Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0800

Datum uitspraak2006-10-25
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200509202/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 1 februari 2005 heeft de gemeenteraad van Schiedam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 januari 2005, het bestemmingsplan "Abtswoude 2006" vastgesteld.


Uitspraak

200509202/1. Datum uitspraak: 25 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2.    de stichting "Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie", gevestigd te Rotterdam, appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2005 heeft de gemeenteraad van Schiedam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 januari 2005, het bestemmingsplan "Abtswoude 2006" vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 20 september 2005, kenmerk DRM/ARB/05/2041A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 15 november 2005, op dezelfde dag per faxbericht bij de Raad van State ingekomen, en appellante sub 2 bij brief van 16 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2005, beroep ingesteld. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 21 april 2006 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2006, waar appellant sub 1, in persoon en bijgestaan door mr. M. Hofland, advocaat te Rotterdam, appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. drs. J. Rutteman, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. L. Berkemeijer, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Schiedam, vertegenwoordigd door R.S.M. van der Kuijp en C.M. van der Vaart, ambtenaren van de gemeente. 2.    Overwegingen Overgangsrecht 2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft. Toetsingskader 2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast. Het beroep van [appellant sub 1] Standpunt van appellant 2.3.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "langzaamverkeersverbinding", voor zover deze is gesitueerd op gronden van appellant aan de [locatie 1]. Hij stelt daartoe dat het beoogde fietspad langs zijn woning en paardenhouderij hinder en overlast zal veroorzaken. Het ligt te dicht bij het bedrijf en doorsnijdt de paardenweiden. Ten onrechte is verweerder niet ingegaan op een door hem aangedragen alternatief.    Appellant stelt voorts in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied (N)" voor het perceel [locatie 2]. Daartoe stelt hij dat ten onrechte en zonder noodzaak de bouwmogelijkheid voor een woning op dit perceel bij de vaststelling uit het plan is verwijderd. Het is hierdoor onmogelijk geworden om een woning te realiseren met als doel bewoning door appellant en overname van de bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 1] door zijn zoon. Standpunt van verweerder 2.4.    Verweerder heeft de planonderdelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd.    Hij stelt zich op het standpunt dat de fietsverbinding voortvloeit uit de Reconstructiewet Midden-Delfland en het deelplan Abtswoude. In het kader van het opstellen van dit deelplan heeft, na overleg met de Dienst Landelijk Gebied, Vereniging Natuurmonumenten, het Recreatieschap Midden-Delfland en appellant, een belangenafweging plaatsgevonden met betrekking tot het tracé van het fietspad. Daarbij is uit een oogpunt van verkeersveiligheid, op verzoek van appellant, het fietspad naast de Groeneweg gesitueerd. Bij het bepalen van de ligging van het fietspad is rekening gehouden met de begrenzing van het natuurgebied. Volgens verweerder is niet aangetoond dat appellant bedrijfseconomische schade lijdt ten gevolge van de ligging van het fietspad. Hierbij neemt hij in aanmerking dat de gronden die worden doorsneden door het fietspad binnen de planperiode zullen worden overgedragen aan de Vereniging Natuurmonumenten.    Het perceel [locatie 2] is verworven ten behoeve van de inrichting van het reservaatgebied. Het perceel met de zich daarop bevindende opstallen is verpacht. De opstallen zullen worden gesloopt op het moment dat daadwerkelijke inrichting van het reservaat plaatsvindt. Gelet hierop stemt verweerder in met de verwijdering van de aanduiding "burgerwoning" bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Vaststelling van de feiten 2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.5.1.    