Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0765

Datum uitspraak2006-10-20
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 05/4113
Statusgepubliceerd


Indicatie

Moeten in het onderhavige geval de inkomsten uit de verhuur van panden worden aangemerkt als inkomen uit arbeid als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de WAZ?


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 05/4113 uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 20 oktober 2006 inzake [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder. Inleiding 1.0 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 december 2005 (hierna: het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 17 augustus 2005 (hierna: besluit 1), 18 augustus 2005 (hierna: besluit 2), 19 augustus 2005 (hierna: besluit 3) en 2 september 2005 (hierna: besluit 4) ongegrond heeft verklaard. Bij de besluiten 1 en 2 heeft verweerder bepaald dat de aan eiseres toegekende uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, in verband met haar inkomsten uit arbeid met ingang van 15 juli 2002 wordt uitbetaald alsof zij arbeidsongeschikt is naar een mate van 25 tot 35% en met ingang van 1 januari 2003 niet meer wordt uitbetaald, omdat haar fictieve mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt. Bij besluit 3 heeft verweerder de betaling aan eiseres van haar WAZ-uitkering met ingang van 1 september 2005 geschorst. Bij besluit 4 heeft verweerder de aan eiseres over de periode van 15 juli 2002 tot en met 31 december 2003 onverschuldigd uitbetaalde WAZ-uitkering ten bedrage van ? 15.053,25 van haar teruggevorderd. 1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 11 oktober 2006, waar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. M.P.H.-J. Kamermans, werkzaam bij Van Zwol Wijntjes te Amersfoort. Namens verweerder is verschenen J. Kouveld, werkzaam bij het Uwv. Overwegingen 2.1 Eiseres is eigenares van een tweetal panden (hierna: de panden) aan de [adres 1] en de [adres 2] te [woonplaats]. Eiseres verhuurt (een gedeelte van) de panden aan de commanditaire vennootschappen [vennootschappen] (hierna: de vennootschappen), waarin zijzelf als stille vennoot en haar beide zoons als beherende vennoten participeren. 2.2 Eiseres is op 15 juli 2001 met fysieke klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden in het kader van de exploitatie van de vennootschappen. Bij besluit van 14 juni 2002 heeft verweerder eiseres met ingang van 14 juli 2002 in aanmerking gebracht voor een WAZ-uitkering, die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 2.3 De arbeidsdeskundige H. Glashorst heeft in zijn rapportage van 17 augustus 2005, op basis van door eiseres opgestuurde jaarstukken over de jaren 2002 en 2003, vastgesteld dat haar inkomen uit arbeid over deze jaren moet worden gesteld op respectievelijk ? 20.590,- en ? 27.921,-. Volgens de arbeidsdeskundige leidt dit inkomen over het jaar 2002 - afgezet tegen een geïndexeerd maatmaninkomen van ? 28.760,38 - tot een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en over het jaar 2003 - afgezet tegen een geïndexeerd maatmaninkomen van ? 29.255,35 - tot een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 25%. 2.4 Bij besluit 1 heeft verweerder de WAZ-uitkering van eiseres per 15 juli 2002 berekend als ware zij arbeidsongeschikt naar een mate van 25 tot 35%. Bij besluit 2 heeft verweerder de betaling van de WAZ-uitkering aan eiseres met ingang van 1 januari 2003 gestaakt, omdat haar fictieve mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt. Voorts heeft verweerder bij besluit 3 de betaling aan eiseres van haar WAZ-uitkering met ingang van 1 september 2005 geschorst. Ten slotte heeft verweerder bij besluit 4 de aan eiseres over de periode van 15 juli 2002 tot en met 31 december 2003 onverschuldigd uitbetaalde WAZ-uitkering ten bedrage van ? 15.053,25 van haar teruggevorderd. Eiseres heeft tegen deze vier besluiten bezwaren gemaakt. 2.5 De bezwaararbeidsdeskundige S. de Waart heeft in zijn rapportage van 16 december 2005 het door de arbeidsdeskundige vastgestelde inkomen uit arbeid van eiseres over de jaren 2002 en 2003 herberekend en vastgesteld op een bedrag van respectievelijk ? 21.554,- en ? 24.594,-. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige is de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres over de jaren 2002 en 2003 door de arbeidsdeskundige overigens juist vastgesteld. 2.6 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. 