
Jurisprudentie
AZ0757
Datum uitspraak2006-11-17
Datum gepubliceerd2006-11-17
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC05/254HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-11-17
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC05/254HR
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verzekeringsrecht. Geschil tussen een verzekeraar en een verzekerde over dekking onder een arbeidsongeschiktheidsverzekering; uitleg van polisvoorwaarden (81 RO).
Conclusie anoniem
C05/254HR
Mr. Timmerman
Zitting d.d. 8 september 2006
conclusie inzake:
[Eiseres],
eiseres tot cassatie
tegen
De naamloze vennootschap N.V. INTERPOLIS SCHADE,
verweerster in cassatie
1. Feiten en procesverloop(1)
1.1 [Eiseres] heeft met ingang van 13 oktober 1993 een arbeidsongeschiktheidsverzekeringsovereenkomst gesloten met Interpolis Schade N.V. (verder "Interpolis"). [Eiseres] was bij het sluiten van die overeenkomst werkzaam in haar eigen bedrijf, een delicatessenzaak in [plaats]. In augustus 1994 is zij ziek geworden.
1.2 In het eerste ziektejaar (in de periode van medio augustus 1994 tot 16 augustus 1995) heeft Interpolis aan [eiseres] op grond van de afgesloten verzekering een uitkering verstrekt. Interpolis heeft de uitkering aan [eiseres] gestaakt na afloop van het eerste ziektejaar.
1.3 Bedrijfsvereniging Cadans heeft [eiseres] vanaf augustus 1995 voor 35 - 45 % arbeidsongeschikt verklaard en haar tot een bij die mate van arbeidsongeschiktheid behorende AAW/WAZ-uitkering toegekend. Deze uitkering liep door tot in ieder geval november 2002 (de datum van het tussenvonnis van de rechtbank).
1.4 [Eiseres] heeft in de onderhavige procedure een veroordeling gevorderd van Interpolis om aan haar polisdekking te geven. Zij meent aanspraak te hebben op een uitkering uit de afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering voor het zogenaamde "na-eerstejaarsrisico" (rubriek B). [eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld nog steeds ziek te zijn in de zin van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst.
1.5 De tussen partijen geldende polisvoorwaarden geven een omschrijving van de dekking van de risico's van arbeidsongeschiktheid voor het na-eerstejaarsrisico. Artikel 7 van de polisvoorwaarden vermeldt:
"Arbeidsongeschiktheid is aanwezig indien de verzekerde rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast te stellen gevolgen van ongeval en/of ziekte voor ten minste 25% ongeschikt is tot het verrichten van werkzaamheden, die voor zijn krachten en bekwaamheden zijn berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroegere werkzaamheden in redelijkheid van hem verlangd kunnen worden."
1.6 In 1994 is [eiseres] uitgevallen in verband met een nierbekkenontsteking. Zij heeft aansluitend last gehouden van lage rugklachten en vermoeidheid. In verband met haar klachten is [eiseres] door diverse medisch deskundigen onderzocht die daarvan verslag hebben gedaan. Kort samengevat hebben de deskundigen als volgt gerapporteerd(2):
- [Betrokkene 1], internist in het Martini Ziekenhuis Groningen
heeft op 27 februari 1995 aan de medisch adviseur van Interpolis geschreven dat [eiseres] na de nierbekkenontsteking persisterende klachten hield en in oktober 1994 bij hem kwam voor een second opinion. Zij had daarbij nog enige sedimentsafwijkingen met leucocytose, zonder bacteriurie. Verder zijn toen bij het nieronderzoek geen afwijkingen meer vastgesteld. Wel heeft zij een verhoogde BSE (bezinking);
- [Betrokkene 2], orthopedisch chirurg in het Academisch Ziekenhuis Groningen
heeft op 26 juni 1995 aan de medisch adviseur van Interpolis gerapporteerd dat [eiseres] in aansluiting op de nierbekkenontsteking pijnklachten heeft laag onder in de rug, en dat hij orthopedisch geen afwijkingen kan vaststellen die de klachten van betrokkene verklaren. Alhoewel zij een licht verhoogde BSE heeft, was het recentelijk uitgevoerde botscanonderzoek geheel normaal. Hij vermeldt dat hij objectief geen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid heeft kunnen vaststellen;