Het plangebied is onderdeel van het Reconstructiegebied Midden-Delfland en ligt in het deelgebied Abtswoude, waarvoor op grond van artikel 40 van de Reconstructiewet Midden-Delfland bij besluit van 10 december 1996 door verweerder het zogenoemde "Plan van voorzieningen voor het deelgebied Abtswoude" is vastgesteld. Het plangebied betreft het Schiedamse deel van Abtswoude, dat wordt begrensd door het tracé van de geprojecteerde Rijksweg A4, de woonwijken Woudhoek en Spaland en de spoorlijn Schiedam-Delft. Met het bestemmingsplan wordt beoogd de benodigde functiewisselingen en werkzaamheden, die in het genoemde deelplan in het kader van de reconstructie staan beschreven, vast te leggen. Daarnaast voorziet het plan in herziening van enkele verouderde bestemmingsplannen voor dit gebied. 2.5.2.    Appellant woont aan de [locatie 1] te [plaats] en exploiteert aldaar een paardenhouderij. Dat perceel heeft de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" met de subbestemming "Manege (Rsm)" gekregen. De overige daaromheen gelegen gronden hebben de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de subbestemming "Landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden (Aln)" en - waaronder het perceel [locatie 2] - de bestemming "Natuurgebied (N)" gekregen. 2.5.3.    Het perceel [locatie 2] ligt in het landelijk gebied tussen de spoorlijn en de Groeneweg. Op het perceel staan twee bedrijfsgebouwen en een stacaravan. Blijkens het deskundigenbericht heeft appellant in het verleden op dit perceel een melkveehouderij geëxploiteerd. De voormalige bedrijfswoning is in 1984 afgebrand. Sindsdien vinden op het perceel geen zelfstandige agrarische bedrijfsactiviteiten meer plaats. De twee bedrijfsgebouwen zijn zwaar vervallen en dienen te worden gesloopt. Het perceel met bijbehorende gronden wordt door appellant gepacht van de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.    In het ontwerpplan was voor het perceel [locatie 2] de aanduiding "burgerwoning" opgenomen. Deze aanduiding is bij de vaststelling van het plan verwijderd, zodat ingevolge artikel 13 van de planvoorschriften op het als "Natuurgebied (N)" bestemde perceel geen burgerwoning is toegestaan. 2.5.4.    De ligging van het tracé van het fietspad is vastgelegd in het zogenoemde Plan van Wegen- en Waterlopen en het landschapsplan dat ingevolge artikel 70 van de Reconstructiewet Midden-Delfland 1977 bij besluit van 10 april 2002 door verweerder is vastgesteld. Dit plan is onherroepelijk.    Volgens de plantoelichting wordt beoogd met deze aanduiding mogelijk te maken dat het thans doodlopende fietspad vanuit Midden-Delfland via een vrijliggend tracé parallel aan de Groeneweg wordt voortgezet in zuidelijke richting. Hiermee ontstaat een doorlopende fietsroute tussen Delft en Schiedam. Oordeel van de Afdeling 2.6.    Zoals uit de overwegingen 2.5.2. en 2.5.3. blijkt, vinden op het perceel [locatie 2] reeds sinds 1984 geen zelfstandige agrarische bedrijfsactiviteiten meer plaats. Het paardenhouderijbedrijf van appellant met de daarbij behorende bedrijfswoning is thans gevestigd op het perceel [locatie 1]. De wens van appellant om op het perceel [locatie 2] een nieuwe woning te bouwen ziet derhalve op de bouw van een burgerwoning. De in het ontwerpplan opgenomen aanduiding "burgerwoning" voor het perceel [locatie 2] is bij de vaststelling van het plan verwijderd. Blijkens de stukken heeft de gemeenteraad hiertoe besloten omdat deze aanduiding meebrengt dat een nieuwe burgerwoning wordt mogelijk gemaakt en het provinciale beleid de vestiging van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied niet toestaat. Dat de vestiging van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied volgens het streekplanbeleid met het oog op het tegengaan van verstening in het buitengebied niet is toegestaan, is door appellant niet bestreden. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gewijzigde planvaststelling in overeenstemming is met het provinciaal beleid.    