Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0725

Datum uitspraak2006-10-24
Datum gepubliceerd2006-10-24
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers02-800520-06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Huiselijke geweld Zeer jeugdig echtpaar ( 17 en 15 jaar) kan relatie en ouderschap niet aan. Ruzies escaleren tot nagenoeg wekelijkse mishandelingen door de man van de vrouw.


Uitspraak

RECHTBANK BREDA Parketnummer: 02-800520-06 1 Partijen. Onderzoek van de zaak. In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen: [verdachte], geboren op [datum en plaats], wonende te [adres] heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen. De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg. 2 De tenlastelegging. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat 1. hij op of omstreeks 30 april 2005 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of getracht heeft om die [slachtoffer] uit het slaapkamerraam (vanaf de 1e verdieping) te gooien/duwen en/of de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen (gehouden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; art 287 Wetboek van Strafrecht art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 30 april 2005 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, althans in Nederland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: "ik maak je af" en/of is hij, verdachte opzettelijk dreigend met een glasscherf in de richting van die [slachtoffer] gelopen en/of heeft hij, verdachte opzettelijk dreigend met een glasscherf in zijn hand een beweging gemaakt alsof hij die [slachtoffer] wilde snijden en/of heeft hij die [slachtoffer] vastgepakt en in de richting van een openstaand raam (op de 1e verdieping) geduwd en/of een beweging gemaakt alsof hij haar dat raam uit ging duwen; art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht. 2. hij op meerdere, althans een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 29 april 2005 en/of in of omstreeks de periode van 1 mei 2005 tot en met 23 april 2006 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, althans in Nederland opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen heeft geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en/of bij/in haar keel/nek heeft gepakt/geknepen en/of bij/aan haar haren heeft gepakt/getrokken en/of heeft geduwd (tegen een glazen kast), waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht 3. hij op meerdere, althans een tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 29 april 2005 en/of in of omstreeks de periode van 1 mei 2005 tot en met 23 april 2006 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, althans in Nederland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte voornoemde [slachtoffer] opzettelijk dreigend meermalen de woorden toegevoegd :"ik maak je dood en/of ik vermoord je en/of ik maak je af" en/of "Ik ga zelfmoord plegen en ik neem jou met me mee" en/of "Ik jaag je een kogel door je kop" en/of "ik maak je af als je met andere jongens omgaat", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht 3 De geldigheid van de dagvaarding. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 4 De bevoegdheid van de rechtbank. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. 5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen. 6 Schorsing der vervolging. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. 7 De bewezenverklaring. Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. primair op 30 april 2005 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer] heeft vastgepakt en getracht heeft om die [slachtoffer] uit het slaapkamerraam (vanaf de 1e verdieping) te gooien, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 2. op meerdere tijdstip(pen) in de periode van 1 juli 2004 tot en met 29 april 2005 en in de periode van 1 mei 2005 tot en met 23 april 2006 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen heeft geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en/of bij/in haar keel/nek heeft gepakt/geknepen en/of bij/aan haar haren heeft gepakt/getrokken en/of heeft geduwd (tegen een glazen kast), waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. 3. hij op meerdere tijdstip(pen) in de periode van 1 juli 2004 tot en met 29 april 2005 en de periode van 1 mei 2005 tot en met 23 april 2006 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte voornoemde [slachtoffer] opzettelijk dreigend meermalen de woorden toegevoegd :"ik maak je dood en/of ik vermoord je en/of ik maak je af" en/of "Ik ga zelfmoord plegen en ik neem jou met me mee" en/of "Ik jaag je een kogel door je kop" en/of "ik maak je af als je met andere jongens omgaat". Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. 8 Het bewijs. De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. 8.1 De bewijsmiddelen. 8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs. Ten aanzien van het hiervoor onder 1. primair bewezen verklaarde feit overweegt de rechtbank het volgende: Hoewel het handelen van verdachte qua verschijningsvorm wellicht geacht kan worden gericht te zijn geweest op de levensberoving van [voornaam slachtoffer], is de rechtbank van oordeel dat in dit geval -een eventuele val uit het raam van de 1e verdieping- niet voldoende kan worden vastgesteld dat verdachte door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Daarbij heeft de rechtbank mede in ogenschouw genomen hetgeen later door [slachtoffer] in een brief hieromtrent is geschreven. 9 De strafbaarheid van het bewezene. Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op: 1. Poging tot zware mishandeling. 