Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0729

Datum uitspraak2006-10-23
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers02/700385-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aan de verdachte wordt, wat betreft een verkeersongeval met dodelijk gevolg, in de eerste plaats overtreding van art. 6 Wegenverkeerswet 1994 verweten. Gelet op het feit dat er op cruciale punten onduidelijkheden zijn blijven bestaan, kan door de rechtbank niet worden vastgesteld of verdachte onder de gegeven omstandigheden de fietser had kunnen zien naderen van de linkerzijde en had kunnen zien voor zijn vrachtwagen, zodat zij ook niet kan vaststellen dat hij op enig moment voorrang had moeten verlenen aan de, voor verdachte, wellicht niet zichtbare fietser. Vrijspraak.


Uitspraak

RECHTBANK BREDA Parketnummer(s): 02/700385-06 1 Partijen. Onderzoek van de zaak. In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen: [verdachte], geboren op [datum en plaats], wonende te [adres] heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen. De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsvrouw, mr. Van Campen, advocaat te Breda. 2 De tenlastelegging. De verdachte staat terecht, terzake dat hij op of omstreeks 15 december 2005 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de Gebroeders Salastraat en/of over de kruising of splitsing van wegen, de Gebroeders Salastraat en de Zevenheuvelenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaats- gevonden, door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig rijdend met dat door hem bestuurde motorrijtuig over die Gebroeders Salastraat en naderend voormelde kruising of splitsing van wegen, terwijl op die Gebroeders Salastraat ter hoogte van / nabij meergenoemde kruising of splitsing van wegen een in zijn richting gekeerd en voor hem geldend bord volgens model B6 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst, aanduidende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg" zich er niet althans volstrekt onvoldoende van te overtuigen, dat er over die kruisende weg, te weten die Zevenheuvelenweg, geen bestuurder(s) die kruising of splitsing van wegen zodanig dicht was/waren genaderd, dat hij die bestuurder(s) voorrang diende te verlenen, en vervolgens zonder te stoppen meergenoemde kruising of splitsing van wegen op- en/of over te rijden zonder daarbij voorrang te verlenen aan de bestuurder van een op die kruisende weg (te weten die Zevenheuvelenweg) rijdende fiets die bezig was voormelde kruising of splitsing van wegen, gezien zijn, verdachtes, rijrichting van links naar rechts op- en/of over te rijden, waardoor er een botsing of aanrijding is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en de bestuurder van die fiets en/of die fiets, tengevolge waarvan de bestuurder van die fiets ten val is gekomen, waardoor althans mede waardoor de bestuurder van die fiets, genaamd [slachtoffer], werd gedood; De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; art 6 Wegenverkeerswet 1994 subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 15 december 2005 te Tilburg als bestuurder van een motorvoertuig (trekker met oplegger) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Gebroeders Salastraat, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zevenheuvelen- weg, een bord B 6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeers- tekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg - geen gevolg heeft gegeven aan dat verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers de bestuurder van een op die kruisende weg rijdende fiets, genaamd [slachtoffer], niet in staat heeft gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen; art 62 jo bord B6 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 3 De geldigheid van de dagvaarding. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 4 De bevoegdheid van de rechtbank. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. 5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen. 6 Schorsing der vervolging. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. 7 Vrijspraak en de gronden daarvoor. Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende: Uit het dossier blijkt dat verdachte naar links, naar rechts en weer naar links heeft gekeken, vervolgens de kruising is opgereden en de fietser die kennelijk voor zijn vrachtwagen fietste, heeft geraakt, waardoor deze ten val kwam en later aan de gevolgen van die val is overleden. Voorts blijkt, gelet op de tachograafgegevens en de minimale schade aan de fiets, dat de botsing bij een zeer geringe snelheid heeft plaatsgevonden waarna verdachte zijn vrachtwagen meteen tot stilstand heeft gebracht. Het is een ervaringsregel, tevens bevestigd door de deskundige ter terechtzitting, dat als een fietser zich eenmaal vlak voor een vrachtwagen bevindt deze veelal niet meer zichtbaar is voor de chauffeur. In het dossier bevinden zich foto’s van de kruising waarop het ongeval heeft plaatsgevonden, er zit een rapport van de unit Forensisch Technisch onderzoek in en bovendien is de deskundige die het rapport heeft opgesteld nader gehoord ter terechtzitting. Hieruit blijkt dat er onderzoek is verricht, maar dat er onduidelijkheden omtrent cruciale punten aanwezig blijven, te weten, onder andere: - Voerde de fietser verlichting? - Wat was de maximale zichtsafstand vanaf de kruising naar de linkerzijde, waar de fietser vandaan kwam, rekening houdend met de verlichting ter plaatse? - De combinatie van bovengenoemde twee factoren. Gelet op het feit dat de bovengenoemde onduidelijkheden zijn blijven bestaan en de rechtbank daardoor niet heeft kunnen vaststellen dat de verdachte de fietser in de gegeven omstandigheden had kunnen zien, is het niet mogelijk om enig oordeel te geven omtrent de schuld van verdachte aan het ongeval. De rechtbank kan immers niet vaststellen of verdachte onder de gegeven omstandigheden de fietser had kunnen zien naderen van de linkerzijde en had kunnen zien voor zijn vrachtwagen, zodat zij ook niet kan vaststellen dat hij dan op enig moment voorrang had moeten verlenen aan de, voor hem, wellicht niet zichtbare fietser. Nu verdachte geen enkel strafrechtelijk verwijt gemaakt kan worden ten aanzien van het, tragische, ongeval, is de rechtbank van oordeel dat in casu geen bewezenverklaring kan volgen voor hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en zal zij verdachte van beide feiten vrijspreken. 8 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partij. De benadeelde partij mevrouw [naam], nabestaande van het slachtoffer, heeft weliswaar een voegingsformulier ingediend, maar heeft geen bedrag ter schadevergoeding ingevuld. Dit heeft zij bewust niet gedaan, omdat ze daartoe geen behoefte heeft, schrijft zij in haar toelichting. Alleen al hierom acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering, maar temeer nu verdachte is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. 9 De beslissing. RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt. Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Zij bepaalt dat de benadeelde partij mevrouw [naam] niet-ontvankelijk is in haar vordering. Zij veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, begroot op nihil (BP.15) Dit vonnis is gewezen door mr. Sutorius-Van Hees, voorzitter, mr. Janssen en mr. De Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Kersten en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 oktober 2006.