Voorts heeft verweerder in redelijkheid bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat het perceel [locatie 2] is verworven ten behoeve van de inrichting van het te ontwikkelen natuurgebied. Het perceel met de opstallen wordt door appellant gepacht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter aannemelijk geworden dat binnen de planperiode de pachtovereenkomst zal worden beëindigd en de opstallen gesloopt, zodat de daadwerkelijke inrichting van deze gronden in het kader van natuurbeheer door de Vereniging Natuurmonumenten, in overeenstemming met het Reconstructieplan, kan plaatsvinden.    Het voorgaande in aanmerking genomen heeft verweerder in redelijkheid aan de wens van appellant betreffende de mogelijkheid tot het bouwen van een woning op dit perceel voorbij kunnen gaan. In hetgeen appellant overigens op dit punt heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. 2.6.1.    Het beoogde fietspad, dat is voorzien aan de westzijde van de Groeneweg en daarna afbuigt richting de spoorlijn, heeft de aanduiding "langzaamverkeersverbinding" en doorkruist gronden die eigendom zijn van appellant of door hem worden gepacht. Deze gronden worden in het voorjaar en de zomer door appellant gebruikt voor de beweiding van zijn ongeveer 70  paarden. De gronden ten oosten van de Groeneweg worden alle gepacht. In dit verband is ter zitting komen vast te staan dat binnen de planperiode de pachtovereenkomst zal worden beëindigd, omdat deze gronden deel gaan uitmaken van het beoogde reservaatsgebied.    Met betrekking tot de ten westen van de Groeneweg gelegen gronden die appellant in eigendom heeft is ter zitting gebleken dat er onderhandelingen gaande zijn tussen de gemeente en appellant over aankoop van deze gronden. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de aanleg van het fietspad over de betrokken weilanden weliswaar meebrengt dat de paarden meer dan in de huidge situatie worden geconfronteerd met mensen, zodat hun rust in zoverre in zekere mate afneemt, maar dat in de huidige situatie de Groeneweg - die als zodanig langs deze weilanden loopt - ook veel wordt gebruikt door fietsers die, omdat deze weg doodloopt op het perceel van appellant, dienen te keren op zijn erf. Het in het plan voorziene doorgaande fietspad zal in zoverre ook een zekere afname van overlast meebrengen. Voor zover appellant vreest dat fietsers vanaf het fietspad de weilanden zullen betreden en zijn paarden zullen benaderen overweegt de Afdeling dat het plan zich niet verzet tegen maatregelen zoals het plaatsen van afrasteringen. Dit betreft evenwel een aspect van uitvoering dat geen regeling in het bestemmingsplan behoeft. Het vorenstaande in aanmerking genomen, en gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in het plan voorziene tracé van het fietspad geen onevenredige aantasting van de bedrijfsbelangen van appellant meebrengt.    Voor zover appellant aanvoert dat een alternatieve ligging van het fietspad mogelijk is aan de oostzijde van de Groenweg, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid aan het belang van de aanleg van het fietspad een groter gewicht kunnen toekennen dan aan de belangen die daardoor worden getroffen. 2.7.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant bestreden planonderdelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan deze planonderdelen.    Het beroep is ongegrond. Het beroep van de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie Standpunt van appellante 2.8.    Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de subbestemming "Veenweidegebied (Av)". Zij stelt daartoe dat deze bestemming, middels een aanlegvergunningenstelsel, ten onrechte het telen van ruwvoedergewassen mogelijk maakt. Subsidiair stelt appellante dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 12, lid 26, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, waarin ten behoeve van de teelt van snijmaïs 20% van het areaal is vrijgesteld van de aanlegvergunningplicht.    Maïsteelt is in deze gebieden volgens appellante ongewenst omdat het schadelijk is voor het veen en weidevogels. Appellante betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de veronderstelling dat 20% areaal maïs geen onaanvaardbare effecten heeft op de vogelstand en naar de mogelijkheid om maïs uit een andere regio aan te voeren. De algemene verwijzing naar het streekplanbeleid volstaat niet, aldus appellante. Ten slotte is volgens appellante ten onrechte aan de belangen van de veehouderijsector voorrang gegeven. Standpunt van verweerder 2.9.    