- [Betrokkene 3], anesthesist in het Refaja Ziekenhuis Stadskanaal,
heeft op 19 december 1995 aan de medisch adviseur van Interpolis geschreven dat [eiseres] valt onder een categorie chronisch pijnsyndromen, waarbij met röntgendiagnostiek geen osteogene component is aan te tonen, doch dat dit niet wil zeggen dat er geen sprake is van een fors pijnsyndroom. Met name discogeen en wat betreft de facetgewrichten kan er dusdanig veel anorus fibrosis (gewrichtscapel pijn) aanwezig zijn, doch deze is helaas niet te fotograferen. [eiseres] heeft een epidurale lumbale Triamchinolon Acetenoïde toegediend gekregen, waarna haar pijnklachten drie weken lang minimaal zijn geweest;
- [Betrokkene 2] (zie hierboven)
schrijft op 21 februari 1996 aan de medisch adviseur van Interpolis dat hij op grond van de gegevens van [betrokkene 3] geen duidelijk medisch objectiveerbare afwijking kan vaststellen;
- [Betrokkene 4], huisarts van [eiseres]
schrijft op 13 april 1996 aan de medisch adviseur van Interpolis dat de rugklachten van [eiseres], die zich na een nierbekkenontsteking met een hoge bloedbezinking (duidend op een fors infect), hebben gemanifesteerd, soms zo hevig zijn geweest dat hij haar met spoed moest bezoeken. De klachten doofden pas na maanden iets uit, maar bij geringe inspanning bleven er klachten die haar normaal functioneren op haar werk belemmerden. Het beeld lijkt op een posttraumatische reactie welke bij een geringe inspanning direct toeneemt. Dit is een aandoening die niet aantoonbaar te maken is, maar wel fors invalideert. Bij onderzoek door een ervaren chiropractor valt op dat een bepaald segment van de rug steeds opnieuw disfunctioneert. Correctie geeft verbetering, maar deze is slechts van korte duur;
- [Betrokkene 4] (zie hierboven: tweede verklaring(3) van de huisarts)
heeft op 23 oktober 1998 een medische verklaring afgegeven waarin hij aangeeft dat de klachten van [eiseres], waaronder de rugklachten, inmiddels zijn aangeduid als klachten die vallen onder het chronisch vermoeidheidssyndroom ME;
- [Betrokkene 5], orthomoleculair voedingstherapeut en klassiek homeopaat
heeft op 7 december 1998 een voortgangsrapportage opgemaakt, waarin hij aangeeft te denken dat de klachten te duiden zijn als fibromyalgie.
1.7 Interpolis heeft erkend dat [eiseres] klachten heeft, maar heeft gesteld dat de oorzaak hiervan niet medisch te duiden is. Interpolis heeft betwist dat sprake is van fibromyalgie (chronisch pijnsyndroom), nu dit niet objectief is vastgesteld maar een vermoeden is. Verder heeft Interpolis gesteld dat er sprake is van eigen schuld in de zin van art. 6:101 BW wegens onvoldoende medewerking door [eiseres] aan mogelijke behandelingen. Interpolis heeft daarbij verwezen naar de behandeling van [betrokkene 3]. [Eiseres] heeft aangevoerd dat de behandeling van [betrokkene 3] het blokkeren van een aantal zenuwen in de wervelkolom zou meebrengen. Zij heeft gesteld dat haar huisarts haar deze behandeling heeft afgeraden, omdat deze methode niet de oorzaak van de klachten wegneemt maar alleen symptomen bestrijdt. Verder heeft [eiseres] aangevoerd dat haar klachten reëel zijn en dat in de loop der jaren de diverse deskundigen een reeks van dezelfde symptomen en aandoeningen hebben vastgesteld. Deze symptomen zijn chronische vermoeidheid, vaginale onstekingen na antibiotica, een opvallend slaappatroon, wisselende gemoedstoestanden en rugklachten. Uiteindelijk hebben deze symptomen geleid tot de waarschijnlijkheidsdiagnose fibromyalgie.
1.8 De rechtbank heeft geoordeeld dat het om een redelijke uitleg van de polis gaat, die met zich meebrengt dat ook ingeval geen objectief medische diagnose dan wel geen eenduidige medische oorzaak voor klachten is vast te stellen, doch wel sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, zoals in casu, sprake kan zijn van arbeidsongeschiktheid (onder verwijzing naar Hoge Raad 16 april 1999, NJ 1999, 666, in het bijzonder naar de rechtsoverwegingen van het gerechtshof en naar Hof 's Hertogenbosch 9 oktober 2002, rolnr. C00/00312).