2. Mishandeling, meermalen gepleegd. 3. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. 10 De strafbaarheid van verdachte. Verdachte is strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen. 11 De straffen. 11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf. Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straffen behoren te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen. 11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het tenlastegelegde op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, onder aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel van voormelde vrijheidsstraf dient de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht te worden verbonden; ook wanneer dit inhoudt een persoonlijkheidsonderzoek bij de GGZ en een eventueel daaropvolgende behandeling. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 200 uren. Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan veelvuldige mishandeling van zijn echtgenote [slachtoffer]. Zelf heeft verdachte aangegeven dat een en ander zelfs wekelijks gebeurde. Zelfs in de periode dat [voornaam slachtoffer] zwanger was is verdachte onophoudelijk doorgegaan met zijn mishandelingen. Als treurig dieptepunt binnen deze golf van mishandelingen heeft verdachte op enig moment gepoogd om [voornaam slachtoffer] uit het raam op de 1e verdieping te duwen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij is doorgegaan met het mishandelen van [voornaam slachtoffer] in plaats van hulp te zoeken voor zijn agressieprobleem. Pas de dag nadat [voornaam slachtoffer] aangifte bij de politie had gedaan heeft verdachte hulp gezocht bij het FIOM. Het kan verdachte nimmer verontschuldigen maar de rechtbank zal bij de strafbepaling rekening houden met de bijzondere omstandigheden van verdachte. Verdachte en [slachtoffer] hebben op zeer jeugdige leeftijd een relatie gekregen. Verdachte was 16 en [voornaam slachtof[voornaam slachtoffer] was 14 jaar. Toen [voornaam slachtoffer] nog maar 15 jaar oud was is hun eerste kind geboren. Zij kregen als tiener-ouders te maken met problemen rond de opvoeding van hun kind en hadden geruime tijd geen geschikte huisvesting. Daarenboven waren er problemen op het gebied van werk en financiƫn. Ook onderkent de rechtbank de wisselwerking tussen beide betrokkenen waardoor de agressie van verdachte niet of onvoldoende werd gedempt. De rechtbank betreurt het dat niet in een eerder stadium omtrent verdachte een persoonlijkheidsonderzoek is verricht. Mede gezien het rapport d.d. 3 oktober 2006 van de reclassering omtrent verdachte is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het dringend noodzakelijk is dat verdachte door een gedragsdeskundige zal worden onderzocht teneinde na te gaan of en welke behandelingsmogelijkheden er zijn in het kader van risicobeheersing en voorkoming van agressiedelicten. De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van de poging tot doodslag van het in de dagvaarding onder 1. primair ten laste gelegde feit. Nu de rechtbank de in strafrechtelijke zin minder strafwaardige vorm van poging tot zware mishandeling bewezen acht, zal zij de duur van de door de officier van justitie gevorderde werkstraf enigszins matigen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is. Mede gelet op de bijzondere context waarbinnen deze strafzaak speelt -zoals hiervoor reeds vermeld- zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen gelijk aan het reeds door hem ondergane voorarrest en daarnaast een voorwaardelijk deel teneinde de ernst van het bewezenverklaarde feit te benadrukken en voorts om een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk te maken, hetgeen de rechtbank noodzakelijk acht. Een door de officier van justitie gevorderd voorwaardelijk deel van 6 maanden gevangenisstraf acht de rechtbank niet proportioneel en zij zal dit beperken tot 3 maanden. 12 De toepasselijke wetsartikelen. De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 10 oud, 14a, 14a oud, 14b, 14b oud, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 45, 57, 285, 300, 300 oud en 302 van het Wetboek van Strafrecht. 13 De beslissing. RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt. Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven. Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Zij verklaart het bewezen verklaarde strafbaar. Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten. Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar. Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden. Zij beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot drie (3) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of na te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland. Ook wanneer dit inhoudt dat verdachte zal meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek en voorts zich zal onderwerpen aan een eventueel daaropvolgende ambulante behandeling. Zij draagt overeenkomstig artikel 14d van het wetboek van strafrecht voormelde reclasseringsinstelling op de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden. Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf. Zij veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf, te weten: een werkstraf gedurende eenhonderdtachtig (180) uren, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, te vervangen door negentig (90) dagen vervangende hechtenis. Zij heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Tilman-Knoester en mr. Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Joosen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 oktober 2006, zijnde mr. Veldhuizen buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.