Verweerder heeft deze planonderdelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft deze goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat in bepaalde gebieden uit een oogpunt van milieu en landschap terughoudend moet worden omgesprongen met het toestaan van ruwvoederteelt. Gelet op het provinciaal beleid is echter binnen dergelijke gebieden per bedrijf het telen van ruwvoedergewassen anders dan gras tot maximaal 20% van het bedrijfsoppervlak toelaatbaar, in verband met een economisch duurzaam functionerende grondgebonden landbouw. Het is aannemelijk dat, gelet op de hoogteligging van het plangebied, slechts op enkele plaatsen de teelt van snijmaïs mogelijk is. De visuele aantasting van het open landschap gedurende enkele maanden in het jaar is ondergeschikt aan het economische belang van de veehouderij, aldus verweerder. Vaststelling van de feiten 2.10.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens. 2.10.1.    Volgens de plantoelichting maakt het plangebied deel uit van het grote en open agrarische veenweidegebied Midden-Delfland. Het feitelijke veenweidegebied binnen het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 32 hectare en ligt aan de westzijde van het plangebied tussen de Woudweg en de noordelijke plangrens. Het gebied is een landschappelijk open gebied met langgerekte kavels, die in gebruik zijn als grasland. 2.10.2.    Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Veenweidegebied Av" bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische productiebedrijven als bedoeld in artikel 1, lid 21, sub b, alsmede voor het behoud en herstel van de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarde van het veenweidegebied.    Ingevolge artikel 12, lid 24 is het - kort samengevat - behoudens het bepaalde in onder meer lid 26 verboden op of boven gronden met de subbestemming Aln dan wel Av de in dit voorschrift genoemde werken of werkzaamheden - waaronder het scheuren van grasgronden anders dan ten behoeve van herinzaai - aan te leggen of uit te voeren, zonder aanlegvergunning van het college van burgemeester en wethouders of in afwijking van de voorwaarden bij zodanige vergunning gesteld.    Ingevolge artikel 12, lid 26, aanhef en onder b, voor zover van belang, is het verbod als bedoeld in lid 24 niet van toepassing op het scheuren van grasgronden binnen de subbestemming Av ten behoeve van snijmaïs in het kader van de eigen bedrijfsvoering, zulks tot een oppervlak van maximaal 20% van het areaal met een maximum van 2 hectare.    Ingevolge artikel 12, lid 27 zijn de werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 24 slechts toelaatbaar, indien daardoor de landschappelijke waarde van de gronden met de subbestemming Av niet onevenredig wordt of kan worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.    Ingevolge artikel 12, lid 28 wint het college van burgemeester en wethouders, alvorens omtrent het verlenen van een aanlegvergunning te beslissen, schriftelijk advies in bij de natuur- en landschapsdeskundige met betrekking tot de vraag of de aanwezige landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarde door het verlenen van een aanlegvergunning niet onevenredig c.q. onherstelbaar worden aangetast en omtrent eventueel te stellen voorwaarden. Tevens wordt voor de werkzaamheden advies ingewonnen bij de agrarische deskundige. Aanlegvergunning in afwijking van het advies wordt slechts verleend nadat het college van gedeputeerde staten de verklaring van geen bezwaar is ontvangen. 2.10.3.    Bij besluit van provinciale staten van 12 oktober 2005 is het Streekplan Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam 2020 vastgesteld. Dit streekplan is een integrale herziening van het Streekplan Rijnmond 1996.    Bij besluit van 8 maart 2005 heeft verweerder de Nota Regels voor Ruimte (hierna: de Nota) vastgesteld, als herziening van de Nota Planbeoordeling 2002. De Nota vormt samen met streekplannen het beoordelingskader voor verweerder bij de toetsing van bestemmingsplannen. In deze Nota staat vermeld dat in gebieden die in de streekplannen zijn aangeduid als agrarisch gebied met bijzondere cultuurhistorische, natuur- en landschapswaarden (A+/ANL) de ontwikkeling van de agrarische sector in samenhang met de ontwikkeling van het agrarisch cultuurlandschap en de aanwezige waarden centraal staat. