
Jurisprudentie
AZ0814
Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200603324/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200603324/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 10 maart 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid en onder b, van de Wet milieubeheer, verleend voor het veranderen van een inrichting voor de opslag en verwerking van en de handel in meststoffen, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 20 maart 2006 ter inzage gelegd.
Uitspraak
200603324/1.
Datum uitspraak: 25 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid en onder b, van de Wet milieubeheer, verleend voor het veranderen van een inrichting voor de opslag en verwerking van en de handel in meststoffen, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 20 maart 2006 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 1 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.
Bij brief van 13 juli 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.A.M. Priems en drs. B. Schoutsen, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigden].
2. Overwegingen
2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.
Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.
2.2. Appellanten stellen dat door vergunningverlening een beschermde diersoort wordt verstoord. In dat verband stellen zij dat een buizerd zijn nest heeft op het perceel [locatie a].
2.2.1. Verweerder merkt op dat het perceel waarop zich het nest van de buizerd bevindt, op 160 meter afstand van de inrichting is gelegen. Voorts merkt hij op dat het om een reeds lang bestaande inrichting gaat en de verleende veranderingsvergunning geen perceeluitbreiding met zich brengt.
2.2.2. De Afdeling overweegt dat bescherming van diersoorten primair aan de orde komt in het kader van de beoordeling of een ontheffing krachtens de Flora- en faunawet is vereist en kan worden verleend. De Afdeling overweegt dat, voor zover het de aanvullende beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer betreft, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanig nadelige gevolgen voordoen voor de door appellanten naar voren gebrachte diersoort dat daarom de vergunning moet worden geweigerd of nadere voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden.
2.3. Appellanten stellen dat verweerder bij het bestreden besluit voor hun woning aan [locatie b] piekgeluidgrenswaarden had moeten vaststellen van 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. In dit verband merken zij op dat ingevolge paragraaf 3.2 van de Handreiking dient te worden gestreefd naar het voorkomen van maximale geluidniveaus die meer dan 10 dB(A) boven het aanwezige equivalente geluidniveau uitkomen. Appellanten stellen dat verweerders een geluidscherm van Kokosystems BV hadden moeten voorschrijven, zodat aan de door appellanten gewenste piekgeluidgrenswaarden kan worden voldaan.
2.3.1. Ingevolge voorschrift 6.2 van de onderliggende revisievergunning van 8 mei 2003, voor zover hier van belang, gelden op de woning van appellanten piekgeluidgrenswaarden van 55 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode. Daarbij geldt gedurende de dagperiode een beoordelingshoogte van 1,5 meter en gedurende de avond- en nachtperiode een beoordelingshoogte van 5 meter.
2.3.2. In de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening wordt aanbevolen om maximaal piekgeluidgrenswaarden in de vergunningvoorschriften op te nemen van 70, 65 en 60 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. De piekgeluidgrenswaarden die ingevolge voorschrift 6.2 van de onderliggende revisievergunning gelden ter plaatse van de woning van appellanten, zijn gedurende die perioden onderscheidenlijk 15, 10 en 5 dB lager. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die piekgeluidgrenswaarden toereikend zijn en dat het niet nodig is om de geluidbelasting verder te reduceren. Het beroep treft in zoverre geen doel.
2.4. Volgens appellanten heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de in de onderliggende revisievergunning gestelde piekgeluidgrenswaarde van 55 dB(A) niet zal worden overschreden door de nieuw vergunde activiteiten. Uit bijlage 3 van het akoestisch rapport blijkt volgens hen dat na meteocorrectie het piekgeluid dat wordt veroorzaakt door het storten van stenen, 55,2 dan wel 58,8 dB(A) bedraagt.
Voorts stellen appellanten dat door cumulatie van piekgeluiden overschrijdingen van de piekgeluidgrenswaarden kunnen ontstaan. Volgens hen is er een grote kans op een dergelijke cumulatie, nu in de inrichting verscheidene bedrijfsprocessen gelijktijdig plaatsvinden.
2.4.1. Uit de tabel "pieken Bijdrage van hoofdgroep op ontvangerpunt 5_B - Waarneempunt woning nr. […]" van bijlage 3 van het akoestisch rapport van AMP van 30 januari 2006, kenmerk A.1196-3 (hierna te noemen: het akoestisch rapport), kan volgens verweerder worden afgeleid dat het optredende piekgeluidniveau voor de woning [locatie b] gedurende de avond- en nachtperiode 51,6 dB(A) bedraagt, zodat van een overschrijding geen sprake is.
Voorts stelt verweerder dat de kans verwaarloosbaar klein is dat piekgeluiden die het gevolg zijn van het storten van stenen, het stoten van containers en de tractor op het terrein, gelijktijdig optreden.
2.4.2. Zowel uit de tabel "Lmax totaal resultaten voor ontvangers" van bijlage 3 van het akoestisch rapport als uit de in diezelfde bijlage 3 opgenomen tabellen "pieken Bijdrage van hoofdgroep op ontvangerpunt 5_A - Waarneempunt woning nr. […]" en "pieken Bijdrage van hoofdgroep op ontvangerpunt 5_B - Waarneempunt woning nr. […]" kan worden afgeleid dat het maximaal optredende geluidniveau op de woning [locatie b] in de dagperiode op een hoogte van 1,5 meter 55,2 dB(A) bedraagt en in de avond- en nachtperiode op een hoogte van 5 meter 51,6 dB(A) bedraagt. Nu een waarde van 55,2 dB(A) moet worden afgerond op 55 dB(A), kan derhalve ook met de bij het bestreden besluit vergunde activiteiten worden voldaan aan de op grond van voorschrift 6.2 van de onderliggende revisievergunning voor deze woning geldende piekgeluidgrenswaarden van 55 dB(A). De door appellanten bedoelde 58,8 dB(A) is de waarde die in de tabel "Lmax totaal resultaten voor ontvangers" is vermeld als de maximale geluidwaarde die op de woning [locatie b] in de dagperiode optreedt op een hoogte van 5 meter. Ingevolge voorschrift 6.2 dient het maximale geluidniveau in die periode evenwel op een hoogte van 1,5 meter te worden beoordeeld. Derhalve is van een overschrijding van de in dit voorschrift gestelde piekgeluidgrenswaarden geen sprake. Het beroep kan in zoverre geen doel treffen.
Gezien de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling het niet aannemelijk dat twee of meer voor de woning van appellanten relevante piekgeluiden zich op hetzelfde moment zullen voordoen. Een overschrijding van de piekgeluidgrenswaarden als gevolg van cumulatie van dergelijke geluiden is dan ook niet te verwachten. Het beroep kan ook in zoverre niet slagen.
2.5. Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Lap
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006
288