Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0775

Datum uitspraak2006-10-24
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers630939-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beverwijkse babyzaak. Vrijspraak medeplegen dan wel medeplichtigheid kinderdoodslag. Zie ook LJN: AZ0774.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE STRAFKAMER Parketnummer: 15/630939-05 Uitspraakdatum: 24 oktober 2006 Tegenspraak STRAFVONNIS Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 19 september 2006, 5 oktober 2006 (schouw) en 10 oktober 2006 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats]. 1. Tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3. Bewijsbeslissing Een ieder die kennis heeft genomen van dit dossier zal zich afvragen: hoe heeft verdachte niets van het onderhavige drama kunnen merken? In zijn requisitoir heeft de officier van justitie deze retorische vraag als volgt inhoud gegeven: “Het is niet te bevatten dat iemand die een langdurige relatie heeft met een vrouw, met haar samen in een huis woont, regelmatig seksueel contact met haar heeft, elke nacht in hetzelfde bed slaapt, vier zwangerschappen van die vrouw niet opmerkt. Het is niet te bevatten dat zij vier keer bevalt van een kind terwijl hij in hetzelfde kleine huis verblijft en daarvan zelfs drie keer op één à twee meter afstand in bed ligt, met een open verbinding naar de badkamer, en hij dit niet opmerkt. Het is niet te bevatten dat deze kinderen op diverse plaatsen in en om het huis worden bewaard, op plaatsen waar hij toegang heeft en ook komt, en hij dit niet opmerkt. Dit druist in tegen het gezonde verstand. Het zijn niet de mensen die deze verdachte rechtstreeks beschuldigen, het zijn de omstandigheden.” Voor een bewezenverklaring is een beroep op het gezonde verstand niet afdoende. Het openbaar ministerie realiseert zich dat evenzeer. De stelling van de officier van justitie is echter dat, gelet op bovengenoemde omstandigheden, tezamen en in onderling verband beschouwd, aangenomen moet worden dat verdachte wel op de hoogte is geweest. Dat is de reden waarom naar zijn oordeel drie keer het subsidiaire, namelijk medeplichtigheid aan moord, en eenmaal het meer subsidiaire, te weten verlating van een hulpbehoevende, bewezen kan worden. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen bewijs in dit dossier aanwezig is voor een actieve rol van verdachte. Anders gezegd: voor een bewuste en nauwe samenwerking bij het om het leven brengen van de kinderen is geen bewijs voorhanden. Dat betekent dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de primair tenlastegelegde variant, te weten het medeplegen van moord danwel doodslag. Voor bewijs van het subsidiair tenlastegelegde, de medeplichtigheid, zou een ondersteunende rol van verdachte voldoende zijn. Daarvoor dient bewezen te worden dat verdachte op zijn minst wetenschap gehad moet hebben van het feit dat zijn vriendin ([vriendin]) tot vier keer toe zwanger was en is bevallen van een kind. Verdachte ontkent iedere wetenschap. Getuigen leggen voor verdachte ontlastende verklaringen af, net als zijn vriendin [vriendin]. Behalve DNA-materiaal waaruit blijkt dat verdachte de vader van de dode baby’s is, ontbreekt ieder technisch bewijs (zoals sporen) waaruit volgt dat er aanwijzingen zijn dat verdachte van het drama op de hoogte geweest moet zijn. Resteert de vraag: kan het bewijs van die wetenschap afgeleid worden uit de omstandigheden zoals door de officier van justitie in zijn requisitoir naar voren gebracht? Bij de beantwoording van die vraag zal de rechtbank eerst de mogelijk relevante omstandigheden één voor één behandelen, en ze vervolgens in onderling verband beschouwen. Ten aanzien van de zwangerschappen is de rechtbank van oordeel dat niet zonder meer gesteld kan worden dat een man die geregeld seksueel verkeer heeft met zijn vrouw of vriendin moet merken dat zij zwanger is. Dit zal in het algemeen wel zo zijn bij de gemiddelde opmerkzame man die zich betrokken voelt bij zijn partner, maar verdachte blijkt niet tot deze categorie te horen. In zijn rapport omschrijft psychiater [psychiater] verdachte als een man die (te) ongevoelig is voor signalen van een ander en die een matig ontwikkelde gevoelshuishouding heeft. Daar komt bij dat [vriendin] haar zwangerschappen verborgen hield door altijd wijde kleding te dragen, door in bed de hand van verdachte van haar buik weg te duwen en door ook overigens alles te doen om te voorkomen dat de zwangerschappen ontdekt zouden worden. Dat laatste is niet alleen gebaseerd op de verklaring van [vriendin] zelf, maar past ook bij haar ernstige stoornis. Volgens de gedragsdeskundigen is die stoornis zo sterk dat zij alles doet om haar omgeving op een dwaalspoor te zetten. Zelfs haar moeder, die zij regelmatig zag en die kraamverzorgster is, heeft verklaard nooit iets gemerkt te hebben van een zwangerschap bij haar eigen dochter. Het voorgaande brengt met zich dat volgens de rechtbank de omstandigheid dat de partner van verdachte vier keer zwanger is