2.7 Eiseres heeft aan haar beroep ten grondslag gelegd - samengevat weergegeven - dat de huurinkomsten niet kunnen worden aangemerkt als inkomen uit arbeid in de zin van artikel 58 van de WAZ. Eiseres heeft weliswaar op fiscale gronden aan de fiscus de huurinkomsten als winst uit onderneming opgevoerd, maar het is niet in overeenstemming met de strekking van artikel 58 van de WAZ om deze inkomsten bij de toepassing van dit artikel als inkomsten uit arbeid te beschouwen. Indien eiseres de huurinkomsten immers aan de fiscus niet als winst uit onderneming zou hebben opgevoerd, zou de fiscus deze hebben aangemerkt als inkomen uit box 3 of als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 3.91, eerste lid, onder a of b, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. In beide gevallen zouden de huurinkomsten, aldus eiseres, niet als inkomen uit arbeid worden beschouwd. Eiseres wijst erop dat zij geen werkzaamheden heeft verricht om de huurinkomsten te genereren. 2.8 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld - samengevat weergegeven - dat bij het beantwoorden van de vraag of de huurinkomsten als inkomen uit arbeid in de zin van artikel 58 van de WAZ moeten worden aangemerkt, de door eiseres fiscaal gemaakte keuze doorslaggevend is. Het feit dat eiseres weinig inspanningen heeft hoeven verrichten om deze inkomsten te kunnen genieten, doet hier volgens verweerder niet aan af. 2.9 Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de WAZ wordt, indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering niet betaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel arbeid was bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van tenminste 25% (sub a) dan wel betaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn (sub b). 2.10 Artikel 63, eerste lid, van de WAZ bepaalt dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 18 onverschuldigd is verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv van de belanghebbende wordt teruggevorderd. 2.11 Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op vraag of de inkomsten van de verhuur van de panden moeten worden aangemerkt als inkomen uit arbeid als bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de WAZ. 2.12 Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) komt bij het beantwoorden van de vraag of een zelfstandige in zijn bedrijf arbeid heeft verricht, in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de in het kader van de fiscale wetgeving door de verzekerde gemaakte - en door de fiscus gehonoreerde - keuze (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2005, LJN AU6507). Uit de gedingstukken blijkt dat eiseres de huurinkomsten over de in geding zijnde periode (de periode van 15 juli 2002 tot en met 31 december 2003) aan de fiscus heeft opgegeven als winst uit onderneming, welke opgave door de fiscus is geaccepteerd. Van deze door eiseres in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze kan bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ slechts worden afgeweken wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die zulks rechtvaardigen. 2.13 De rechtbank stelt - onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 7 november 2000 (LJN ZB9104) inzake het met artikel 58 van de WAZ overeenkomende artikel 33 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet - voorop dat, gezien de tekst van artikel 58 van de WAZ, er geen misverstand over kan bestaan dat voor de toepassing van deze bepaling vereist is dat de uitkeringsgerechtigde inkomsten uit arbeid heeft genoten. Nu het fiscale begrip 'winst uit onderneming' en het begrip 'inkomsten uit arbeid' in de zin van artikel 58 van de WAZ elkaar niet (geheel) dekken - aan winst uit onderneming hoeft niet per definitie arbeid ten grondslag te liggen - kan de rechtbank de door verweerders gemachtigde ter zitting ingenomen stelling dat voor de toepassing van artikel 58 van de WAZ voldoende is dat er fiscale winst uit onderneming is, niet onderschrijven. 2.14 Het voorgaande brengt met zich dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de besluiten 1 en 2, afhangt van het antwoord op de vraag of voldoende aannemelijk is dat in de hier in geding zijnde periode de betrokkenheid van eiseres bij de verhuur van de panden zodanig is geweest, dat door haar arbeid is verricht - anders dan het geval is bij (normaal) vermogensbeheer. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en neemt daarbij het volgende in aanmerking. 