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen dit centrale uitgangspunt. Voor gebieden die zijn aangeduid als agrarisch gebied plus/agrarisch gebied met bijzondere cultuurhistorische, natuur- en landschapswaarden (A+/ANL) wordt de gebruiksbepaling opgenomen dat per bedrijf voor het telen van ruwvoedergewassen anders dan gras maximaal 20% van het bedrijfsoppervlak dat onder de A+ aanduiding valt, mag worden gebruikt. Deze teelt moet zoveel mogelijk plaatsvinden in zones waar natuur- en landschapswaarden reeds als gevolg van aanwezige bebouwing of anderszins aan verstoring onderhevig zijn. Oordeel van de Afdeling 2.11.    Gelet op de in overwegingen 2.10.2. genoemde bepalingen zijn de gronden op het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de subbestemming "Veenweidegebied (Av)" - naast een doeleinde gericht op de bedrijfsvoering van agrarische productiebedrijven - tevens bestemd voor het behoud en herstel van de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarde van het veenweidegebied. Ter bescherming van het laatstgenoemde doeleinde is in artikel 12, lid 24, van de planvoorschriften een aanlegvergunningenstelsel opgenomen, waarbij onder meer het scheuren van grasgronden anders dan ten behoeve van herinzaai verboden is, zonder aanlegvergunning van het college van burgemeester en wethouders of in afwijking van de voorwaarden bij zodanige vergunning gesteld.    Gelet op het samenstel van deze bepalingen is de door appellante bestreden teelt van snijmaïs op gronden met de subbestemming "Veenweidegebied (Av)", behoudens hetgeen in artikel 12, lid 26, van de planvoorschriften is bepaald, niet mogelijk zonder een aanlegvergunning. Met het oog op het belang van de landschappelijke waarde van het open veenweidegebied wordt bij de afweging tot verlening van een aanlegvergunning deze waarde van groter belang geacht dan het belang van een onbelemmerde uitvoering van het agrarisch bedrijf. In artikel 12, lid 27, van de planvoorschriften is immers de bepaling opgenomen dat een aanlegvergunning slechts kan worden verleend, indien daardoor de landschappelijke waarde van de gronden met de subbestemming "Veenweidegebied (Av)" niet onevenredig wordt of kan worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van die waarde niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Bovendien wint het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 12, lid 28, van de planvoorschriften, alvorens omtrent het verlenen van een aanlegvergunning te beslissen, schriftelijk advies in bij de natuur- en landschapsdeskundige met betrekking tot de vraag of de aanwezige landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarde door het verlenen van een aanlegvergunning niet onevenredig dan wel onherstelbaar worden aangetast en omtrent eventueel aan een aanlegvergunning te stellen voorwaarden.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat middels het met waarborgen omkleed aanlegvergunningenstelsel de schadelijke effecten van de teelt van ruwvoedergewassen, waaronder snijmaïs, op de landschappelijke waarde van het veenweidegebied kunnen worden voorkomen en dat er in zoverre geen aanleiding bestaat om binnen het veenweidegebied de teelt van ruwvoedergewassen, waaronder snijmaïs, in zijn geheel te verbieden. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. 2.12.    Voor zover appellante stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 12, lid 26, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, overweegt de Afdeling evenwel het volgende. Niet in geschil is dat het in het plangebied gelegen veenweidegebied bescherming verdient. Dit volgt ook uit de meergenoemde doeleindenomschrijving in artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften, waarin is bepaald dat de gronden met de subbestemming "Veenweidegebied Av" mede zijn bestemd voor het behoud en herstel van de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarde van het veenweidegebied, en uit het feit dat ter bescherming van die waarde een aanlegvergunningenstelsel in het plan is opgenomen. Uit de door appellante bestreden bepaling volgt echter dat ten behoeve van de teelt van snijmaïs 20% van het areaal is vrijgesteld van de aanlegvergunningplicht. Dit betekent dat in zoverre geen nadere afweging plaatsvindt omtrent de vraag of in een concreet geval de landschappelijke waarde van het veenweidegebied onevenredig wordt of kan worden aangetast, zodat zodanige aantasting niet is uitgesloten.    