Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0728

Datum uitspraak2006-10-17
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 06/3428
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

De huisvestingsvergunning is verleend voor het gehele gezin, inclusief verzoeker. Nu is gekozen voor de woning en niet voor de woonwagenstandplaats is daarmee de huisvestingsvergunning voor de standplaats komen te vervallen. Verzoeker heeft de standplaats dan ook zonder de vereiste vergunning in gebruik. Verweerder heeft derhalve terecht gelast de standplaats te ontruimen. Het belang van verzoekers minderjarige kinderen biedt, nu zij geacht worden bij hun moeder te kunnen wonen, geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder op grond daarvan de standplaats of een andere woning aan verzoeker had moeten toewijzen.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 06/3428 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 oktober 2006 inzake [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats], verweerder. Inleiding 1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 6 september 2006 waarbij verweerder, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag tot een maximum van € 7.000,-, heeft gelast het gebruik van de woonwagenstandplaats met adres [adres] te [woonplaats] per 19 september 2006 te beëindigen en beëindigd te houden. 1.2 Het verzoek is op 3 oktober 2006 ter zitting behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A. Eksen, medewerker bij Juristengroep Moszkowicz Nieuwegein te Nieuwegein. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Fer-Pawirodihardjo en mr. Th. Tuenter, beiden werkzaam bij de gemeente [woonplaats]. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.3 Met ingang van 6 november 2003 is aan mevrouw [derde] (ex-partner van verzoeker) een vergunning verleend voor het in gebruik nemen van de woonwagenstandplaats aan de [adres]. Aan de vergunning is de voorwaarde verbonden dat de standplaats binnen 30 dagen in gebruik wordt genomen, maar omdat er nog veel aan de woonwagen verbouwd moest worden heeft verweerder uitstel verleend. Eind 2004 is mevrouw [derde] aangeschreven door burgerzaken in verband met de leegstaande woonwagen. Verzoeker heeft zich toen ingeschreven op het adres de [adres]. In januari 2005 heeft mevrouw [derde] een verzoek ingediend om voor de woning aan de [adres] medehuurderschap te verkrijgen voor verzoeker. Dat verzoek is geweigerd en daarbij is mevrouw [derde] tevens verzocht de huur van de woning op te zeggen. Tijdens een gesprek op 19 juli 2005 heeft mevrouw [derde] verteld dat zij en verzoeker vanwege relatieproblemen gescheiden leven en dat verzoeker in de woonwagen woont. Mevrouw [derde] is uitgelegd dat zij een keuze moet maken tussen de woning en de woonwagen en dat zij niet beide kan aanhouden. Tijdens het vervolggesprek op 25 juli 2005 heeft mevrouw [derde] gezegd te hebben gekozen voor de woonwagen en heeft verweerder haar nog drie maanden de tijd gegeven om de woonwagen in orde te maken. De huur van de woning aan de [adres] diende zij per 1 oktober 2005 op te zeggen. Bij brief van 30 november 2005 heeft mevrouw [derde] het gebruik van de woonwagenstandplaats opgezegd. Verweerder heeft daarop bij brief van 20 december 2005 gereageerd en mevrouw [derde] meegedeeld dat zij de standplaats binnen drie maanden dient te ontruimen en dat gestart zal worden met de selectie van een nieuwe gebruiker. Bij die selectie zal worden aangegeven dat de standplaats uiterlijk op 1 juni 2006 beschikbaar komt. Op 11 januari 2006 heeft verzoeker via een reactieformulier aangegeven dat hij in aanmerking wil komen voor de standplaats [adres]. Op 30 januari 2006 heeft hij bericht ontvangen dat hij de derde kandidaat is voor de standplaats.. Bij brief van 25 februari 2006 heeft mevrouw [derde] om uitstel gevraagd voor het ontruimen van de standplaats omdat zij in onderhandeling is over de verkoop van de woonwagen. Aan haar is drie maanden uitstel verleend en meegedeeld dat de standplaats op 31 mei 2006 beschikbaar dient te zijn en dat de plaats per 1 juni 2006 is verhuurd aan de nieuwe huurder. Bij brief van 11 mei 2006 heeft mevrouw [derde] gezegd de standplaats niet te willen ontruimen totdat het onderzoek naar de urgentieaanvraag van verzoeker is afgerond. Omdat verzoeker heeft aangegeven dat mevrouw [derde] niet in staat is om voor hun twee kinderen te zorgen en hij dus de zorg heeft voor de kinderen, is extern advies gevraagd aan bureau Ausems en Kerkvliet. Blijkens het advies van verweerder van 11 april 2006 is dit bureau in zijn onderzoeksrapport tot de conclusie gekomen dat er geen medische redenen zijn op grond waarvan mevrouw [derde] niet in staat is voor de kinderen te zorgen. De urgentieaanvraag van verzoeker is vervolgens afgewezen. 