geweest in dit geval niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie leidt dat verdachte daarvan moet hebben geweten. Ten aanzien van de bevallingen overweegt de rechtbank het navolgende. Volgens de verklaringen van [vriendin] heeft zij de vier kinderen in het bad van de woning van verdachte gekregen en om het leven gebracht, terwijl tot driemaal toe verdachte in de slaapkamer aanwezig was. Middels een schouw heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat het om een kleine woning gaat. Dat geldt zeker voor de eerste verdieping waar de gemeenschappelijke slaapkamer en de badkamer direct aan elkaar grenzen, zelfs met een open verbinding. Tegen deze achtergrond lijkt het inderdaad zeer onwaarschijnlijk dat verdachte geen enkele keer zou hebben bemerkt dat zijn vriendin aan het bevallen was. De raadsman van verdachte heeft echter aangevoerd dat de verklaring van [vriendin], inhoudende dat verdachte tijdens de bevallingen in de woning aanwezig was, niet voor het bewijs mag worden gebruikt. De rechtbank volgt de raadsman hierin. Volgens de deskundigen die [vriendin] hebben onderzocht, is bij haar met betrekking tot de telastegelegde feiten gedeeltelijk sprake van ‘dissociatieve amnesie’, met andere woorden: geheugenverlies. Dat blijkt ook waar haar verklaringen over de feiten niet helder zijn en zelfs wisselend als het gaat om het tijdstip waarop de bevallingen hebben plaatsgevonden. Bovendien ontbreken veel details over de gang van zaken in haar herinnering. [vriendin] leefde, volgens haar eigen verklaring en het rapport van de gedragsdeskundigen, in een fantasiewereld. Een wereld waarin zij voor verdachte - en zelfs voor de dode kinderen - een grote rol had ingeruimd. In werkelijkheid echter leefden verdachte en [vriendin] niet met, maar naast elkaar. Tegen de achtergrond van haar stoornis valt zeker niet uit te sluiten dat de aanwezigheid van verdachte in de woning ten tijde van de bevallingen past in diezelfde fantasiewereld, terwijl in werkelijkheid deze bevallingen plaatsvonden op momenten waarop [vriendin], zoals veelvuldig voorkwam, alleen thuis was. Anders gezegd: bewijs voor de aanwezigheid van verdachte in de woning ten tijde van de bevallingen ontbreekt. De laatste mogelijk relevante omstandigheid is het feit dat [vriendin] de dode kinderen in en rond het huis verborgen heeft gehouden. Hieromtrent is vast komen te staan dat de lijkjes van de kinderen in ieder geval in een klikobak in de tuin van de woning van verdachte zijn bewaard. Het gegeven dat verdachte en zijn vriendin samenwoonden en klein behuisd waren, houdt echter niet noodzakelijkerwijs in dat verdachte in de klikobak moet hebben gekeken en de lijkjes moet hebben gevonden, zodat dat onvoldoende is om te concluderen dat hij van één en ander moet hebben geweten. Tot slot rest nog de volgende vraag. Leiden de hierboven genoemde omstandigheden, die ieder voor zich niet noodzaken tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte van één en ander moet hebben geweten, wellicht tezamen genomen en in onderling verband beschouwd wél tot deze gevolgtrekking? Verdachte heeft samengeleefd met een vrouw die leed aan een ernstige stoornis. Hij is zich hiervan kennelijk niet bewust geweest, mede omdat hij ongevoelig was voor signalen van [vriendin]. Er was, zoals hij zelf heeft aangegeven, al langer sprake van een verwijdering in de relatie. [vriendin] deed er van haar kant alles aan om ontdekking van de zwangerschappen en bevallingen te voorkomen. Zij was er namelijk zeker van dat verdachte geen kind van haar wilde en haar zou verlaten, en dat doktoren het kind bij haar weg zouden halen. Deze gedachten passen volgens de gedragsdeskundigen in het beeld van haar stoornis. Dat laatste heeft zelfs tot de keuze voor een partner als verdachte geleid, te weten iemand die geen werkelijke aandacht voor haar heeft en die ze daardoor, als dingen voor haar te confronterend worden, kan vermijden en op een dwaalspoor kan zetten. De rechtbank komt, dit alles in aanmerking nemende, tot de conclusie dat ook uit de omstandigheden, in samenhang beschouwd, niet blijkt dat verdachte van de gebeurtenissen op de hoogte moet zijn geweest. Gelet op het bovenstaande is voor het subsidiair tenlastegelegde, de medeplichtigheid, geen bewijs aanwezig. Nu het bovenstaande inhoudt dat niet bewezen kan worden dat verdachte van de zwangerschappen geweten moet hebben, kan ook het meer subsidiaire, te weten het verlaten van een hulpbehoevende, niet worden bewezen. Derhalve komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte van alle hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. 4. Beslissing De rechtbank: Spreekt verdachte vrij van de hem onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten. 5. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. Robert, voorzitter, mrs. De Greeve en Burg, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Leyten, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 oktober 2006. De griffier en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.