1.9 De klachten van [eiseres] zijn volgens de rechtbank aan te duiden als aanhoudende vermoeidheid, verhoogde bezinking, wisselende gemoedstoestanden en rugklachten. Interpolis heeft deze klachten niet bestreden. Volgens de rechtbank kan in het midden blijven of al dan niet als diagnose fibromyalgie kan worden gesteld. Hoewel deze klachten nog niet kunnen worden vastgesteld als medisch te objectiveren afwijkingen of symptomen, vormen zij volgens de rechtbank wel een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polisvoorwaarden. De rechtbank heeft het beroep van Interpolis op eigen schuld afgewezen, omdat [eiseres] het recht heeft om een omstreden behandeling niet te doen toepassen.
1.10 De rechtbank heeft over de mate van arbeidsongeschiktheid geoordeeld dat, indien Interpolis zich met het vonnis kan verenigen, de rechtbank zich kan voorstellen dat partijen in onderling overleg hierover overeenstemming kunnen bereiken (onder verwijzing naar de beslissing van bedrijfsvereniging Cadans, waarin wordt uitgegaan van een arbeidsongeschiktheid van 35 - 45 %). De rechtbank heeft aangekondigd een comparitie van partijen te gelasten om schikkingsmogelijkheden te beproeven indien Interpolis niet in hoger beroep gaat van haar vonnis. De rechtbank heeft ten slotte uitdrukkelijk bepaald dat tegen het vonnis de mogelijkheid van hoger beroep open staat.
1.11 Interpolis is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat er in dit geval sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld en daardoor van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polisvoorwaarden.
1.12 Het hof heeft voorop gesteld dat geen grieven zijn gericht tegen het uitgangspunt van de rechtbank waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat ook ingeval geen objectief medische diagnose of eenduidige medische oorzaak voor de klachten is vast te stellen, doch wel sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, sprake kan zijn van arbeidsongeschiktheid.
1.13 Het hof heeft geoordeeld dat de genoemde grief van Interpolis slaagt. Anders dan de rechtbank heeft het hof geoordeeld dat hetgeen [eiseres] naar voren heeft gebracht en aan producties heeft overgelegd niet de conclusie rechtvaardigt dat in dit geval gesproken kan worden van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. In de rapportages over de gezondheidsklachten van [eiseres] wordt weliswaar een aantal klachten vermeld maar een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld leveren deze vermeldingen -aldus het hof- niet op. Het hof heeft overwogen dat de twee rapportages die een ziektebeeld vermelden hiervoor onvoldoende -feitelijke- onderbouwing bevatten (het gaat om de rapportages van [betrokkene 4 en 5], zie hierboven onder 1.7 van deze conclusie, producties 7 en 6 bij de conclusie van eis). Dit geldt ook wanneer deze worden bezien in samenhang met de andere rapportages. Daar komt bij dat deze twee rapportages verschillende ziektes vermelden die niet met elkaar op één lijn kunnen worden gesteld, te weten een chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en fibromyalgie. Ook overigens bieden de verschillende rapportages naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat in dit geval sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. [Eiseres] heeft -zo meent het hof- geen ander concreet ziektebeeld genoemd. [Eiseres] heeft evenmin een andere grondslag voor haar vordering gegeven.
1.14 Het hof heeft geoordeeld dat het voorgaande ertoe leidt dat de vordering van [eiseres] niet voor toewijzing in aanmerking komt. De overige grieven worden hierbij door het hof buiten behandeling gelaten. Het hof heeft in zijn arrest van 17 mei 2005 het vonnis van de rechtbank vernietigd en [eiseres] veroordeeld in de kosten van beide instanties(4).
1.15 [Eiseres] heeft tijdig(5) en regelmatig cassatieberoep ingesteld. Interpolis heeft doen concluderen tot verwerping van het cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten vervolgens schriftelijk doen toelichten, waarna partijen een nota van re- en dupliek hebben genomen.
