Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0753

Datum uitspraak2006-10-24
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
Zaaknummers18/670339-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Poging brandstichting. Vrouw wil in naam van Allah zichzelf en haar kinderen verbranden. Er wordt op haar ingepraat door moeder en stiefvader. De vrouw besluit uiteindelijk zelf de aansteker weg te leggen. Feit wel bewezen, maar verdachte niet strafbaar: ontslag van rechtsvervolging.


Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN Sector Strafrecht parketnummer: 18/670339-06 datum uitspraak: 24 oktober 2006 op tegenspraak raadsman: mr. H.A. Jeuring V O N N I S van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: [Verdachte], geboren te [plaats] op [datum], wonende aan de [adres] te [plaats]. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 oktober 2006. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd: dat zij op of omstreeks 7 juli 2006, te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een woning aan de [straat], terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, met dat opzet in die woning zichzelf en/of haar kleding, die zij, verdachte, toen droeg, heeft overgoten en/of besprenkeld met hoeveelheden of een hoeveelheid party aanmaakvloeistof, althans met hoeveelheden of een hoeveelheid brandbare en/of brandversnellende vloeistof, en/of (vervolgens) een of meer van verdachtes kinderen naar zich toe heeft getrokken en/of tegen zich heeft aangedrukt en/of aangedrukt gehouden en/of (vervolgens) een aansteker in haar, verdachtes, hand heeft gehouden en/of hierbij heeft gezegd dat Allah wilde dat ze verbrandde samen met de kinderen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat zij op of omstreeks 7 juli 2006, te [plaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], een of meer van verdachtes kinderen en/of een of meer van verdachtes stiefouders heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (ten overstaan en/of in het bijzijn van verdachtes stiefouder(s)) in die woning zichzelf en/of haar kleding, die zij, verdachte, toen droeg, overgoten en/of besprenkeld met hoeveelheden of een hoeveelheid party aanmaakvloeistof, althans met hoeveelheden of een hoeveelheid brandbare en/of brandversnellende vloeistof, en/of (vervolgens) een of meer van verdachtes kinderen naar zich toe getrokken en/of tegen zich aangedrukt en/of aangedrukt gehouden en/of (vervolgens) een aansteker in haar, verdachtes, hand gehouden en/of hierbij gezegd dat Allah wilde dat ze verbrandde samen met de kinderen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking; art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt ontslagen van alle rechtsvervolging en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een vrijheidsstraf gelijk aan het voorarrest en 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften van de reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte zich zal laten behandelen. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 7 juli 2006, te [plaats], ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een woning aan de [straat], terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was, met dat opzet in die woning zichzelf en haar kleding, die zij, verdachte, toen droeg, heeft overgoten met aanmaakvloeistof, en vervolgens verdachtes kinderen naar zich toe heeft getrokken en tegen zich heeft aangedrukt en aangedrukt gehouden en vervolgens een aansteker in haar, verdachtes, hand heeft gehouden en hierbij heeft gezegd dat Allah wilde dat ze verbrandde samen met de kinderen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. Kwalificatie Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op: Primair: Poging tot opzettelijk brandstichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. en Poging tot opzettelijk brandstichten terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Strafbaarheid van verdachte Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank het volgende. Uit het proces-verbaal van politie en de behandeling ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte, nadat zij zich had overgoten met de brandbare vloeistof en met een aansteker in de hand had gedreigd zich in brand te steken, werd aangesproken door haar moeder en stiefvader, die vervolgens met succes op haar hebben ingepraat om haar ervan te weerhouden zichzelf in brand te steken. Hoewel er dus wel op haar is ingepraat, heeft verdachte uiteindelijk zelf besloten, toen zij besefte waar ze mee bezig was, haar voornemen zichzelf in brand te steken niet ten uitvoer te brengen. Dit blijkt zowel uit de verklaringen van de moeder en de stiefvader, als uit de verklaring van verdachte zelf die zij ter terechtzitting heeft afgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte op het moment dat zij werd aangesproken en ook daarna steeds heeft beschikt over de aansteker en daardoor steeds in de mogelijkheid heeft verkeerd alsnog haar voornemen uit te voeren. Uiteindelijk heeft zij echter uit zichzelf de aansteker weggelegd en is in slaap gevallen op de bank. Omdat verdachte eigener beweging op haar schreden is teruggekeerd, moet worden geconcludeerd dat het misdrijf niet is voltooid doordat verdachte dit zelf zo heeft gewild. Derhalve zal de rechtbank verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging. Nu er ter zake van het primair tenlastegelegde een bewezenverklaring is gevolgd komt de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, niet aan beoordeling van het subsidiair tenlastegelegde toe. Toepasselijke wettelijke voorschriften De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 46b, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING De rechtbank: - verklaart het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar. - verklaart het primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. - verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte terzake van alle rechtsvervolging. Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. J.P. Evenhuis, voorzitter, E.M.J. Brink en G.H. Boekaar, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 24 oktober 2006.