2.4 Niet in geding is dat zowel de woning als de standplaats binnen de distributiegrenzen vallen van de Regionale Huisvestingsverordening 2006 Bestuur Regio Utrecht (verder: Hvv). Artikel 2.2.1 van de Hvv luidt als volgt: Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een woonruimte, aangewezen in artikel 2.1.1, in gebruik te nemen voor bewoning. Het is verboden de in het vorige lid bedoelde woonruimte voor bewoning in gebruik te geven aan een huishouden dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning. Artikel 2.7.2, tweede lid van de Hvv bepaalt dat binnen het bepaalde in lid 1 voor ingeschreven woningzoekenden de volgende rangorde geldt bij toewijzing: a. standplaatszoekenden worden afnemend gerangschikt op de registratieduur van de standplaatszoekenden; b. in afwijking van het gestelde in lid 2a kan voorrang worden verleend aan urgent standplaatszoekenden met een volkshuisvestelijke indicatie. 2.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat de huisvestingsvergunning voor de woonwagenstandplaats [adres] op naam van mevrouw [derde] staat en dat deze is verleend ten behoeve van vier tot het huishouden behorende personen. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat de huisvestingsvergunning is verleend voor het gehele gezin, inclusief verzoeker. Aan deze vergunning was de voorwaarde verbonden dat de standplaats binnen 30 dagen in gebruik zou worden genomen. Vanwege bijzondere omstandigheden heeft verweerder een zeer geruime tijd uitstel verleend voor het daadwerkelijk in gebruik nemen van de standplaats en het opzeggen van de huur van de woning aan de [adres]. Dat betekent echter niet dat verweerder daarmee het gezin van verzoeker heeft toegestaan, in strijd met de Hvv, twee woningen tegelijkertijd te bewonen. Hetgeen ook blijkt uit het feit dat verweerder het gezin uiteindelijk heeft gedwongen een keuze te maken tussen de woning en de standplaats. Nu de standplaats aan de [adres] per 30 november 2005 is opgezegd en er dus is gekozen voor de woning aan de [adres], geldt de aan het gezin van verzoeker verleende huisvestingsvergunning voor de woonwagenstandplaats aan de [adres] niet langer. Dat de relatie tussen verzoeker en mevrouw [derde] inmiddels is beëindigd en dat verzoeker op de standplaats is blijven wonen doet aan het voorgaande niet af. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat verzoeker de woonwagenstandplaats in gebruik heeft zonder te beschikken over de daartoe vereiste huisvestingsvergunning en heeft verweerder hem derhalve terecht gelast de standplaats te ontruimen. 2.6 Ten aanzien van verzoekers stelling dat de woonwagenstandplaats aan hem toegewezen had behoren te worden omdat hij voor de kinderen zorgt overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Vast staat dat, in overeenstemming met de Hvv, de woonwagenstandplaats niet aan verzoeker is toegewezen maar aan een kandidaat met een langere inschrijfduur. Vast staat tevens dat aan verzoeker geen urgentie is verleend op grond waarvan de standplaats of een andere woning aan hem toegewezen had moeten worden. Voorts biedt het belang van verzoekers minderjarige kinderen evenmin aanleiding voor de conclusie dat verweerder op grond daarvan de standplaats of een andere woning aan verzoeker had moeten toewijzen. Daartoe acht de voorzieningenrechter van belang dat verweerder onderzoek heeft laten verrichten naar de medische de situatie van mevrouw [derde] door het arbeidsmedisch adviesbureau Ausems en Kerkvliet. Zij hebben hun bevindingen vastgelegd in een onderzoeksrapport. Wellicht is dat rapport niet geheel duidelijk weergegeven in verweerders advies van 11 april 2006, dat leidt echter niet zonder meer tot het oordeel dat genoemd advies onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeker het rapport niet binnen de urgentieaanvraagprocedure heeft weersproken en dat hij het bezwaar dat hij tegen het besluit tot afwijzing van zijn urgentieaanvraag zelfs heeft ingetrokken. Hetgeen verzoeker overigens in onderhavige procedure heeft aangevoerd biedt evenmin aanleiding tot twijfel aan verweerders advies. 2.7 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op verweerders verklaring ter zitting dat hij bereid is om te zoeken naar een oplossing voor verzoekers huisvestingsprobleem, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de kinderen vooralsnog bij hun moeder aan de [adres] kunnen wonen. De voorzieningenrechter ziet derhalve geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van verzoeker bestaat evenmin aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter, wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2006. De griffier: De voorzieningenrechter: mr. G. Delissen mr. H.J.H. van Meegen Afschrift verzonden op: