Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0812

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200600914/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 9 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van achttien woningen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Ouderkerk, sectie c, nummers 3777 en 3778, gelegen aan de Sportlaan te Ouderkerk aan den IJssel (hierna: het perceel).


Uitspraak

200600914/1. Datum uitspraak: 25 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/3899 van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 december 2005 in het geding tussen: appellanten en het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk. 1.    Procesverloop Bij besluit van 9 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van achttien woningen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Ouderkerk, sectie c, nummers 3777 en 3778, gelegen aan de Sportlaan te Ouderkerk aan den IJssel (hierna: het perceel). Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 december 2005, verzonden op 2 januari 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 27 maart 2006 heeft vergunninghoudster, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend. Bij brief van 28 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 15 september 2006 hebben appellanten een nadere reactie ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2006, waar elf appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan de Rijn, en J.F. Lansbergen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. J.R. Vermeulen, advocaat te Rotterdam, en J.L. van Loon. 2.    Overwegingen 2.1.    Ter zitting is komen vast te staan dat drie van de appellanten, te weten [namen 3 appellanten], inmiddels zijn verhuisd. Zij zijn niet ter terechtzitting verschenen en waren aldaar evenmin vertegenwoordigd. Nu niet kan worden uitgesloten dat zij nog belang hebben bij hun hoger beroep, wordt er vanuit gegaan dat dit wel het geval is, zodat in zoverre geen grond bestaat hen niet-ontvankelijk te verklaren in het mede namens hen ingestelde hoger beroep.    Ten aanzien van het hoger beroep van [3 appellanten], die bij machtiging van 1 september 2006 [gemachtigden] hebben gemachtigd hun belangen in deze procedure te behartigen, merkt de Afdeling op dat deze personen geen bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 9 november 2004, zodat voor hen hiertegen de rechtsmiddelen van beroep en hoger beroep niet open staan. Bovendien hebben deze appellanten niet tijdig hoger beroep ingesteld. 2.2.    Niet in geschil is dat het bouwplan voor de 18 woningen in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dorp Kerkweg, kern Ouderkerk aan den IJssel, gemeente Ouderkerk". Het bouwplan is voorzien op gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden". Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO). 2.3.    Appellanten betogen met succes dat de rechtbank heeft miskend dat niet het college, maar de raad van de gemeente Ouderkerk (hierna: de raad) bevoegd was tot het nemen van een beslissing op hun bezwaarschrift ter zake van het vrijstellingsbesluit van 9 november 2004.    Bij besluit van 6 juli 2000 heeft de raad de bevoegdheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO gedelegeerd aan het college en bepaald dat dit besluit een werkingsduur heeft van één jaar. Bij besluit van 23 mei 2001 heeft de raad een gewijzigd delegatiebesluit genomen waarbij uitsluitend de bepaling van de werkingsduur van één jaar is komen te vervallen. Op 16 december 2004 heeft de raad wederom een gewijzigd delegatiebesluit genomen, waarbij de raad voornoemde bevoegdheid aan zich heeft gehouden ter zake van nieuwbouwprojecten van twee of meer woningen. De raad heeft hierbij geen uitzondering gemaakt voor lopende projecten of het besluit beperkt tot nieuwe projecten. Nu de raad door de wijziging van het delegatiebesluit met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit bevoegd was tot het verlenen van vrijstelling voor nieuwbouwprojecten van twee of meer woningen, was hij tevens het bevoegde orgaan om te beslissen op het bezwaar tegen de voor dit nieuwbouwproject van 18 woningen verleende vrijstelling. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 2.4.    Gezien het hiervoor overwogene komt de Afdeling niet toe aan hetgeen appellanten voorts in hoger beroep hebben aangevoerd. 2.5.    Het hoger beroep van appellanten, voor zover ontvankelijk, is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het besluit van 26 april 2005 vernietigen.    De Afdeling merkt nog op dat bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar nader aandacht zal dienen te besteden aan de vraag of de [namen 3 appellanten] nog belanghebbenden zijn bij het besluit van 9 november 2004. 2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart het hoger beroep van [3 appellanten] niet-ontvankelijk; II.    verklaart het hoger beroep van de overige appellanten gegrond; III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 december 2005, AWB 05/3899; IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk van 26 april 2005, JWW/310; V.    gelast dat de gemeente Ouderkerk aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat. w.g. Slump    w.g. Steinebach-de Wit Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 328-488.