2.15 De rechtbank acht genoegzaam naar voren gekomen dat eiseres in het kader van de verhuur van de panden geen relevante ondernemersactiviteiten heeft verricht. Eiseres heeft gemotiveerd uiteengezet dat zij niet meer bij de (verhuur van de) panden betrokken is geweest nadat deze aan de vennootschappen ter beschikking zijn gesteld. Haar beide zoons - de beherende vennoten - exploiteren vanuit de panden de door de vennootschappen gedreven ondernemingen (een cafetaria en een broodjeszaak). Eiseres - de stille vennoot - is hierbij niet betrokken. In lijn hiermee worden alle beleids- en beheersbeslissingen met betrekking tot de exploitatie (waaronder het onderhoud) van de panden bij uitsluiting door haar beide zoons genomen, waarbij eiseres slechts als eigenares van de panden van de gang van zaken op de hoogte wordt gehouden. De huurinkomsten, die door de fiscus zijn aangemerkt als inkomsten uit buitenvennootschappelijk vermogen, zijn in dit kader op één lijn te stellen met de inkomsten van eiseres uit haar aandeel in de vennootschappen, die - zo is tussen partijen ook niet in geschil - evenmin kunnen worden aangemerkt als inkomen uit arbeid, nu hieraan geen relevante werkzaamheden ten grondslag liggen. De rechtbank heeft in de beschikbare gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden om te veronderstellen dat dit betoog feitelijk onjuist is. De rechtbank stelt weliswaar vast dat de bezwaararbeidsdeskundige De Waart in zijn rapportage van 16 december 2005 veronderstelt dat eiseres werkzaamheden heeft verricht in het kader van het beheer (waaronder hij verstaat financiën, verzekeringen en onderhoud) van de panden, maar hij noch verweerder heeft gegevens - laat staan stukken - aangedragen waar deze veronderstelling op kan worden gebaseerd. Dit klemt te meer, nu verweerders stafarbeidsdeskundige C.G.A. van Rooijen in een rapportage van 17 oktober 2002 heeft overwogen dat eiseres niet beschikt over vaardigheden om activiteiten te verrichten inzake het beheer van de panden, zodat de huurinkomsten volgens hem moeten worden beschouwd als inkomen uit vermogen (thans: inkomen uit box 3) en derhalve niet als inkomen uit arbeid. 2.16 Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de toepassing door verweerder van artikel 58 van de WAZ jegens eiseres over de in geding zijnde periode een juiste feitelijke grondslag ontbeert. Hieruit volgt dat het bestreden besluit geen stand kan houden. 2.17 Nu de besluiten 1 en 2 zijn gebaseerd op de onjuiste toepassing van artikel 58 van de WAZ, kunnen deze besluiten evenmin standhouden. Voorts stelt de rechtbank vast dat voor de terugvordering van de over de periode van 15 juli 2002 tot en met 31 december 2003 betaalde WAZ-uitkering ten bedrage van ? 15.053,25 - gelet op het feit dat de (moeder)besluiten 1 en 2 niet standhouden - geen juridische grondslag bestaat, zodat besluit 4 evenmin kan worden gehandhaafd. Nu de besluiten 1 en 2 niet in stand blijven, vervalt tevens de grondslag aan het vermoeden dat eiseres ook na 1 september 2005 inkomsten uit arbeid geniet, zodat ook besluit 3 geen stand kan houden. De rechtbank ziet op grond hiervan aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en, doende hetgeen verweerder had moeten doen, de bezwaren van eiseres gegrond te verklaren en de besluiten 1, 2, 3 en 4 te herroepen. 2.18 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, in samenhang met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb te veroordelen in de kosten van eiseres in de bezwaarprocedure. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ? 322,- voor verleende rechtshulp, waarbij één punt is toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift. 2.1 De rechtbank acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres in beroep. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ? 644,- voor verleende rechtshulp, waarbij één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting is toegekend. 2.20 De rechtbank beslist als volgt. Beslissing De rechtbank Utrecht, recht doende, 3.1 verklaart het beroep gegrond, 3.2 vernietigt het bestreden besluit, 3.3 verklaart de door eiseres ingediende bezwaren tegen de besluiten 1, 2, 3 en 4 alsnog gegrond en herroept deze besluiten, 3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, 3.1 veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in de bezwaarprocedure ten bedrage van ? 322,-, te voldoen door het Uwv, 3.6 veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van ? 644,-, te voldoen door het Uwv, 3.7 bepaalt dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van ? 37,- aan haar vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.F. Bandringa en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2006. De griffier: De rechter: mr. M.H.L. Debets mr. J.F. Bandringa Afschrift verzonden op: Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.