
Jurisprudentie
AZ0811
Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200601239/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200601239/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 12 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een erker aan de voorzijde van het pand [locatie] te Geldrop.
Uitspraak
200601239/1.
Datum uitspraak: 25 oktober 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1771 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 januari 2006 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een erker aan de voorzijde van het pand [locatie] te Geldrop.
Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 januari 2006, verzonden op 11 januari 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 13 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 februari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 20 april 2006 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door B.A. Brugman en mr. M.P.H. Gofers, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder].
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 44, tweede en derde lid, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid en onder d, van die wet, mag slechts en moet een lichte bouwvergunning worden geweigerd indien, voor zover hier van belang, het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand.
2.2. Niet in geschil is dat de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van de Woningwet zich niet voordoen.
2.3. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 december 2004 in zaak no. 200404408/1 moet naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bij de welstandstoetsing aan het advies van de welstandscommissie als regel groot gewicht worden toegekend. De Woningwet voorziet niet zonder reden in de instelling van een commissie van onafhankelijke deskundigen voor het uitbrengen van adviezen over ingediende bouwplannen. Deze advisering moet worden gezien als een waarborg voor een verantwoorde en - binnen zekere grenzen - geobjectiveerde beoordeling van welstandsaspecten. Hoewel het college niet aan het advies van de commissie gebonden is en het voor de beslissing verantwoordelijk is, mag het aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het advies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij een tegenadvies wordt overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders, indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.
2.3.2. De Welstandszorg Noord-Brabant (hierna: de welstandszorg) heeft op 12 november 2004 ten aanzien van het bouwplan een positief advies uitgebracht. Door appellanten zijn tegenadviezen van diverse architecten overgelegd. Gelet op de uiteenzetting in de beslissing op bezwaar moet worden geoordeeld dat het college het overnemen van het advies van de welstandszorg in voldoende mate heeft toegelicht. Daarbij is van belang dat de welstandszorg naar aanleiding van de voormelde tegenadviezen haar eerder ingenomen standpunt bij advies van 22 februari 2005 gemotiveerd heeft gehandhaafd, hetgeen het college in voormelde beslissing heeft betrokken. Uit de stukken, noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het advies van de welstandszorg naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.
Ter zitting is door het college aangegeven dat met de opmerking in het besluit van 26 april 2005 dat de nadere reacties van bezwaarmakers niet zijn onderbouwd met een deskundigenadvies, slechts is bedoeld dat na het aanvullende advies van de welstandszorg van 22 februari 2005 niet opnieuw deskundigenadviezen zijn overgelegd.
Het betoog van appellanten dat onvoldoende rekening is gehouden met de door hen ingebrachte tegenadviezen faalt, gelet op het advies van de welstandszorg van 22 februari 2005, waarin deze op de in de tegenadviezen naar voren gebrachte bezwaren tegen het bouwplan is ingegaan. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet naar dit advies heeft kunnen verwijzen. Dat in het advies van de welstandszorg niet alle in de tegenadviezen ingebrachte punten afzonderlijk zijn weerlegd kan aan het vorenstaande niet afdoen.
Voorts faalt het betoog van appellanten dat de opsomming van de van de toepassing zijnde passages uit de gemeentelijke welstandsnota in de aangevallen uitspraak niet volledig is. Wat daar ook van zij, gelet op de gedingstukken moeten de passages die volgens appellanten hadden moeten worden opgenomen bij de rechtbank bekend worden geacht en heeft zij mede op grond daarvan uitspraak gedaan.
2.3.3. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Het betoog van appellanten faalt.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006
444.