2. Relevante eerdere jurisprudentievan de Hoge Raad
In HR 16 april 1999, NJ 1999, 666 procederen verzekeringnemer en de verzekeringsmaatschappij (ook hier: Interpolis) tegen elkaar. Aan de orde is een zelfde type probleem als in de onderhavige zaak. Artikel 8 van de (standaard)polisvoorwaarden van een arbeidsongeschiktheidsverzekering bepaalt dat van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis alleen sprake is indien de verzekerde rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast te stellen gevolgen van ongeval of ziekte arbeidsongeschikt is. Op grond van de bevindingen van een door haar benoemde deskundige heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis, welke beslissing door het hof is bekrachtigd. Het hof heeft hierbij overwogen dat het bepaalde in art. 8 van de polisvoorwaarden ook door verzekerde in redelijkheid niet anders kan worden begrepen dan dat het betrokken artikel bedoelt de scheidslijn aan te geven tussen klachten die op zichzelf serieus zijn maar waarvoor geen medische grond valt aan te wijzen en klachten waarbij dat wel het geval is. De Hoge Raad overweegt dat het hof zich daarmee niet uitsluitend gebaseerd heeft op tekstuele lezing van de betreffende voorwaarde en oordeelt vervolgens dat het hof zijn beslissing voldoende heeft gemotiveerd door te overwegen dat een redelijke uitleg van het betrokken art. 8 meebrengt dat ingeval "het ziektebeeld herkenbaar en benoembaar doch de oorzaak onbekend is", gesproken kan worden van een "medisch vaststelbaar" gevolg van ziekte(6), maar dat in het onderhavige geval geen sprake is van "zodanig herkenbaar ziektebeeld". Dat de verzekerde volgens het deskundigenrapport reële klachten had en op basis van die klachten niet in staat leek te zijn werkzaamheden in zijn bedrijf uit te voeren is niet voldoende om arbeidsongeschiktheid te kunnen aannemen. Vereist is dat voor klachten een medische grond valt aan te wijzen.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1 De cassatiedagvaarding bevat één cassatiemiddel en is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.8 tot en met 4.11 van het bestreden arrest. Het middel klaagt erover dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van een herkenbaar en benoembaar(7) ziektebeeld- onjuist alsmede onbegrijpelijk is en dat het hof aan duidelijke -medische- conclusies uit overgelegde rapportages van medici is voorbij gegaan zonder deugdelijke motivering.
3.2 De aangevallen rechtsoverwegingen van het hof luiden:
"4.7 Anders dan de rechtbank is het hof evenwel van oordeel dat hetgeen [eiseres] naar voren heeft gebracht en aan producties heeft overgelegd niet de conclusie rechtvaardigt dat in dit geval gesproken kan worden van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. In de rapportages over de gezondheidsklachten van [eiseres] worden weliswaar een aantal klachten vermeld maar een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld leveren deze vermeldingen niet op.
4.8 In zijn (voortgangs)rapportage van 7 december 1998 (prod. 7 CvE) meldt de therapeut [betrokkene 5] dat het "zijn verdenking is dat er sprake is van fibromyalgie". Hierbij aansluitend stelt [eiseres] zich op het standpunt dat "men uiteindelijk tot de waarschijnlijkheidsdiagnose fibromyalgie" is gekomen. Voor dat standpunt biedt deze rapportage van [betrokkene 5] naar het oordeel van het hof evenwel onvoldoende feitelijke onderbouwing, ook wanneer deze wordt bezien in samenhang met andere rapportages. Hierbij neemt het mede in aanmerking dat [betrokkene 5] kennelijk geen arts is, zodat ook om die reden aan zijn rapportage in dit verband geen doorslaggevende betekenis toekomt. Een en ander is in ieder geval onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat bij [eiseres] gesproken kan worden van fibromyalgie.
4.9 In een medische verklaring d.d. 23 oktober 1998 van de huisarts (prod. 6 cve) wordt gesproken van "ME, oftewel het chronisch moeheidssyndroom". In deze verklaring wordt evenwel niet aangegeven op grond waarvan er bij [eiseres] gesproken kan worden van een chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), terwijl een onderbouwing daarvan evenmin te vinden is in de overige rapportages. Daar komt bij, zoals Interpolis terecht opmerkt, dat fibromyalgie als pijnsyndroom niet op één lijn te stellen is met CVS als vermoeidheidssyndroom. In ieder geval kan op grond van de voorhanden gegevens niet worden vastgesteld dat er sprake is van CVS.
4.10 Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of en in hoeverre fibromyalgie en CVS te beschouwen zijn als herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. Ook overigens bieden de verschillende rapportages naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat in dit geval sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, nog afgezien van het gegeven dat door [eiseres] naast hetgeen hiervoor aan de orde is geweest geen ander concreet ziektebeeld is genoemd. Enige andere grondslag voor haar vordering is door [eiseres] niet gegeven.
4.11 Een en ander leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiseres] niet voor toewijzing in aanmerking komt. (...)"
