eerste lid, in samenhang met artikel 17.1 van de Wet milieubeheer.


Uitspraak

200603135/1. Datum uitspraak: 25 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [plaats], en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 17.2, eerste lid, in samenhang met artikel 17.1 van de Wet milieubeheer. Bij besluit van 14 maart 2006, verzonden op 16 maart 2006, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 mei 2006. Bij brief van 17 juli 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.F.C. Kisters, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ingevolge artikel 17.1 van de Wet milieubeheer treft, indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, degene die de inrichting drijft, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.    Ingevolge artikel 17.2, eerste lid, van die wet, voor zover hier van belang, meldt degene die een inrichting drijft, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1, voordoet of heeft voorgedaan, dat voorval zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor een inrichting te verlenen. 2.2.    Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd, omdat volgens haar op 8 juni 2005 een brand in de knipschaar in strijd met artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 17.1 van die wet, niet zo spoedig mogelijk is gemeld. De brand is volgens verweerder om 11.30 uur ontstaan, terwijl de melding aan de bij de inrichting gearriveerde ambtenaren van de provincie eerst omstreeks 13.20 uur is gedaan. 2.3.    Appellante betwist dat de melding van de brand niet zo spoedig mogelijk is gemeld. Volgens haar is de melding wel zo spoedig mogelijk gedaan, nu die binnen twee uur na het ontstaan van de brand heeft plaatsgevonden. Volgens haar hadden calamiteitbestrijdingsacties prioriteit. Deze acties betroffen volgens haar in dit geval het inschakelen van brandweer, politie en ziekenauto, het herstellen van de elektriciteitsuitval, het inschakelen van materieel en eigen mensen ten behoeve van de brandweer en de toegankelijkheid van de hulpdiensten, het waarschuwen en geruststellen van omliggende bedrijven en buren en het vrijmaken van het terrein voor nablussen. Voorts heeft [gemachtigde] als lid van de vrijwillige brandweer geassisteerd bij het bestrijden van de brand. Volgens appellante was er eerst na ongeveer anderhalf uur tijd om het ongewone voorval te melden. 2.3.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de eerste prioriteit bij een brand uiteraard het blussen daarvan dient te zijn, doch dat dit ongewone voorval niet zo spoedig mogelijk aan hem is gemeld. Verweerder leidt dit onder meer af uit het feit dat de telefoon direct werd opgenomen, toen een ambtenaar van de afdeling Handhaving van de provincie om 13.15 uur telefonisch informeerde naar de brand. Volgens verweerder is voorts tijdens de hoorzitting van de bezwarencommissie gebleken dat [gemachtigde] zijn verzekeringsagent te woord heeft gestaan vóórdat de melding bij verweerder is gedaan. Verder valt volgens verweerder niet in te zien dat, als [gemachtigde] nog geen tijd had om een melding te doen, niet één van de medewerkers dit had kunnen doen. 2.3.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat de brand in de knipschaar van de inrichting een ongewoon voorval betreft. Het geschil dat partijen verdeeld houdt, is de vraag of dit ongewone voorval zo spoedig mogelijk als bedoeld in artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is gemeld bij verweerder. Tussen partijen is niet in geschil dat de brand in de knipschaar op 8 juni 2005 omstreeks 11.30 uur is ontstaan. Appellante heeft ter zitting verklaard dat om 12.45 uur het sein "brand meester" is gegeven. Dit is door verweerder niet bestreden. Partijen verschillen wel van mening over het tijdstip waarop de ambtenaren van de provincie bij de inrichting zijn gearriveerd, waarna aan hen onmiddellijk melding is gedaan van het ongewone voorval. Appellante heeft ter zitting verklaard dat dit plaatsvond om 13.10 uur, terwijl dit volgens verweerder gebeurde om 13.20 uur.    De Afdeling overweegt dat het voor de vraag of het ongewone voorval in dit geval zo spoedig mogelijk is gemeld bij verweerder, niet ter zake doet of de melding nu om 13.10 uur of om 13.20 uur is gedaan. Ook als die melding om 13.10 uur zou hebben plaatsgevonden, is het ongewone voorval niet zo spoedig mogelijk gemeld als bedoeld in artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Immers, niet valt in te zien waarom na ontdekking van het ongewone voorval wel de brandweer en andere hulpdiensten konden worden gebeld, doch niet verweerder. Daarbij is van belang dat blijkens de stukken [gemachtigde] op dat moment niet alleen werkzaam was in de inrichting. Naast andere medewerkers is blijkens het verhandelde ter zitting een receptioniste in de inrichting werkzaam, die op de dag van het