Verweerder heeft zijn standpunt dat de bestreden bepaling niettemin aanvaardbaar is in de eerste plaats gemotiveerd met een verwijzing naar het provinciaal beleid, zoals verwoord in het Streekplan Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam 2020, waarin het plangebied is aangeduid als "agrarisch gebied plus", en de Nota. Volgens verweerder kan hieruit worden afgeleid dat voor gebieden die zijn aangeduid als "agrarisch gebied plus" kan worden toegestaan dat per bedrijf voor het telen van ruwvoedergewassen anders dan gras maximaal 20% van het bedrijfsoppervlak mag worden gebruikt. Volgens vaste jurisprudentie is echter niet het door verweerder genoemde streekplan maar het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende Streekplan Rijnmond 1996 het toetsingskader bij de beoordeling van het bestemmingsplan. Ter zitting is komen vast te staan dat het veenweidegebied in het laatstgenoemde streekplan niet als "agrarisch gebied plus" is aangeduid, zodat in zoverre de verwijzing van verweerder naar het provinciaal beleid onvoldoende is gemotiveerd. In dat verband overweegt de Afdeling dat bovendien in de door verweerder aangehaalde Nota tevens staat dat de teelt van ruwvoedergewassen anders dan gras zoveel mogelijk moet plaatsvinden in zones waar natuur- en landschapswaarden reeds als gevolg van aanwezige bebouwing of anderszins aan verstoring onderhevig zijn. Niet gebleken is dat verweerder deze eis bij zijn beoordeling van de bestemmingsregeling heeft betrokken.    Voort heeft verweerder in aanmerking genomen dat het telen van ruwvoedergewassen anders dan gras op maximaal 20% van het bedrijfsoppervlak binnen het veenweidegebied toelaatbaar is met het oog op een economisch duurzaam functionerende grondgebonden landbouw, alsmede dat de visuele aantasting van het open landschap gedurende enkele maanden in het jaar ondergeschikt is aan het economisch belang van de veehouderij. De Afdeling acht onvoldoende beargumenteerd hoe dit zich verhoudt met het in artikel 12, tweede lid, van de planvoorschriften neergelegde doeleinde dat de bewuste gronden zijn bestemd voor het behoud en herstel van de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarde van het veenweidegebied.    Alles overziende is de Afdeling van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom met het oog op de landschappelijke waarde van het veenweidegebied het telen van snijmaïs op 20% van het landbouwareaal niet schadelijk is en niet in alle gevallen een aanlegvergunningplicht dient te gelden, zodat bij het voornemen grasland te scheuren ten behoeve van de teelt van snijmaïs een afweging in het concrete geval kan plaats vinden tussen deze waarden en de belangen van de individuele agrariërs. 2.13.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" en de subbestemming "Veenweidegebied (Av)" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is in zoverre ongegrond.    Uit het vorenstaande volgt verder dat het bestreden besluit, voor zover artikel 12, lid 26, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is goedgekeurd, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Proceskosten 2.14.    Ten aanzien van appellant sub 1 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. Ten aanzien van appellante sub 2 is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart het beroep van appellante sub 2, voor zover dat betrekking heeft op de goedkeuring van artikel 12, lid 26, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, gegrond; II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 20 september 2005, kenmerk DRM/ARB/05/2041A, voor zover daarbij artikel 12, lid 26, aanhef en onder b, van de planvoorschriften is goedgekeurd; III.    verklaart de beroepen van appellant sub 1 geheel en appellante sub 2 voor het overige ongegrond; IV.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellante sub 2 het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat. w.g. Hoekstra    w.g. Van Dorst Voorzitter   ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006 357