3.3 Zie ik het goed, dan wordt de door het hof gehanteerde maatstaf of sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld door het middel niet bestreden. Ik acht deze maatstaf ook in overeenstemming met het hierboven vermelde arrest van de Hoge Raad van 16 april 1999, NJ 1999, 666. Afgezien hiervan is in rechtsoverweging 4.6 van het bestreden arrest verwoord dat deze maatstaf vaststond in deze procedure. De rechtsklacht dient derhalve te falen.
3.3 Wat betreft de klacht dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van de overgelegde rapportages die duidelijk zouden wijzen op de aanwezigheid van een chronisch vermoeidheidssyndroom, dient voorop gesteld te worden dat de feitenrechter een grote mate van vrijheid heeft ten aanzien van de waardering van het bewijs. Dit geldt ook voor bewijs dat geleverd wordt door deskundigen. In beginsel heeft de rechter een beperkte plicht tot motivering van zijn beslissing om de zienswijze van een ingeschakelde deskundige al dan niet te volgen. De inhoud van de motiveringsplicht is wel afhankelijk van de aard van het bewijsmateriaal en de aard en de mate van precisering van de daartegen door partijen aangevoerde bezwaren(8).
3.4 De motivering van het bestreden oordeel van het hof voldoet n.m.m. aan de hierboven aangeduide eisen. Het hof heeft duidelijk en begrijpelijk aangeduid waarom naar de mening van het hof in het bijzonder het chronisch vermoeidsheidsyndroom -hierop heeft het cassatiemiddel vooral betrekking- in het onderhavige geval niet in voldoende mate vastgesteld kan worden (zie rov. 4.9). Het hof brengt immers tot uitdrukking dat in de verklaring van de betrokken huisarts niet is aangegeven op grond waarvan bij [eiseres] van een chronisch vermoeiheidssyndroom gesproken kan worden, terwijl er daarvoor in andere rapporten ook geen onderbouwing is te vinden. In het licht van de gedingstukken acht ik deze oordelen niet onbegrijpelijk.
3.5 [Eiseres] heeft voorts in cassatie aangevoerd dat haar ziektebeeld zich in de loop van de tijd steeds duidelijker heeft ontwikkeld en dat het onbegrijpelijk is dat het hof in het midden laat of het vermoeidheidssyndroom een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld is.
3.6 De behandeling van deze klachten kunnen m.i. bij gebrek aan belang achterwege blijven. [Eiseres] zou alleen belang bij deze klachten hebben gehad, als het hof voldoende aannemelijk had geacht dat er bij haar van een chronisch vermoeidheidssysndroom sprake was geweest.
4. Conclusie
Deze strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad
der Nederlanden
A-G
1 Zie het tussenvonnis van de rechtbank d.d. 12 november 2002, rov. 3.1 en het bestreden arrest d.d. 17 mei 2005, rov. 4.1.
2 Zie vonnis rechtbank d.d. 12 november 2002, rov. 3.5.
3 Zie CvA, prod. 6 (tweede bladzijde).
4 Gepubliceerd op rechtspraak.nl, LJN-nummer AT 9892.
5 Art. 402 Rv: het bestreden eindarrest dateert van 17 mei 2005 en de cassatiedagvaarding is op 17 augustus 2005 uitgebracht.
6 Zie ook hof 's-Hertogenbosch d.d. 5 december 2002, LJN nr. AF 2224 en hof 's-Hertogenbosch d.d. 9 oktober 2002, LJN nr. AO 1159.
7 [Eiseres] spreekt op p. 5 van het cassatiemiddel over een herkenbaar en toeneembaar ziektebeeld: ik ga ervan uit dat dit een verschrijving is.
8 HR 5 december 2003, NJ 2004, 74, rov. 3.5.
Uitspraak
17 november 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/254HR
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
N.V. INTERPOLIS SCHADE,
gevestigd te Tilburg,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 26 september 2001 verweerster in cassatie - verder te noemen: Interpolis - gedagvaard voor de rechtbank te Breda en, na wijziging van eis, gevorderd Interpolis te veroordelen om aan [eiseres] polisdekking te geven ter zake van de AO-polis rubriek B en wel voor een percentage van tenminste 35-45% dan wel die beslissing te geven die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
Interpolis heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 12 november 2002 een comparitie van partijen gelast.
Tegen dit vonnis heeft Interpolis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 17 mei 2005 heeft het hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiseres] afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Interpolis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Interpolis mede door mr. F.M. Ruitenbeek-Bart, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Interpolis begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 november 2006.