ongewone voorval werd vervangen door de echtgenote van [gemachtigde]. Voor zover ter zitting is gesteld dat verweerder niet kon worden gebeld omdat de telefoon was uitgevallen, wekt het bevreemding dat wel de brandweer en andere hulpdiensten konden worden gebeld. Voorts valt niet in te zien dat geen van de medewerkers van appellante in staat is geweest verweerder met een mobiele telefoon te bellen. Nu verder de in het beroepschrift omschreven activiteiten die hebben plaatsgevonden vóór 13.00 uur niet alle kunnen worden omschreven als activiteiten die direct gericht zijn op het bestrijden van de calamiteit, zoals het geruststellen van omliggende bedrijven en buren, kan niet worden geoordeeld dat eerst vanaf 13.00 uur van appellante verwacht mocht worden dat zij het ongewone voorval bij verweerder zou melden. Dit geldt temeer, nu volgens appellante reeds om 12.45 uur het sein "brand meester" werd gegeven.    Gezien het vorenstaande is het ongewone voorval niet zo spoedig mogelijk gemeld aan het bevoegd gezag. 2.4.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden. Voor zover appellante betoogt dat verweerder niet handhavend mocht optreden, nu sprake is van een preventieve dwangsom en ingevolge de jurisprudentie handhaving in een dergelijk geval alleen mogelijk is indien zich een dreigende overtreding voordoet, overweegt de Afdeling dat van een preventieve dwangsom geen sprake is, nu handhaving in dit geval heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een reeds gepleegde overtreding. 2.5.    Appellante betoogt dat verweerder in het bestreden besluit de grondslag van zijn besluit ten onrechte gedeeltelijk heeft gewijzigd ten opzichte van het besluit in primo. Het in het besluit in primo aangehaalde voorschrift 13.17 van de vergunning van 13 januari 2005 is volgens haar in het bestreden besluit ten onrechte vervangen door voorschrift 14.9 uit de vergunning van 25 april 1997. 2.5.1.    Hoewel in de considerans van het besluit in primo van 13 oktober 2005 is overwogen dat voorschrift 13.17 van de bij besluit van 13 januari 2005 verleende revisievergunning is overtreden, heeft verweerder bij dat besluit in primo geen last opgelegd die ertoe strekt herhaling van overtreding van dat voorschrift te voorkomen. Evenmin is bij het bestreden besluit een last opgelegd die ertoe strekt herhaling van overtreding van voorschrift 14.9 van de bij besluit van 25 april 1997 verleende revisievergunning te voorkomen. Nu van de door appellante bedoelde wijziging van de grondslag geen sprake is, mist het beroep in zoverre feitelijke grondslag.    Gezien het vorenstaande behoeft de grond dat van overtreding van laatstgenoemd voorschrift 14.9 geen sprake is, geen verdere bespreking. 2.6.    Voor zover appellante stelt dat het doen van een telefonische melding geen nadelige effecten voorkomt van een ongewoon voorval, maar dat deze worden tegengegaan en zo mogelijk voorkomen door onmiddellijke inschakeling van hulpdiensten en eigen maatregelen en voorzieningen door het bedrijf en zijn medewerkers, beoogt appellante kennelijk de zin van artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer aan de orde stellen. Nu de onderhavige procedure zich daartoe niet leent, kan het beroep ook in zoverre geen doel treffen. 2.7.    Voor zover appellante stelt dat de op het bedrijf aanwezige ambtenaren van de provincie op het moment van de telefonische melding al 20 minuten rondkeken en koffie dronken op het terrein van de inrichting, overweegt de Afdeling dat, afgezien van de vraag of die stelling juist is, niet valt in te zien waarom het bestreden besluit vanwege die omstandigheid voor vernietiging in aanmerking zou komen. Het beroep treft in zoverre geen doel. 2.8.    Appellante betoogt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en ontoereikend is gemotiveerd, nu verweerder het bezwaar dat de dwangsom niets toevoegt aan de reeds bestaande verplichting voor appellante om zich aan de artikelen 17.1 en 17.2 van de Wet milieubeheer te houden, niet heeft weerlegd. Het beroep kan in zoverre niet slagen, nu het ook zonder motivering van verweerder op dit punt duidelijk moet zijn dat de wetenschap dat een dwangsom zal worden verbeurd bij overtreding, een extra stimulans voor appellante vormt om zich aan die artikelen te houden. 2.9.    Voor zover appellante betoogt dat verweerder de hoogte van de dwangsom, te weten € 1.500,00 euro per overtreding, onvoldoende heeft gemotiveerd, overweegt de Afdeling dat er geen grond is voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Van een motiveringsgebrek is in zoverre dan ook geen sprake. Het beroep kan ook in zoverre niet slagen. 2.10.    Het beroep is ongegrond. 2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat. w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Lap Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 288.