Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0806

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200605238/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 31 mei 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Chios Real Estate Properties B.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een musicaltheater met horecavoorzieningen en een parkeergarage aan de Europaboulevard ongenummerd (voorheen nr. 23) te Amsterdam. Dit besluit is op 8 juni 2006 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200605238/2. Datum uitspraak: 18 oktober 2006. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: de vereniging "Bewonersvereniging De Miranda-buurt", gevestigd te Amsterdam, verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Chios Real Estate Properties B.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een musicaltheater met horecavoorzieningen en een parkeergarage aan de Europaboulevard ongenummerd (voorheen nr. 23) te Amsterdam. Dit besluit is op 8 juni 2006 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 17 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2006, beroep ingesteld. Bij brief van 31 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2006, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 oktober 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door S. de Haan en M. Staalen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en mr. H.W. Bartels, P.H. de Groot, mr. H. Drupsteen, V.P. Fournadjiev en drs. A.L. de Jong, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Fransen, advocaat te Amsterdam, en ir. A.W. Bekker. 2.    Overwegingen 2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2.    Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.    Verzoekster heeft geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot geurhinder. Nu niet is gebleken dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, verwacht de Voorzitter dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren. De Voorzitter ziet in zoverre dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 2.3.    Verzoekster heeft voorts bezwaren aangevoerd over geluidhinder en luchtkwaliteit. Zij betwijfelt - kort weergegeven - of met de in dit geval te treffen maatregelen kan worden voldaan aan de voor deze aspecten geldende normen. In verband met het aspect luchtkwaliteit betoogt zij daarbij dat in de huidige situatie niet wordt voldaan aan de geldende normen. Met de oprichting van de inrichting zal in verband met de toename van verkeersbewegingen volgens haar een verdere overschrijding van deze normen plaatsvinden.    De Voorzitter overweegt dat deze aspecten nader onderzoek vergen. De onderhavige procedure leent zich hier echter niet voor. Aan de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is in verband met de bodemprocedure gevraagd een deskundigenbericht uit te brengen. De zitting in de hoofdzaak kan naar verwachting over een beperkt aantal maanden plaatshebben. In dit stadium ziet de Voorzitter, gehoord het verhandelde ter zitting en gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 2.4.    Gezien het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat. w.g. Konijnenbelt    w.g. Van Leeuwen Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006. 373