Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0788

Datum uitspraak2006-10-24
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6404 NABW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om toekenning bijstandsuitkering met terugwerkende kracht. Geen sprake van bijzondere omstandigheden.


Uitspraak

05/6404 NABW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2005, 04/4226 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College) Datum uitspraak: 24 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 26 september 2006, waar partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Op 19 september 2003 heeft appellant zich gemeld bij het Centrum voor werk en inkomen met een verzoek om met ingang van medio november 2002 voor bijstand in aanmerking te worden gebracht. Bij besluit van 8 januari 2004 heeft het College aan appellant met ingang van 19 september 2003 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een gehuwde. Het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht tot medio november 2002 werd daarbij onder verwijzing naar artikel 68a van de Abw afgewezen. Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 8 januari 2004 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 juli 2004 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 67 van de Abw wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie onder meer de uitspraak van 8 maart 2004, LJN AT0209, ziet hij na de inwerkingtreding per 1 januari 2002 van artikel 68a van de Abw geen grond daarover wezenlijk anders te oordelen, zij het dat voor aanvraagdatum tevens meldingsdatum dient te worden gelezen. Ook in het geval sprake is van een geregistreerde meldingsdatum kan de gevraagde bijstand met ingang van een datum voorafgaand aan die meldingsdatum worden toegekend, indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. De Raad is van oordeel dat van zodanige omstandigheden niet is gebleken. De zich onder de gedingstukken bevindende medische gegevens over de psychische gesteldheid van appellant bieden onvoldoende grondslag voor de conclusie dat appellant op psychische gronden verhinderd zou zijn geweest om eerder een aanvraag in te dienen. Zo er al belemmeringen waren voor appellant voor het indienen van een aanvraag, zou hij bovendien een derde hebben kunnen inschakelen om namens hem een aanvraag in te dienen. Dit geldt temeer nu blijkens de stukken namens appellant tegen een in het kader van de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering genomen besluit van 13 november 2002 bezwaar is gemaakt. Nu ook overigens niet van bijzondere omstandigheden in bovenbedoelde zin is gebleken, heeft het College de ingangsdatum van de bijstandsverlening terecht op 19 september 2003 gesteld. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2006. (get.) Th.C. van Sloten. (get.) S.W.H. Peeters.