Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0782

Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1311 WAO + 04/1564 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering berust op een onvoldoende deugdelijke feitelijke grondslag.


Uitspraak

04/1311 WAO 04/1564 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K Op de hoger beroepen van: [betrokkene] (hierna: betrokkene), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 13 februari 2004, 02/1166 (hierna: aangevallen uitspraak). Datum uitspraak: 13 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft mr. E. uit de Fles, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens betrokkene is er een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 8 September 2005 heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 September 2006. Betrokkene was in persoon aanwezig, bijgestaan door mr. R.F. Vogel als vervanger van bovengenoemde gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. J. van Steenwijk. II. OVERWEGINGEN Met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene: Voor een meer uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. Betrokkene is na zijn aankomst in Nederland gedurende twee jaar werkzaam geweest als oproepkracht. Vanaf 1995 tot 2000 is hij gedetineerd geweest in Marokko. Na afloop van de detentieperiode heeft appellant vanaf 10 juli 2000 gedurende een week als hulpkok gewerkt. Nadien is hij als productiemedewerker bij QSA BV werkzaam geweest vanaf 24 juli 2000 tot 18 augustus 2000. Daarna heeft hij via een uitzendbureau van af 21 augustus 2000 op een contract voor een half jaar als meteropnemer arbeid verricht. Deze arbeid heeft hij op 8 februari 2001 gestaakt wegens klachten van depressieve aard. Bij besluit van 8 mei 2002 heeft het Uwv appellant bericht dat hij na afloop van de wettelijke wachttijd per 7 februari 2002 niet in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in verband met het bestaan van algehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Subsidiair heeft het Uwv hem toekenning van uitkering geweigerd op grond van het bepaalde in artikel 18, tweede lid van de WAO en meer subsidiair op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b van die wet. Dit besluit is na door betrokkene gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 oktober 2002 (hierna het bestreden besluit). Daarbij heeft het Uwv zich onder andere gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts Hehenkamp, die op grond van hetgeen betrokkene hem over diens levensloop heeft verteld, tot de conclusie komt dat appellant reeds vanaf diens jeugd last heeft van alcoholverslaving en gedragsstoornissen. Volgens deze arts bestaan er bij betrokkene in verband met de problemen in diens sociaal functioneren geen benutbare arbeidsmogelijkheden. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts erop gewezen dat appellant in 2001 door diens huisarts is doorverwezen naar de psycholoog Waterman in verband met een eventueel bestaand posttraumatisch stresssyndroom. Gelet op diens persoonlijkheidsstructuur was het werk van meteropnemer, volgens deze arts, van het begin af aan voor hem ongeschikt te achten (in verband met het moeten omgaan met klanten). Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft dit beroep deels gegrond verklaard. Nu het Uwv de subsidiaire en de meer subsidiaire weigeringsgronden van het bestreden besluit in de loop van het geding heeft laten vallen, dient het bestreden besluit, volgens de rechtbank, vernietigd te worden voor zover het deze weigeringsgronden betreft. De rechtbank heeft vervolgens het Uwv veroordeeld tot het betalen van het griffierecht en bepaald dat het Uwv de proceskosten van appellant, begroot op € 644,--, aan hem dient te vergoeden. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, kort gezegd, het oordeel van het Uwv onderschreven, dat er in verband met de al langer bestaande problemen in het sociaal functioneren sprake was van algehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Het gebruik dat het Uwv van de in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO gegeven bevoegdheid heeft gemaakt kan de rechterlijke toetsing, aldus de rechtbank, doorstaan. In hoger beroep is namens betrokkene benadrukt, dat er in het geheel geen objectieve gegevens bestaan over het al in zijn jeugd niet goed sociaal functioneren. Bovendien is over diens functioneren bij QSA BV niets (negatiefs) bekend, terwijl er bij zijn werk als meteropnemer geen sprake was van een uitzonderlijk hoog (ziekte)verzuim. De Raad overweegt als volgt. De Raad begrijpt het standpunt van het Uwv aldus dat er ten aanzien betrokkene al voor de aanvang van diens verzekering voor de WAO geen sprake was van benutbare arbeidsmogelijkheden. Het Uwv heeft zulks gebaseerd op de al van oudsher bij betrokkene bestaande persoonlijkheidsproblematiek dan wel op een bij hem bestaand posttraumatisch stresssyndroom, ofwel op een combinatie van beide. De Raad constateert evenwel dat er over het functioneren van appellant voor 1995 geen verifieerbare gegevens voorhanden zijn. Meer in het algemeen bestaan er geen harde gegevens met betrekking tot eventuele gebreken in het sociaal functioneren van betrokkene. Er bestaat derhalve onvoldoende grond om het bestreden besluit daarop te baseren. Wel is het denkbaar dat zich bij appellant in verband met zijn detentie in Marokko een stresssyndroom heeft ontwikkeld, waarvoor de verwijzing naar de psycholoog Waterman een aanwijzing zou kunnen zijn. Over de behandeling van dit syndroom en het verloop daarvan zijn overigens door het Uwv bij deze arts geen inlichtingen ingewonnen. Maar ook daarmee is het voor de toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a WAO noodzakelijke (vrijwel) ontbreken van verdiencapaciteit bij aanvang van de verzekering nog niet gegeven. De enkele aanwezigheid van het hiervoor bedoelde syndroom brengt nog niet noodzakelijkerwijs mee dat de betrokkene op geen enkele wijze arbeid kan verrichten. Bovendien heeft appellant, naar uit door het Uwv in eerste aanleg overgelegde gegevens blijkt, gedurende bijna zes maanden zonder uitzonderlijk veel ziekteverzuim als meteropnemer gewerkt, in welk verband de Raad opmerkt dat de informatie die voorhanden is over eventuele problemen met klanten als weinig concreet valt aan te merken. Er bestaat derhalve, naar het oordeel van de Raad, onvoldoende zekerheid over het (vrijwel) ontbreken van verdiencapaciteit bij aanvang van de verzekering. Het voorgaande betekent, dat het bestreden besluit als berustend op een onvoldoende deugdelijke feitelijke grondslag voor vernietiging in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak dient, behoudens voor zover het betreft de bepalingen met betrekking tot de betaling van griffierecht en de vergoeding van proceskosten, vernietigd te worden. De Raad ziet aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep, te begroten op € 644,--. Met betrekking tot het hoger beroep van het Uwv: Het Uwv heeft het hoger beroep met name gericht tegen de door de rechtbank gegeven bepalingen omtrent de betaling van griffierecht en de vergoeding van proceskosten. Naar het oordeel van het Uwv had de rechtbank, nu zij de (oorspronkelijke) primaire grond van het bestreden besluit onderschreef en het Uwv de andere gronden van dit besluit had laten vallen (zodat deze voor de rechtbank niet rneer in geding waren), deze bepalingen niet dienen uit te spreken. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel van de Raad met betrekking tot het niet in stand blijven van de resterende grond van het bestreden besluit en de toepassing van artikel 8:75 van de Awb, heeft het Uwv geen in rechte te honoreren belang nicer bij een oordeel van de Raad op het ingestelde hoger beroep. Het hoger beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb wordt het Uwv veroordeeld in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,--. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de gegeven bepalingen omtrent de betaling van griffierecht en de vergoeding van proceskosten; Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen door de Raad in zijn uitspraak is overwogen; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, te begroten op € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 102,— vergoedt. Verklaart het door de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk; Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven van € 422,--. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, in het openbaar utgesproken op 13 oktober 2006. (get.) D.J. van der Vos. (get.) J.J. Janssen. PR/220906