Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0796

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200606247/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 25 september 2003 heeft verzoeker de bij besluit van 25 oktober 2000 aan [wederpartij] verleende premie ten bedrage van maximaal € 544.536,26 (ƒ 1.200.000,-) vastgesteld op € 389.002,41 (ƒ 857.248,50).


Uitspraak

200606247/2. Datum uitspraak: 18 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, verzoeker, tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/453 van de rechtbank Groningen van 12 juli 2006 in het geding tussen: [wederpartij], gevestigd te [plaats], en verzoeker. 1.    Procesverloop Bij besluit van 25 september 2003 heeft verzoeker de bij besluit van 25 oktober 2000 aan [wederpartij] verleende premie ten bedrage van maximaal € 544.536,26 (ƒ 1.200.000,-) vastgesteld op € 389.002,41 (ƒ 857.248,50). Bij besluit van 22 maart 2004 heeft verzoeker het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 juli 2006, verzonden op 13 juli 2006, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 maart 2004 vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.    Overwegingen 2.1.    De Voorzitter doet uitspraak zonder zitting. 2.2.    Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening word bepaald dat verzoeker in afwachting van het door hem ingestelde hoger beroep geen gevolg hoeft te geven aan de bestreden uitspraak van de rechtbank van 12 juli 2006 en derhalve geen nieuwe beslissing op het bezwaar van [wederpartij] hoeft te nemen.    Bij brief van 25 september 2006 heeft de Voorzitter [wederpartij] verzocht aan te geven welk belang zij heeft bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar, voordat op het hoger beroep is beslist. Namens [wederpartij] is bij brief van 4 oktober 2006 medegedeeld dat zij daarbij thans geen belang heeft en dat de uitspraak op het hoger beroep kan worden afgewacht. Gelet hierop, ziet de Voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.3.    Het verzoek dient als kennelijk gegrond te worden toegewezen. 2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker geen nieuwe beslissing op het bezwaar van [wederpartij] hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat. w.g. Polak    w.g. Groenendijk Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006 164-496.